Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5909

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1987/1179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2000/104 met annotatie van Bos
JBO 2005/498
Milieurecht Totaal 2000/1632

Uitspraak

18 mei 2000

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

en

2. de naamloze vennootschap

WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ OOSTELIJK GELDERLAND N.V.,

thans genaamd N.V. WATERBEDRIJF GELDERLAND,

eisers in de hoofdzaak bij dagvaarding van 6 april 1987,

procureur: voorheen mr. B. Peek, thans mr. J.C.N.B. Kaal, beiden te Arnhem,

advocaat: voorheen mr. B.D. Wubs en mr. E.C.M. Schippers, thans mr. F.A. Mulder, allen te

‘s-Gravenhage,

Rolnummer: 1987/1179 tegen

de besloten venootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEIJTING’S AANNEMINGSBEDRIJF EN HANDELSONDERNEMING B.V.,

gevestigd te Huissen,

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur: mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat: voorheen mr. J. Rozemond te Amsterdam, thans mr. F.H.A.M. Thunnissen te

‘s-Gravenhage,

en in de zaak van

de besloten venootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEIJTING’S AANNEMINGSBEDRIJF EN HANDELSONDERNEMING B.V.,

gevestigd te Huissen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de vrijwaring bij exploot van dagvaarding van

10 augustus 1987,

procureur: mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat: voorheen mr. J. Rozemond te Amsterdam, thans mr. F.H.A.M. Thunnissen te

‘s-Gravenhage,

Rolnummer: 1987/1179 tegen

de naamloze vennootschap

ROYAL NEDERLAND VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de vrijwaring

procureur: mr. M.C. de Kempenaer te Arnhem,

advocaat: mr. Eschauzier

te Rotterdam

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure in de hoofdzaak tot 6 december 1990 wordt verwezen naar het op die dag uitgesproken tussenvonnis. De door de rechtbank benoemde deskundige heeft vervolgens op 24 mei 1991 zijn definitieve rapport uitgebracht. De Staat en WOG hebben, onder overlegging van acht producties, op 6 augustus 1992 een conclusie na deskundigenbericht genomen. Heijting heeft daarop bij conclusie van 2 september 1993 geantwoord. Bij akte van 23 mei 1996 heeft de Staat de grondslag van zijn vordering gewijzigd en hebben de Staat en WOG, onder overlegging van drie producties, hun eis vermeerderd. Daarop is op 10 september 1998 aan Heijting akte verleend van haar antwoord daarop. Zij heeft toen negen producties in het geding gebracht. Vervolgens is nogmaals pleidooi gevraagd, dat heeft plaatsgevonden op 9 februari 2000. De desbetreffende pleitnotities bevinden zich bij de stukken. Bij die gelegenheid hebben de Staat en WOG bij akte zeven producties in het geding gebracht en hun eis ten derde male gewijzigd. Heijting heeft daarbij twee producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben de partijen de stukken weer aan de rechtbank overgelegd voor het wijzen van vonnis.

Voor het verloop van de procedure in de vrijwaring tot 19 december 1991 wordt verwezen naar het op die dag uitgesproken tussenvonnis. In dat vonnis was bepaald dat in de vrijwaring tezelfdertijd zou worden gefourneerd als in de hoofdzaak, hetgeen is gebeurd.

De beoordeling van het geschil in de hoofdzaak

1. Voorzover daarover hierna niet anders zal worden beslist dan wel een en ander niet dragend moet worden geacht voor de in de onderhavige uitspraak te geven eindbeslissingen (en een desbetreffende beslissing over de bindende kracht van eerdere eindbeslissingen thans dus niet behoeft te worden gedaan), volhardt de rechtbank bij hetgeen zij in haar tussenvonnissen van 24 augustus 1989 en 6 december 1990 reeds over de feiten, het geschil en de beoordeling daarvan heeft overwogen en beslist.

2. De Staat en WOG vorderen thans dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Heijting zal veroordelen

• aan de Staat te betalen een bedrag van ƒ 209.600,- ter zake van de door de Staat over de periode 1980-1982 verleende bijdrage in de kosten van voorbereiding en uitvoering van de sanering van het onderhavige geval van ernstige bodemverontreiniging, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding;

• aan WOG te betalen een bedrag van ƒ 361.675,- ter zake van de kosten van nazorg en beheersmaatregelen over 1983 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals vermeld in de laatste eiswijziging, alsmede te vergoeden de verdere kosten van voorbereiding en uitvoering van de sanering van de bodemverontreiniging op het terrein gelegen aan de Bovendorpsstraat te Zeddam en van het grondwater binnen het waterwingebied Montferland, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

• in de kosten van de procedure, die van het gehouden voorlopige getuigenverhoor daaronder begrepen.

de vorderingen van de staat

3. De vorderingen van de Staat zijn sinds de inwerkingtreding op 15 mei 1994 van een gedeelte van de Wet van 10 mei 1994 tot uitbreiding van de Wet bodembescherming (Wbb) met een regeling inzake sanering van de bodem gebaseerd op art. 75 van die wet. Ingevolge het overgangsrecht bij de uitbreidingswet heeft de Staat bij akte van 23 mei 1996 zijn stellingen aan die nieuwe grondslag aangepast. Heijting heeft zich gemotiveerd verweerd. De rechtbank zal de vordering van de Staat thans op die nieuwe grondslag beoordelen. Voorzover de Staat wil betogen dat de rechtbank, gelet op haar beslissing in overweging 28 van het tussenvonnis van 24 augustus 1989, niet meer zou vrijstaan, wordt overwogen dat die beslissing kennelijk niet is gebaseerd op het aannemen van een onrechtmatige daad jegens de Staat, maar wel op het aannemen van een onrechtmatige daad jegens WOG, waarmee dan kennelijk meteen ook de aansprakelijkheid jegens de Staat als een soort verbintenis ‘uit de wet alleen’ is gevestigd. De rechtbank heeft immers overwogen:

"Aangezien vast staat dat de getroffen maatregelen noodzakelijk waren wegens ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het milieu en dat de Staat in de kosten van de voorbereiding en uitvoering van de sanering van de bodemverontreiniging aan de provincie Gelderland een bedrag van ƒ 209.600,- overeenkomstig de IBS heeft verleend, is Heijting - nu er sprake is van een onrechtmatige daad (jegens WOG) - op grond van artikel 21 lid 1 IBS tevens tot vergoeding van deze schade, voor zover veroorzaakt door voornoemde lozing van tri, aan de Staat verplicht."

Art. 75 lid 1 Wbb verbindt - evenals in beginsel zijn voorganger art. 21 van de Interimwet bodemsanering (Ibs) - de aansprakelijkheid van de veroorzaker van ernstige bodemverontreiniging aan een door hem gepleegde onrechtmatige daad. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad inzake Staat/Van Amersfoort (HR 9 februari 1990, NJ 1991, 462) is wel duidelijk dat het daarbij moet gaan om een onrechtmatige daad tegenover de Staat (in ieder geval voor zover het, zoals in het onderhavige geval, gaat om verhaal van kosten die te zijner laste zijn gekomen). Daarmee verdraagt zich een constructie, zoals door deze rechtbank in 1989 gebezigd, niet. Zij moét dus wel op die beslissing terugkomen.

4. Nu de aan Heijting verweten gedragingen vóór 1975 hebben plaatsgevonden en de Staat Heijting niet verwijt een wettelijke bepaling te hebben te geschonden die de strekking had de overheid tegen ‘saneringsschade’ te beschermen (zie HR 30 september 1994, NJ 1996, 198 inz. Van den Brink/Staat) of dat er voor Heijting al vóór 1975 concrete aanwijzingen waren dat de overheid als reactie op zijn activiteiten de verontreinigde bodem zou gaan saneren (zie HR 24 april 1992, NJ 1993, 642 en 643 inz. Staat/Akzo Resins en Van Wijngaarden/Staat), dient het aan Heijting verweten verontreinigend handelen te worden getoetst aan het zesde lid van art. 75 Wbb. Volgens die bepaling is voor aansprakelijkheid van Heijting jegens de Staat vereist dat Heijting a) op het moment waarop de verontreiniging door zijn toedoen werd veroorzaakt de ernstige gevaren kende die aan de stoffen die de verontreiniging hebben veroorzaakt verbonden waren, dan wel deze gevaren behoorde te kennen, en b) zij met het oog op deze ernstige gevaren zich ernstig verwijtbaar niet van de verontreinigende gedragingen heeft onthouden, waarbij in het bijzonder in aanmerking moeten worden genomen 1) de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering en 2) de destijds bestaande en voor de veroorzaker redelijkerwijs toepasbare alternatieven.

5. Blijkens de memorie van antwoord bij het huidige art. 75 lid 6 Wbb gaat het er bij de vraag naar de betekenis van "de ernstige gevaren" als bedoeld in die bepaling om of de desbetreffende stof een verhoogde kans op schade voor personen of zaken meebracht. Het staat wel vast dat de stof tri thans

- volgens het door Heijting overgelegde criteriadocument over trichlooretheen tast tri voornamelijk het centrale zenuwstelsel aan en is de stof toxisch voor de lever en de nieren - aan dat criterium beantwoordt. Onder meer volgens het door de Staat bij akte van 23 mei 1996 overgelegde rapport van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit waren die toxische eigenschappen ook in de jaren ’50 en ’60 in de wetenschap en in de industrie algemeen bekend. Eventuele onwetendheid daarvan bij Heijting, die zich bedrijfsmatig van de stof bediende, dient haar derhalve te worden toegerekend. Aan het in lid 6 onder a van art. 75 Wbb gestelde vereiste voor aansprakelijkheid is (dan ook) voldaan. Anders dan Heijting aanvoert ziet dit vereiste (dus) niet op de kennis van de eventuele gevaren van het in de bodem graken van tri. Deze opvatting zou er overigens toe leiden dat aan de strekking van lid 6 (aansprakelijkheid zonder onrechtmatig handelen jegens de overheid) ernstig afbreuk zou worden gedaan, iets wat de wetgever niet kan hebben beoogd.

6. Iets anders is of Heijting zich met het oog op deze ernstige gevaren ernstig verwijtbaar niet van de verontreinigende gedragingen heeft onthouden. Volgens de Staat is dat het geval. Bij de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank zich onder meer ervan te vergewissen of de bedrijfsvoering bij Heijting die tot de tri-verontreiniging heeft geleid in negatieve zin afweek van de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering. In opdracht van de Staat is ook naar die vraag onderzoek verricht door het Instituut voor Milieuvraagstukken. Dit instituut heeft de bedrijfsvoering bij Heijting echter niet vergeleken met die van andere asfaltmengbedrijven, maar met "de gebruikelijke bedrijfsvoering in (bedrijfs)laboratoria, zoals beschreven in de algemene laboratoriumliteratuur". Dat is dus onvoldoende. Daarbij komt dat Heijting aan de hand van in opdracht van de Nederlandse Vereniging van Wegenbouwers door de Technische Universiteit te Delft verricht onderzoek nu juist tot de conclusie komt dat zij wat betreft de verwijdering van de tri niet ongunstig afstak bij veldlaboratoria die in die tijd door andere wegenbouwers (asfaltmengbedrijven) werden gebruikt. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat Heijting er op dit punt een bedrijfsvoering beneden de gemiddelde maat op na heeft gehouden.

7. Of er destijds alternatieven waren voor het het lozen van de tri op de zandstort of ‘in de bosjes’ doet er dan vervolgens niet zoveel meer toe, omdat het niet toepassen van dergelijke alternatieven niet als een ernstig verwijt kan worden beschouwd indien - zoals hier - moet worden aangenomen dat de bedrijfsvoering niet in negatieve zin van die van andere ondernemingen uit de bedrijfstak afweek. Daarin ligt immers reeds besloten dat destijds eventueel reeds bestaande alternatieven kennelijk in de branche niet redelijkerwijs toepasbare alternatieven waren. Los daarvan is door de Staat in de eerste plaats op de toentertijd bestaande mogelijkheden van terugwinning gewezen, maar Heijting heeft bij haar laatste akte nog gemotiveerd weersproken dat die optie reëel was, nu daarvoor naar haar mening kostbare geavanceerde apparatuur nodig was die bovendien toen nog niet commercieel verkrijgbaar was. Die specifieke stelling is door de Staat bij pleidooi niet meer bestreden, zodat de rechtbank ook daarvan heeft uit te gaan. De mogelijkheid van afvoer ter verbranding is eveneens ter sprake gekomen, maar tussen de partijen staat wel vast dat die mogelijkheid zich eerst tegen het einde van de tweede helft van de jaren ’70 heeft voorgedaan. De conclusie is daarom dat aan de eisen van art. 75 lid 6 Wbb niet is voldaan, hetgeen tot de slotsom voert dat de vordering van de Staat zal worden afgewezen.

de vorderingen van wog

8. WOG heeft betoogd dat het de rechtbank niet zou vrijstaan het handelen van Heijting in de periode 1960-1974 andermaal te toetsen aan de normen van maatschappelijke betamelijkheid uit die tijd, nu de rechtbank in haar tussenvonnis van 24 augustus 1989 reeds had overwogen:

"Te meer nu Heijting de tri loosde in of in de onmiddellijke nabijheid van een waterwingebied (en zij dus kon vermoeden dat deze tri in het grondwater van een dergelijk gebied terecht zou komen), had Heijting, indien zij niet zeker wist hoe gevaarlijk tri in het grondwater kan zijn, dit behoren na te gaan. Dit heeft zij nagelaten. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat Heijting de drinkwatervoorziening nodeloos in gevaar heeft gebracht. Hiermee heeft zij gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, die in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van WOG betaamt. Derhalve moet het lozen van tri door Heijting, indien dat lozen de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, als een onrechtmatige daad jegens WOG worden aangemerkt."

Door Heijting is terecht aangevoerd dat de juistheid van de vooropstelling aan het begin van deze overweging door het eindrapport van de door de rechtbank benoemde deskundige van 24 mei 1991 - op zijn zachtst gezegd - twijfelachtig is geworden. De deskundige heeft immers geconcludeerd dat de asfaltinstallatie van Heijting buiten het waterwingebied lag en ook niet in de onmiddellijke nabijheid daarvan. Anders dan WOG betoogt konden die feiten niet uit de tijdens het voorlopig getuigenverhoor beschikbare kaarten worden afgeleid. Op die kaarten staan de grenzen van het waterwingebied ook niet aangegeven. Tekenend is in dit verband dat de deskundige tot zijn genoemde conclusie komt louter op basis van berekeningen betreffende de reisafstand van het grondwater. Gezien dit alles acht de rechtbank het dan ook gerechtvaardigd om de gegrondheid van de vorderingen van WOG wat het aspect van de eventuele onrechtmatigheid betreft nogmaals aan een beoordeling te onderwerpen. Overigens gaat naar het oordeel van de rechtbank de leer van de ‘bindende eindbeslissing’ nu ook weer niet zo ver dat het de rechtbank niet zou zijn toegestaan om na een periode van meer dan 10 jaar, waarin het aansprakelijkheidsrecht in de wetenschappelijke literatuur en in de rechtspraak - ingegeven door onder meer de onder 4 genoemde arresten van de Hoge Raad - op het punt van het verhaal van kosten van bodemsanering een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, de aldus nieuw verworven inzichten alsnog toe te passen, als bij het nalaten daarvan onvoldoende recht zou worden gedaan aan de regel dat aansprakelijkheid niet kan worden aangenomen als de eventuele veroorzaker van de schade niet "anders heeft gehandeld dan hij had moeten doen teneinde geen schade toe te brengen aan een bepaald belang van een ander dat hij had behoren te ontzien, waartoe dan ook mede vereist is dat hij dat belang kende of had behoren te kennen" (HR 30 september 1994, NJ 1996, 196 inz. Staat en Gouderak/Shell).

9. De vorderingen van WOG moeten dus worden beoordeeld in het licht van het door WOG gestelde belang bij productie van niet boven een bepaalde norm, te weten één microgram per liter, met tri verontreinigd drinkwater. De vraag moet dan zijn of Heijting in de periode 1960-1974 met het oog op dat belang anders had behoren te handelen dan zij heeft gedaan. Heijting heeft bij pleidooi echter onweersproken aangevoerd dat de genoemde norm voor tri in de periode waarover het hier gaat nog helemaal niet gold, maar pas sinds 1984 in art. 4 van het Waterleidingbesluit is opgenomen. Aldus kan de conclusie naar het oordeel van de rechtbank geen andere zijn dan dat Heijting in de bewuste periode het door WOG gestelde belang niet kon schenden, zodat de vraag of zij zich van dat belang bewust was of behoorde te zijn niet eens aan de orde komt. Gesteld noch gebleken is dat Heijting in de periode 1960-1974 door te handelen zoals zij deed onzorgvuldig heeft gehandeld met het oog op enig ander toentertijd bestaand en door destijds art. 1401 (oud) BW beschermd belang van WOG zodat, nu enige andere grond voor aansprakelijkheid dan de bovenbedoelde ‘historische onrechtmatige daad’ zich niet voordoet, ook de vorderingen van WOG zullen worden afgewezen.

10. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de Staat en Wog worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu het tegendeel is gesteld noch gebleken gaat de rechtbank er daarbij vanuit dat het door Heijting ten behoeve van het onderzoek door de deskundige gedeponeerde voorschot van ƒ 32.000,-, voorzover dit het door de deskundige gefactureerde bedrag van ƒ 22.132,20 overtrof, aan Heijting reeds is teruggestort.

De beoordeling van het geschil in de vrijwaring

11. Nu het in de hoofdzaak niet tot een veroordeling is gekomen heeft Heijting bij haar vordering in vrijwaring geen belang, zodat zij daarin niet kan worden ontvangen. Heijting zal worden veroordeeld in de kosten van de vrijwaring.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

in de hoofdzaak:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt de Staat en WOG in de kosten van de procedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van Heijting bepaald op

ƒ 22.632,20 aan verschotten en op ƒ 34.200,- aan procureurssalaris,

in de vrijwaring:

wijst de vordering af,

veroordeelt Heijting in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van Royal Nederland bepaald op ƒ 500,- aan verschotten en op ƒ 15.200,- aan procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. van Driel van Wageningen, R.J.B. Boonekamp en R.J.J. van Acht en uitgesproken in het openbaar op donderdag 18 mei 2000.