Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5906

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 2000/228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

19 mei 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

VvE T-straat,

gevestigd te V en kantoorhoudende te A,

eiseres bij dagvaarding van 7 april 2000,

procureur mr N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

advocaat mr E.J. Loos te Arnhem,

Rolnummer: KG 2000/228 tegen

S,

wonende te V,

gedaagde,

gemachtigde mr K. Koudijs te Huizen.

Partijen worden verder aangeduid als VvE T-straat en S.

Het verloop van de procedure

VvE T-straat heeft S ter zitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. S heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaat van VvE T-straat en de gemachtigde van S hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Op 12 mei 2000 heeft in het bijzijn van partijen een bezichtiging ter plaatse plaatsgevonden in het appartement van H, T-straat Y, en in het appartement van S, T-straat X. Tenslotte heeft VvE T-straat de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De vaststaande feiten

1. S is eigenaar van het appartement T-straat X te V. Zijn appartement ligt boven twee andere appartementen, te weten het appartement van H, T-straat Y, en het appartement van N, T-straat Z. Het appartement van H bevindt zich onder de keuken en een deel van de woonkamer van S.

2. Op voet van artikel 5:125 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is S lid van VvE T-straat.

3. S is ingevolge artikel 5:111 sub d BW gehouden de bepalingen van het in de Akte van Splitsing opgenomen Modelreglement 1992 na te leven. VvE T-straat is ingevolge artikel 5:126 lid 3 BW gehouden toe te zien op het naleven van de uit het Modelreglement 1992 voortvloeiende verplichtingen.

4. Artikel 17 lid 5 van het Modelreglement 1992 luidt als volgt:

"De vloerbedekking van de privégedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt op zodanige wijze dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers."

5. S heeft in zijn privégedeelte parket en een marmeren vloer laten leggen zonder het bestuur te vragen een oordeel te geven over de vraag of daardoor geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.

6. Naar aanleiding van klachten van de onderburen van S over geluidsoverlast heeft het bestuur van VvE T-straat bij brief van 9 mei 1997 Scheerder het volgende voorstel gedaan:

"Teneinde een einde te maken aan de geconstateerde geluidshinder veroorzaakt door uw parket- en marmeren vloeren kan het bestuur en uw onderburen, de heer H en mevrouw B alsmede de heer N, zich verenigen met het door u gedane voorstel.

Dit houdt het volgende in:

U verplicht zich binnen een redelijke termijn, doch uiterlijk binnen acht weken na heden vloerbedekking/vloerkleden op uw huidige houten vloerbedekking en marmeren vloeren te deponeren, opdat voldaan wordt aan de vereisten van artikel 17 lid 5 van het Modelreglement 1992 bij splitsing in appartementsrechten.

(…)

Het bestuur maakt van deze gelegenheid gebruik om u erop te attenderen dat zij het recht houdt, om conform de door de vereniging van eigenaars verlangde uitspraak, u alsnog te verplichten andere vloerbedekking aan te brengen indien het thans door u voorgestelde, geen of te weinig effect heeft."

7. Aangezien de klachten over geluidshinder van met name H aanhielden, heeft de Algemene Ledenvergadering van VvE T-straat op 6 april 1999 besloten om het Adviesbureau Peutz & Associes B.V. te vragen een akoestisch onderzoek inzake de contactgeluidisolatie tussen de appartementen T-straat X en Y te V te doen. Tevens is besloten om, indien geluidsoverlast zou worden geconstateerd, het bestuur mandaat te geven om middels een gerechtelijke procedure de harde vloerbedekking te laten verwijderen uit het appartement van S.

8 Op 30 juni 1999 heeft het Adviesbureau Peutz & Associes B.V. haar rapport uitgebracht. De in artikel 17 lid 5 van het Modelreglement 1992 geformuleerde norm is door hen vertaald naar een contactgeluidisolatie-eis van Ico ³ + 10 dB. Uit de gemeten contactgeluidisolaties blijkt dat de sisal vloerbedekking (+ 13 dB) alsmede de houten vloer en de marmeren vloer met tapijt (+ 18 dB en + 22 dB) wél voldoen aan de streefwaarde. De houten vloer en de marmeren vloer zonder tapijt (+ 7 mB) voldoen niet aan de streefwaarde van Ico ³ + 10 dB.

9 VvE T-straat heeft S diverse malen schriftelijk verzocht en gesommeerd afdoende maatregelen te treffen dan wel tot verwijdering van de harde vloerbedekking over te gaan. S heeft aan deze verzoeken en sommaties tot op heden geen gevolg gegeven.

Het geschil

1. VvE T-straat vordert, samengevat weergegeven, S te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis tot verwijdering van de harde vloerbedekking over te gaan dan wel afdoende maatregelen te treffen, zodanig dat aan de bepalingen van het Modelreglement 1992 zal zijn voldaan en de door hem veroorzaakte geluidsoverlast achterwege zal blijven, op straffe van het verbeuren van een dwangsom. Als grondslag voor haar vordering heeft VvE T-straat aangevoerd dat S heeft gehandeld in strijd met artikel 17 lid 5 van het Modelreglement 1992 en dat H, T-straat Y, geluidsoverlast ondervindt van de houten en de marmeren vloer in het appartement van S, T-straat X.

2 S heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling van het geschil

1 S betwist dat H geluidsoverlast, veroorzaakt door de houten en de marmeren vloer van zijn appartement, kan ondervinden. Op advies van een ter zake deskundig ingenieur heeft S de houten en de marmeren vloer volgens een

in overleg met TNO ontwikkelde constructie met speciale ondervloeren laten leggen, waarbij geen enkele geluidsoverlast zou ontstaan. Vervolgens heeft S nadat er toch klachten waren gekomen van geluidshinder, op de loopvlakken op de houten en de marmeren vloer tapijten gelegd. Uit het rapport van het adviesbureau Peutz & Associes blijkt dat, overal waar tapijt ligt, meer dan voldoende is voldaan aan de streefwaarde van Ico ³ + 10 dB.

2. Tijdens de bezichtiging ter plaatse is komen vast te staan dat de tapijten niet over de gehele houten en marmeren vloer in het appartement van S zijn gelegd. Een klein gedeelte van de houten en een groter deel van de marmeren vloer worden nog belopen. De president heeft waargenomen dat het belopen van het gedeelte van de houten vloer zo klein is dat het geen noemenswaardige geluidsoverlast veroorzaakt, maar het belopen van de gedeelten van de marmeren vloer waar geen vloerkleed ligt wél geluidsoverlast veroorzaakt in het appartement van H die als onredelijk hinderlijk moet worden aangemerkt. Ook het schuiven van stoelen op de marmeren vloer was duidelijk te horen. Deze bevindingen van de president komen nagenoeg overeen met de constatering van het adviesbureau Peutz & Associes dat de houten en de marmeren vloer zonder tapijt (+ 7 dB) niet voldoen aan de streefwaarde van Ico ³ + 10 dB.

3. Naar het oordeel van de president heeft S met het leggen van een houten en een marmeren vloer in zijn appartement gehandeld in strijd met artikel 17 lid 5 van het Modelreglement 1992. Hij heeft aan het bestuur geen toestemming gevraagd en hij heeft van het bestuur geen toestemming gekregen om in zijn appartement een houten en een marmeren vloer aan te leggen. Dat betekent dat S in beginsel gehouden is zowel de houten als de marmeren vloer uit zijn appartement te verwijderen. Het verweer van S dat hij zich door deskundigen heeft laten voorlichten dat de door hem gekozen constructie geen contactgeluid zou veroorzaken, doet, wat daarvan zij, niet ter zake. Feit is dat hij geen toestemming heeft gevraagd noch gekregen en dat ter plaatse contactgeluid is geconstateerd dat als onredelijk hinderlijk moet worden aangemerkt.

4. Gelet op het standpunt van het bestuur, ingenomen in haar brief aan S van 9 mei 1997, op de resultaten van het rapport van het adviesbureau Peutz & Associes en op de bevindingen van de president tijdens de bezichtiging ter plaatse zal S aan de onredelijke hinder, veroorzaakt door de marmeren vloer, een einde moeten maken. Hij kan dit doen door hetzij de marmeren vloer in de keuken en in het gedeelte van de woonkamer te verwijderen en te vervangen door een zodanige vloerbedekking, niet zijnde van hout of steen, dat geen onredelijke geluidshinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers dan wel de marmeren vloer geheel en al te bedekken met tapijt. De vordering van VeE T-straat zal dienovereenkomstig worden toegewezen, met dien verstande dat er aanleiding is de dwangsom te beperken en aan een maximum te binden.

5. S dient zich hierbij te realiseren dat indien hij voor de tweede optie kiest het bestuur van VvE T-straat hem - ingeval van verkoop van zijn appartement - alsnog kan verplichten om de vloeren van zijn appartement in overeenstemming met het bepaalde in artikel 17 lid 5 van het Modelreglement 1992 te brengen.

6 Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal S in de kosten van het kort geding worden verwezen.

De beslissing

De president

1. veroordeelt S om binnen 6 weken na betekening van dit vonnis de marmeren vloer in de keuken en in het gedeelte van de woonkamer te verwijderen dan wel geheel en al te bedekken met tapijt, in voege als in rechtsoverweging 4 is overwogen,

2. veroordeelt S om ingeval hij (na betekening van dit vonnis) in gebreke mocht blijven aan bovengenoemde veroordeling te voldoen, aan VvE T-straat een dwangsom te betalen van f 500,-- per dag met een maximum van f 25.000,--,

3. veroordeelt S in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VvE T-straat bepaald op ƒ 1.550,00 voor salaris procureur en op ƒ 505,34 voor verschotten (ƒ 105,34 wegens het uitbrengen van de dagvaarding en ƒ 400,00 wegens griffierecht),

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr J.A.Z. Hooft Graafland en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2000 in tegenwoordigheid van de griffier mr T.J. Steenland.