Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5337

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1710 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 98/1710 AAW/WAO

UITSPRAAK

in het geding tussen:

V.O.F. [eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door Gak Nederland B.V. te Arnhem, verweerder,

alsmede

[derde belanghebbende] te [woonplaats], partij ex artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 augustus 1998.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 21 mei 1997 heeft verweerder [derde balanghebbende] (verder:[derde belanghebbende]) medegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd is vastgesteld op 25 tot 35%.

Tegen dat besluit heeft C.H.M. van Schriek (verder: Van Schriek), accountant-administratieconsulent, op basis van een door [derde belanghebbende] op 12 juni 1997 verleende volmacht bezwaar gemaakt. Van Schriek heeft vervolgens, krachtens het hem bij genoemde volmacht verleende recht van subsitutie, volmacht verleend aan de Fiscount Adviesgroep. Namens de Fiscount Adviesgroep heeft R.T. van Baarlen (verder: Van Baarlen) [derde belanghebbende] in de bezwaarprocedure vertegenwoordigd.

Bij besluit van 5 december 1997 heeft verweerder het bezwaar van [derde belanghebbende] ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 29 oktober 1997 heeft verweerder de uitkeringen van [derde belanghebbende] krachtens de AAW en de WAO met ingang van 27 oktober 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij een tweede besluit van 29 oktober 1997 (gelezen in samenhang met verweerders brief van 3 november 1997) heeft verweerder het aan voornoemde uitkering krachtens de WAO ten grondslag liggende dagloon met ingang van 27 oktober 1997 verhoogd.

Bij schrijven van 2 december 1997 is tegen de besluiten van 29 oktober 1997 bezwaar gemaakt door Van Baarlen, onder vermelding dat het bezwaar wordt ingesteld op wens en onder machtiging van [derde belanghebbende].

Bij het hierboven aangeduide besluit van 10 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft eiseres, als werkgever van [derde belanghebbende], aangemerkt als belanghebbende en haar een afschrift van het besluit gezonden.

Namens eiseres heeft Van Baarlen op 17 september 1998 tegen het besluit van 10 augustus 1998 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Namens eiseres is daarop gereageerd bij schrijven van 1 december 1998.

Zowel namens eiseres als namens verweerder zijn nadere reacties ingezonden.

[derde belanghebbende] heeft zich, na daartoe door de rechtbank te zijn uitgenodigd, op 31 augustus 1999 gesteld als partij ex artikel 8:26 van de Awb. Namens [derde belanghebbende] heeft mr. E. Bige, advocaat te Arnhem, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Namens [derde belanghebbende] is nog een schrijven van 7 september 1999 ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 januari 2000, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde R.T. van Baarlen, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid, werkzaam bij Gak Nederland B.V. te Arnhem. [derde belanghebbende] is niet verschenen.

3. Overwegingen

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Gelet op de stellingname van [derde belanghebbende] dat zonder zijn machtiging bezwaar is gemaakt tegen de besluiten van 29 oktober 1997, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De door [derde belanghebbende] aan Van Schriek op 12 juni 1997 verleende volmacht luidt, voor zover van belang, als volgt: "Ondergetekende [derde belanghebbende] (...) machtigt bij deze met het recht van subsitutie de heer C.M.H. van Schriek, van beroep accountant-administratieconsulent (...) om hem te vertegenwoordigen bij het instellen van beroep (waaronder het inzien van gedingstukken) tegen de beslissing d.d. 21 mei 1997 genomen door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (LISV), G.A.K. Nederland B.V. te Arnhem."

Op 9 juli 1997 heeft Van Schriek de volgende volmacht aan de Fiscount Adviesgroep verleend: "Ondergetekende C.M.H. van Schriek (...) machtigt bij deze de Fiscount Adviesgroep (...) om hem te vertegenwoordigen bij het instellen van beroep (waaronder het inzien van gedingstukken) tegen de beslissing d.d. 21 mei 1997 genomen door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (LISV), G.A.K. Nederland B.V. te Arnhem."

Op grond van eerstvermelde machtiging heeft Van Schriek bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 21 mei 1997. Van Baarlen, werkzaam bij de Fiscount Adviesgroep, heeft vervolgens de gronden van het bezwaar uiteengezet en heeft [derde belanghebbende] nadien in de bezwaarprocedure vertegenwoordigd.

In bezwaar is met name aangevoerd dat [derde belanghebbende] sedert 28 oktober 1996 volledig arbeidsongeschikt is en dat verweerder bij besluit van 21 mei 1997 ten onrechte heeft aangenomen dat [derde belanghebbende] ongewijzigd voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 5 december 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid uit een andere oorzaak voortvloeide dan die op basis waarvan [derde belanghebbende] arbeidsongeschiktheidsuitkering genoot; verweerder heeft voorts aangegeven dat uit de artikelen 27 van de AAW en 37 van de WAO voortvloeit dat herziening van de uitkeringen van [derde belanghebbende] eerst kan plaatsvinden zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.

Aangezien [derde belanghebbende] op 27 oktober 1997 gedurende 52 weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschiktheid is geweest, heeft verweerder bij zijn besluiten van 29 oktober 1997 de uitkeringen van [derde belanghebbende] ingevolge de AAW en de WAO herzien en diens dagloon ingevolge de WAO verhoogd.

Van Schriek heeft Van Baarlen bij brief van 25 november 1997 het volgende medegedeeld: "Naar aanleiding van uw brief d.d. 18 november 1997 bevestigen wij hierbij de opdracht om bezwaar te maken tegen de beslissingen d.d. 29 oktober 1997 van het G.A.K. inzake de ingangsdatum van de WAO-uitkering van de heer [derde belanghebbende]."

Bij brief van 2 december 1997 heeft Van Baarlen vervolgens bezwaar gemaakt tegen beide besluiten van 29 oktober 1997; daarbij is aangevoerd dat verweerder [derde belanghebbende] in zoverre is tegemoet gekomen dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% is gesteld, doch dat ten onrechte een wachttijd van 52 weken is gehanteerd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 1997 ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 augustus 1998 heeft mr. E. Bige, namens [derde belanghebbende], aan verweerder medegedeeld dat [derde belanghebbende] slechts volmacht aan Van Schriek had verleend om bezwaar te maken tegen het besluit van 21 mei 1997 en dat Van Schriek niet was gemachtigd om ook tegen de besluiten van 20 oktober 1997 bezwaar te maken.

Gelet op deze stellingname van [derde belanghebbende] heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bezwaar van de beweerdelijk gemachtigde niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en is de rechtbank verzocht die niet-ontvankelijkheid uit te spreken. [derde belanghebbende] deelt dit standpunt van verweerder.

Namens eiseres is door Van Baarlen aangevoerd dat het bezwaar wel bevoegdelijk is ingesteld vanwege de samenhang tussen de besluiten van 21 mei 1997 en 29 oktober 1997; het bezwaar tegen deze besluiten betreft immers de ingangsdatum van de herziening van de uitkeringen. Daarbij is er op gewezen dat de besluiten van 29 oktober 1997 aangemerkt dienen te worden als wijzigingsbesluiten als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, zodat het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 1997 op grond van artikel 6:19 van de Awb mede wordt geacht te zijn gericht tegen de besluiten van 29 oktober 1997.

De rechtbank is van oordeel dat de besluiten van 29 oktober 1997 niet kunnen worden aangemerkt als besluiten waarbij het besluit van 21 mei 1997 wordt gewijzigd aangezien zij de in het besluit van 21 mei 1997 opgenomen vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [derde belanghebbende] per mei 1997 niet wijzigen. De besluiten van 29 oktober 1997 kunnen dan ook niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Gelet daarop kan de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 1997 niet worden gebaseerd op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

Het standpunt van eiseres dat de door [derde belanghebbende] op 12 juni 1997 afgegeven volmacht een toereikende grondslag biedt om ook bezwaar in te stellen tegen de besluiten van 29 oktober 1997, begrijpt de rechtbank als een beroep op de regel die is neergelegd in artikel 3:62, tweede lid, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 3:79 van het BW. In eerstgenoemd artikel is bepaald dat een volmacht die is verstrekt voor een bepaald doel, zich uitstrekt tot alle daden van beheer en beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewoordingen van de volmacht van 12 juni 1997 blijkt dat slechts volmacht is verleend om beroep in te stellen tegen het besluit van 21 mei 1997. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen hebben beoogd daaronder mede te begrijpen het instellen van bezwaar.

Uit de gedingstukken maakt de rechtbank op dat voormelde volmacht (mede) op initiatief van eiseres, de werkgever van [derde belanghebbende], is verleend aan Van Schriek. Met het instellen van bezwaar werd beoogd te bewerkstelligen dat de uitkeringen van [derde belanghebbende] ingevolge de AAW en de WAO (reeds) met ingang van naar 28 oktober 1996 herzien zouden worden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het belang van eiseres daarbij was met name gelegen in beperking van haar loonlasten aangezien zij [derde belanghebbende], sedert het intreden van zijn volledige arbeidsongeschiktheid op 28 oktober 1996, het loon volledig doorbetaalde.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet op voorhand gezegd kan worden dat het instellen van bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 1997 niet zou kunnen bijdragen aan het bereiken van het doel dat met het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 1997 werd nagestreefd, namelijk herziening van de uitkeringen van [derde belanghebbende] op grond van de AAW en de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 28 oktober 1996.

De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin zowel de werkgever als de werknemer financiƫle belangen hebben bij een besluit inzake de arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch waarin die belangen niet parallel behoeven te lopen, een volmacht die blijkens zijn bewoordingen is verleend voor een bepaald doel, beperkt dient te worden uitgelegd en dat niet kan worden aanvaard dat aan die bewoordingen een ruimere strekking wordt gegeven. Aangezien de door [derde belanghebbende] verleende volmacht naar zijn bewoordingen slechts ziet op het instellen van beroep tegen het besluit van 21 mei 1997, biedt die volmacht een ontoereikende basis om namens [derde belanghebbende] bezwaar te maken tegen de besluiten van 29 oktober 1997. Aan de omstandigheid dat met het indienen van het bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 1997 hetzelfde doel werd nagestreefd als met het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 1997, heeft de rechtbank dan ook geen doorslaggevende betekenis toegekend.

Uit het voorgaande volgt dat het op 2 december 1997 tegen de besluiten van 29 oktober 1997 ingestelde bezwaar moet worden geacht te zijn ingesteld door de beweerdelijk gemachtigde Van Baarlen zelf. De omstandigheid dat Van Baarlen in opdracht van Van Schriek heeft gehandeld is in dit verband niet van belang. Nu Van Baarlen geen rechtstreeks belang, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, heeft bij de besluiten van 29 oktober 1997 heeft verweerder het bezwaar tegen deze besluiten, gelet op artikel 8:1 in verbinding met artikel 7:1 van de Awb, ten onrechte ontvankelijk geacht.

Om die reden kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden en dient het te worden vernietigd.

Mede gelet op het namens verweerder bij verweerschrift gedane verzoek, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, Van Baarlen alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 1997.

Voorts overweegt de rechtbank als volgt. Sedert de inwerkingtreding van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsregelingen per 1 januari 1998 kan eiseres worden aangemerkt als belanghebbende bij het in geding zijnde besluit van 10 augustus 1998. Eiseres was dan ook gerechtigd beroep in te stellen tegen dat besluit.

Gelet op de omstandigheid dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, zal de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaren.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank ziet reden om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiseres van [derde belanghebbende]. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat van de zijde van verweerder ter zitting is aangegeven dat aan leden van bepaalde beroepsgroepen geen machtiging wordt gevraagd. Het daaraan verbonden risico dat het bezwaar ten onrechte ontvankelijk wordt geacht en het besluit op die grond vernietigd wordt, dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van verweerder te komen.

De door eiseres gemaakte proceskosten zijn begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.

De door [derde belanghebbende] gemaakte proceskosten zijn begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand.

Van andere kosten van partijen is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op artikel 8:74 van de Awb dient verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht te vergoeden.

4. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart Van Baarlen niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 1997;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van f 1.420,-;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van [derde belanghebbende] ten bedrage van f 710,-;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad f 420,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2000, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 28 februari 2000

Coll: