Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5422

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-02-2000
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AAW 97/1106
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

SEC schriftelijke uitspraak CRvB enkelvoudige kamer

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: AAW 97/1106

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, als rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor de Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, vertegenwoordigd door Cadans Uitvoeringsinstelling BV te Zeist, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder(s rechtsvoorganger) van 6 maart 1997.

2. Feiten en procesverloop

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder eiser met ingang van 31 mei 1993 een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Tevens besloot verweerder deze uitkering onder toepassing van artikel 33 van de AAW tot 31 mei 1996 niet tot uitbetaling te doen komen en ten slotte deze uitkering met ingang van 31 mei 1996 in te trekken omdat eiser voor minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de AAW.

Bij schrijven van 9 april 1997 is namens eiser hiertegen beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 5 augustus 1997 aan de rechtbank toegezonden.

Verweerder heeft desverzocht bij schrijven van 11 september 1997 een verweerschrift ingediend en op 15 december 1997 nog een nader gedingstuk ingezonden.

Bij brief van 7 februari 2000 is namens eiser nog een andere toelichting op het beroepschrift gegeven. Naar de inhoud van deze - aan partijen bekende of toegezonden - gedingstukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep tegen het bestreden besluit is behandeld ter zitting van 18 februari 2000, waar - zoals tevoren aangekondigd - geen der partijen is verschenen.

3. Overwegingen

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.

In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Eiser, werkzaam als zelfstandig fruithandelaar, is op 1 juni 1992 uitgevallen met beenklachten. Op 31 mei 1994 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek om toekenning van een uitkering op grond van de AAW.

Eiser is op 20 april 1995 en 8 september 1995 onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige N.G.M. van Alst, en op 23 november 1995 heeft de arbeidsdeskundige J. Kijvekamp ter zake een rapport uitgebracht.

Vervolgens zijn op 21 februari 1996 en 27 september 1996 nog nadere medische en arbeidskundige rapporten uitgebracht. Op basis van deze rapporten heeft verweerder bij het bestreden besluit vastgesteld dat eiser ingaande 31 mei 1993 gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en hem deswege een uitkering ingevolge de AAW toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Verweerder heeft evenwel tevens besloten toepassing te geven aan artikel 33 van de AAW en de uitkering niet tot uitbetaling te laten komen, omdat het aan eiser toe te rekenen aandeel in de jaarwinsten uit zijn onderneming zodanig was dat een theoretische mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% aanwezig was. Wegens het bereiken van de maximale termijn van drie jaar voor de toepassing van artikel 33 AAW heeft verweerder vervolgens ingaande 31 mei 1996 de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 25% bepaald en de AAW-uitkering ingetrokken.

In dit geding moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Eisers grieven richten zich in hoofdzaak tegen verweerders berekening van het maatmaninkomen en het aan eiser toe te rekenen winstaandeel na het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat eisers maatmaninkomen op de juiste wijze is vastgesteld en dat met een te verwachten winstontwikkeling en andere door eiser gestelde aspecten ten aanzien van de inkomsten ter vaststelling van het maatmanloon terecht geen rekening is gehouden.

De rechtbank overweegt allereerst als volgt.

Aan eiser is met ingang van 31 mei 1993 een AAW-uitkering toegekend, derhalve vóór de inwerkingtreding op 1 augustus 1993 van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA van 7 juli 1993, St. 412), bij welke wet (onder meer) artikel 33 van de AAW is gewijzigd en artikel 34 van de AAW is ingetrokken.

Op grond van de gedingstukken moet worden vastgesteld dat verweerder zich hiervan geen rekenschap heeft gegeven, terwijl voorts is gebleken dat verweerder reeds vanaf 31 mei 1993 toepassing heeft gegeven aan artikel 33 AAW zoals dit artikel is komen te luiden op 1 augustus 1993. Mede gelet op artikel XIX van de Wet TBA is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de wet.

Hieraan kan worden toegevoegd dat wat betreft de periode voorafgaande aan 1 augustus 1993 het bestreden besluit bovendien op een niet toereikende motivering berust. Uit de medische en arbeidskundige rapporten komt naar voren dat eiser na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid nog slechts een - in verhouding tot de voordien uitgevoerde werkzaamheden - te verwaarlozen aandeel in de bedrijfsvoering heeft gehad.

Het had derhalve alleszins in de rede gelegen dat verweerder het ten tijde van belang nog vigerende artikel 34 AAW in zijn overwegingen had betrokken. Een en ander klemt te meer nu eiser blijkens het verzekeringsgeneeskundig rapport van 21 februari 1996 zijn werkzaamheden op dat moment kennelijk geheel had gestaakt.

Uit het vorenoverwogene volgt tevens dat de intrekking van eisers uitkering met ingang van 31 mei 1996 eveneens een deugdelijke grondslag ontbeert, omdat voorshands niet is komen vast te staan dat op die datum de termijn van drie jaren als bedoeld in artikel 33 AAW, zoals deze wet luidt vanaf 1 augustus 1993, reeds was verstreken.

De rechtbank acht het aangewezen ook omtrent de inhoudelijke kant van de onderhavige zaak enige opmerkingen te maken.

Uit de hiervoor genoemde arbeidskundige rapporten leidt de rechtbank af dat verweerder ter vaststelling van eisers maatmanloon terecht is uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde netto-winst over de laatste drie boekjaren voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van eiser. In hetgeen namens eiser in dit verband is aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat verweerders berekening aldus in strijd zou zijn met het wettelijk systeem of de ter zake gevormde jurisprudentie.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder eisers maatman heeft bepaald op 75% van de (gemiddelde) winst uit eisers onderneming, zulks aan de hand van de door eiser en zijn echtgenote in de onderneming gewerkte arbeidsuren van 60 respectievelijk 20 per week. Na het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft eiser blijkens voornoemde rapporten nog slechts een arbeidsprestatie geleverd van 5 uren per week, bestaande uit het openen en controleren van het bedrijf.

Niettemin heeft verweerder gezien de winstcijfers over de jaren 1993 tot en met 1995 de (theoretische) mate van arbeidsongeschiktheid van eiser gesteld op minder dan 25%, waarbij het aan eiser toe te rekenen winstaandeel onveranderd is vastgesteld op 75%, zulks op basis van de vóór het intreden der arbeidsongeschiktheid bestaande urenverdeling tussen eiser en zijn echtgenote.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 33 AAW. In de door verweerder gekozen systematiek ter berekening van het maatloon van eiser ligt besloten dat de in de onderneming gerealiseerde winst aan de beide echtgenoten wordt toegerekend naar rato van de door hen feitelijk gewerkte arbeidsuren per week. Verweerder heeft geen omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat van deze systematiek na het intreden van de arbeidsongeschiktheid zou moeten worden afgeweken. Uitgaande van verweerders berekeningsmethode moet worden geconstateerd dat de winst uit onderneming na het intreden van de arbeidsongeschiktheid van eiser geacht moet worden te zijn gerealiseerd door (onder meer) de gezamenlijke arbeid van eiser en zijn echtgenote gedurende respectievelijk 5 en 20 uren per week. Door verweerder is niet gesteld en de rechtbank is ook niet gebleken dat aan de door eiser nog verrichte werkzaamheden in de vorm van het openen en de controle van het bedrijf een (veel) hogere loonwaarde dan voorheen zou moeten worden toegeschreven.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder in de gegeven omstandigheden ten onrechte 75% van de gerealiseerde winsten als inkomsten uit arbeid van eiser in de zin van artikel 33 AAW in aanmerking heeft genomen. Hieraan kan niet afdoen dat in fiscaal opzicht, zoals blijkt uit de jaarstukken, de winst uit onderneming met toepassing van de zogeheten meewerkaftrek in zijn geheel als belastbaar inkomen van eiser is aangemerkt, nu die fiscale opstelling - zowel vóór als na de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid - kennelijk niet heeft berust op een bewuste keuze van eiser.

Ten slotte dient in aanvulling op het voorgaande nog te worden opgemerkt dat voor toepassing van artikel 33 AAW over het jaar 1996 reeds hierom geen deugdelijke grondslag bestond, omdat niet is gebleken dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit over de betreffende jaarstukken van eisers onderneming beschikte, noch op andere wijze de winstgegevens over dat jaar bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Zulks klemt te meer nu eiser in het aanvullend beroepschrift heeft gesteld dat de winst over 1996 aanzienlijk lager zal zijn dan in voorgaande jaren.

De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f.710.= ter zake van rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 33 AAW en voor zover daarbij eisers uitkering is ingetrokken;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f.710.=;

bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht van f.55.= aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en door hem in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2000 in tegenwoordigheid van mr. H.R. Westra als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op: 28 februari 2000