Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5257

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
90/2404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

Reg.nr.: Awb 99/2404 (vovv)

Awb 99/2444 (hoofdzaak)

UITSPRAAK

van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van evengenoemde wet in het geschil tussen:

W. Donker e.a. te Hellouw (gemeente Neerijnen), verzoekers,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Neerijnen, verweerder.

I. FEITEN EN PROCESVERLOOP

De Irenestraat-noord te Hellouw wordt onder meer gebruikt door landbouwverkeer. Ter bestrijding van de overlast die door omwonenden werd ondervonden heeft verweerder in 1993 in deze straat plantenbakken geplaatst; ook na (ver)plaatsing van de plantenbakken bleef de overlast voor omwonenden evenwel aanhouden. Vanaf 1996 heeft verweerder de straat gerecon-strueerd, doch dit leidde evenmin tot het verdwijnen van klachten.

Bij besluit van 4 mei 1999 heeft verweerder de Irenestraat- noord afgesloten voor landbouwverkeer. Op 29 juni 1999 heeft mr. A.C. Bragt, werkzaam bij Accon accountants en adviseurs te Velp, namens verzoeker en een aantal andere landbouwers bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tevens is de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is nadien ingetrokken nadat verweerder had verklaard niet tot uitvoering van het besluit van 4 mei 1999 over te gaan dan nadat op het bezwaar zou zijn beslist.

Bij besluit van 26 oktober 1999, verzonden op 10 november 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens verzoekers heeft mr. Bragt, voornoemd, op 21 december 1999 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eveneens op deze datum heeft mr. Bragt zich namens hen tot de president van de rechtbank gewend met een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 februari 2000, waar enkele verzoekers in persoon en bij monde van mr. Bragt, en verweerder bij monde van G. Dollekamp hun standpunten nader hebben toegelicht.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat laatstbedoelde situatie zich in de onderhavige zaak voordoet.

Ten aanzien van de hoofdzaak:

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het Besluit administra-tieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) moeten verkeers-besluiten met redenen zijn omkleed. Het tweede lid van dit artikel bepaalt -samengevat- dat verkeersbesluiten dienen aan te geven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet genoemde belangen ten grondslag liggen aan die besluiten, alsmede, indien tevens andere dan de in het eerste en tweede lid van genoemde artikel bedoelde belangen in het geding zijn, op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Voorts bepaalt artikel 24 van het BABW dat verkeersbesluiten worden genomen na overleg met de betrokken Korpschef van politie.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het belang van een rustig woongenot (en een veilig gebruik van de weg) voor de omwonenden afsluiting van de Irenestraat-noord voor het landbouwverkeer noodzakelijk is. Deze rijbaan is slechts drie meter breed. Minder vergaande maatregelen hebben in het verleden niet tot een oplossing voor de overlast geleid. De belangen van de landbouwbedrijven in de nabije omgeving worden volgens verweerder door dit besluit niet onevenredig geschaad, nu alternatieve routes beschikbaar zijn. Deze routes zullen volgens verweerder weinig extra tijd en kosten meebrengen.

Verzoekers zijn van mening dat hun belangen door de afsluiting van de Irenestraat-noord wel onevenredig worden geschaad. De beslissing tot afsluiting is volgens hen genomen zonder dat verweerder een deugdelijk onderzoek naar de aard en de mate van de overlast heeft verricht. Verzoekers zijn voorts van mening dat door de afsluiting een onomkeerbare situatie wordt gecreƫerd.

De president overweegt als volgt.

Bestuursorganen dienen ingevolge artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van besluiten de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Gerelateerd aan het onderhavige verkeersbesluit, waarbij een straat wordt afgesloten voor landbouwverkeer, brengt dit vereiste naar het oordeel van de president onder meer mee dat verweerder de belangen van degenen die door dit besluit worden getroffen duidelijk in kaart moet hebben gebracht voordat het betreffende besluit wordt genomen. In het bijzonder moet hierbij worden gedacht aan de mogelijkheden die het landbouwverkeer, dat van de betreffende straat gebruik maakt, heeft om alternatieve routes te gebruiken.

Verweerder heeft in dit verband ter zitting gesteld dat een deel van de beoogde alternatieve routes nog moet worden aangepast, voordat het landbouwverkeer daar op een voor alle weggebruikers veilige manier gebruik van kan maken. Deze aanpassingen worden blijkens de mededelingen van verweerder niet verricht voordat het bestreden verkeersbesluit wordt geƫffectueerd, doch tenminste enkele maanden later. Voorts kan uit de stukken noch uit hetgeen namens verweerder ter zitting is gesteld worden opgemaakt dat verweerder de exacte omrij-afstand voor landbouwers alsmede de daarmee verband houdende schade heeft onderzocht en een en ander vervolgens heeft afgewogen tegen de met het bestreden besluit te dienen doelen.

Verweerder heeft blijkens het verhandelde ter zitting met name als motief voor het bestreden besluit aangevoerd dat land-bouwers herhaaldelijk met te grote snelheid door de onder-havige straat rijden, hetgeen tot schade aan de woningen langs de straat zou hebben geleid. Verweerder heeft evenwel geen overzicht kunnen verstrekken waaruit blijkt in welke mate overschrijdingen van de maximumsnelheid ter plaatse plaatsvinden. Verweerder verwijst in dit verband slechts naar een videoband, waarop de betreffende overtredingen zouden zijn vastgelegd. Deze videoband is niet door verweerder aan het dossier toegevoegd; evenmin is een beschrijving gegeven van hetgeen daarop is te zien. Bovendien heeft verweerder desgevraagd erkend dat geen deskundigenrapport voorhanden is waaruit blijkt dat de schade aan de woningen is veroorzaakt door landbouwverkeer.

Verder overweegt de president dat verweerder geen stukken heeft overgelegd waaruit expliciet blijkt dat de politie is gehoord over het voorgenomen verkeersbesluit.

De president is onder deze omstandigheden van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Verweerder dient een nieuwe beslissing op het door verzoekers ingediende bezwaar te nemen. Met betrekking tot dit nieuwe besluit overweegt de president - geheel ten overvloede - als volgt. Aan verweerder kan in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om de onderhavige straat af te sluiten voor landbouwverkeer indien komt vast te staan dat dit verkeer een zodanig gebruik maakt van de straat dat de belangen van artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 ernstig in gevaar komen.

De president heeft er daarom enig begrip voor dat verweerder, gezien de lange voorgeschiedenis van de zaak en het blijkens de stukken herhaaldelijk niet nakomen van gemaakte afspraken door de landbouwers, is overgegaan tot sluiting van de straat voor het landbouwverkeer. De president kan dan ook geenszins uitsluiten dat een eventuele beslissing van verweerder waarbij - met inachtneming van hetgeen hierboven met betrekking tot de zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering is overwogen - opnieuw tot sluiting wordt overgegaan, de rechterlijke toets zal kunnen doorstaan.

De president acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid jo. artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers, die worden begroot op f 1420,- terzake van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is in dit geval niet gebleken.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

Gegeven de hierna weer te geven beslissingen in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

In verband daarmee acht de president termen aanwezig om het door verzoekers met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening gestorte griffierecht ten bedrage van f. 225,- aan hen te restitueren.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De president;

Ten aanzien van de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 oktober 1999;

- gelast verweerder binnen 10 weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van f 1420,- en wijst de gemeente Neerijnen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- veroordeelt de gemeente Neerijnen tot vergoeding van het door verzoekers betaalde griffierecht ter hoogte van f 225,-.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;

- bepaalt dat de griffier het door verzoekers betaalde griffierecht ad f. 225,- aan hen restitueert.

Aldus gewezen door mr. H.A.W. Snijders, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2000 in tegenwoordig-heid van voornoemde griffier.