Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5072

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 2000/38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis d.d. 15 februari 2000

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid International Paint (Nederland) B.V., gevestigd te R,

2. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk nternational Coating LTD,

gevestigd te L (E),

eisers bij dagvaarding van 19 januari 2000,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem,

advocaten : mr. drs. C.J.M. Stubenrouch en mr. drs. M.J.C. Deriks, beiden te Rotterdam,

Rolnummer KG 2000/38 tegen

het zelfstandige bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen,

gevestigd te W,

gedaagde,

procureur: mr. E.A. van der Dussen te Arnhem,

advocaat : mr. drs. J.H. Geerdink te 's-Gravenhage.

Het verloop van de procedure

Eisers, hierna afzonderlijk te noemen International Paint en International Coating danwel gezamenlijk te noemen International Paint c.s., hebben gedaagde, hierna te noemen het CTB, ter terechtzitting van 1 februari 2000 in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Het CTB heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.

Ten slotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

1. De vaststaande feiten

1.1 International Coating is de moedermaatschappij waaronder International Paint ressorteert. International Coating produceert een scala aan produkten, waaronder koperhoudende aangroeiwerende verven, in de branche beter bekend onder de naam "koperhoudende antifoulings".

Van de afzetmarkt voor deze produkten maakt ook Nederland deel uit via de levering door International Coating aan International Paint als distributeur.

1.2 In 1962 is de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de Bmw) van kracht geworden. Op grond van deze wet is bij Mandaatbesluit het CTB ingesteld. Het CTB heeft toelatingen verstrekt voor koperhoudende antifoulings. International Paint is een van de toelatinghouders.

1.3 Op communautair niveau is op 16 februari 1998 Richtlijn 98/8/EG (de biocidenrichtlijn) vastgesteld met betrekking tot het op de markt brengen van biociden, dat zijn niet-landbouwbestrijdingsmiddelen in de zin van de Bmw.

1.4 Bij besluiten van respectievelijk 19 februari 1999, 5, 12 en 19 maart 1999 heeft het CTB namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister van VWS) aan International Paint meegedeeld dat de toelatingsvoorschriften met betrekking tot een aantal reeds toegelaten koperhoudende antifoulings bevattende bestrijdingsmiddelen zijn gewijzigd, in die zin dat per 1 september 1999 het toegestane gebruik van koperhoudende antifoulings is beperkt tot toepassing op zeegaande schepen die worden gebruikt voor beroep of bedrijf alsmede oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die in gebruik zijn voor de militaire taak. Het is per die datum niet langer toegestaan koperhoudende antifoulings voor de recreatievaart te gebruiken. Dit betekent dat International Coating ten behoeve van de recreatievaart in Nederland geen antifouling-verven meer kan verkopen.

1.5 Tegen deze besluiten heeft International Paint bezwaar bij de Minister van VWS aangetekend.

1.6 International Paint heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening bij de president van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) ingediend, strekkende tot schorsing van de onder 1.4 genoemde besluiten. Dit verzoek is gevoegd behandeld met verzoeken van soortgelijke strekking van andere ondernemingen. Bij uitspraak van de president van het CBB van 9 juni 1999 is het verzoek om voorlopige voorziening van onder meer International Paint afgewezen.

1.7 Bij besluit op bezwaar van 31 augustus 1999 zijn de bezwaren van onder meer International Paint ongegrond verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar heeft International Paint beroep bij het CBB ingesteld. Op dat beroep is nog niet beslist. Het tegen het besluit op bezwaar gerichte verzoek om voorlopige voorziening dat door International Paint en een aantal andere ondernemingen is ingediend, is bij uitspraak van 5 november 1999 door de president van het CBB eveneens afgewezen.

1.8 Met ingang van 1 januari 2000 is het CTB ingevolge de Wet van 12 november 1998 tot wijziging van de Bmw 1962 verzelfstandigd.

2. Het geschil

2.1 International Paint c.s. vorderen de besluiten van 19 februari 1999, 5, 12 en 19 maart 1999 en de beslissing op bezwaarschrift van 31 augustus 1999 buiten werking te stellen danwel een afdoende voorlopige voorziening te treffen die het nadeel van International Paint c.s. opheft, met veroordeling van het CTB in de kosten van dit geding.

2.2 Hoewel de president van het CBB tot tweemaal toe een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen heeft afgewezen, stellen International Paint c.s. dat zij ontvankelijk zijn in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter nu zij hun vorderingen hebben gebaseerd op onrechtmatig overheidshandelen. Bovendien staat voor International Coating de bestuursrechtelijke rechtsgang niet open en kan zij zich uitsluitend wenden tot de burgerlijke rechter, aldus International Paint c.s..

Voorts stellen zij dat de onder 1.4 genoemde besluiten en het op besluit op bezwaar van 31 augustus 1999 in strijd zijn met zowel communautair als nationaal recht, meer in het bijzonder met de artikelen 10 jo. 249 alsmede 28 en 30 van het EG-verdrag en met het in oktober 1997 vastgestelde ministeriële beleid terzake koperhoudende antifoulings.

Het CTB is ook onbevoegd om de onderhavige besluiten te nemen, aldus International Paint c.s..

Daarnaast menen International Paint c.s. dat de besluiten disproportioneel zijn en dat het weigeren van een adequate financiële compensatie als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Tot slot wordt gesteld dat het CTB een discriminatoir regime toepast ten aanzien van de toelaatbaarheid van koperhoudende houtverduurzamingsprodukten enerzijds en koperhoudende antifoulings anderzijds.

2.3 Het CTB heeft het gevorderde gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het CTB heeft als eerste verweer opgeworpen dat International Paint c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen omdat voor International Paint c.s. een met voldoende waarborgen omklede administratief-rechtelijke rechtsgang openstaat waarvan bovendien gebruik is gemaakt. Dienaangaande wordt het navolgende overwogen.

3.2 Vooropgesteld wordt dat wanneer een bestuursrechter bevoegd is om van een geschil kennis te nemen, zulks in het algemeen niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, met name niet aan zijn bevoegdheid met betrekking tot vorderingen uit onrechtmatige daad. International Paint c.s. hebben blijkens de stukken hun vorderingen gebaseerd op onrechtmatig overheidshandelen, zodat de president zich bevoegd acht van hun vorderingen kennis te nemen.

3.3 Vervolgens is de vraag aan de orde of International Paint c.s. in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden ontvangen. Uitgangspunt daarbij is dat International Paint c.s. door de burgerlijke (kort geding)rechter niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wanneer de bestuursrechter voldoende rechtsbescherming biedt. De burgerlijke rechter kan dan nog slechts aanvullende rechtsbescherming bieden. Hieronder zal afzonderlijk de ontvankelijkheid van International Paint en van International Coating worden besproken.

3.4 Met betrekking tot International Paint wordt overwogen dat in het onderhavige kort geding International Paint uitsluitend met bestuursrechtelijke argumenten opkomt tegen bestuursrechtelijke besluiten van een bestuursorgaan. Op een aantal momenten staat voor haar de mogelijkheid open om tegen dat handelen administratief bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter aan te tekenen. Van die mogelijkheid heeft zij inmiddels gebruik gemaakt. Op het beroep dient nog beslist te worden. International Paint heeft ook gebruik gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek om voorlopige voorziening bij de president van het CBB in te stellen. Deze verzoeken zijn, zoals reeds eerder vermeld, afgewezen.

3.5 Met het CTB is de president van oordeel dat de burgerlijke rechter in beginsel gebonden is aan het oordeel dat de bestuursrechter heeft gegeven over de vraag of de administratieve beschikkingen in strijd zijn met het recht (zie arrest van de Hoge Raad van 31 mei 1991, AB 1992/290).

Dit geldt ook ten aanzien van uitspraken van de bestuursrechter op verzoeken om voorlopige voorziening zolang nog niet definitief op het beroep is beslist.

De achterliggende gedachte daarvoor is dat partijen niet opnieuw moeten strijden over een geschil waarover reeds is beslist in een met voldoende waarborgen omklede rechtgang, dat de burgerlijke rechter niet tot een ander oordeel komt waarover ook de administratieve rechter heeft geoordeeld en dat de burgerlijke rechter zich niet moet begeven in vragen die typisch tot het werkterrein van de adminstratieve rechter behoren. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan niet van die bindende kracht kan worden uitgegaan, bijvoorbeeld bij een zuiver schadebesluit. Van zulke bijzondere omstandigheden is niet gebleken noch gesteld.

3.6 Ook overigens is niet gebleken dat International Paint met argumenten is opgekomen tegen de litigieuze besluiten die niet ter beoordeling hebben gestaan aan de bestuursrechter. ter. Alle thans aangevoerde argumenten zijn ook bij de bestuursrechter aangevoerd en meegewogen in voornoemde uitspraken op verzoeken om voorlopige voorziening.

3.7 Aldus moet voorshands worden geoordeeld dat voor International Paint terzake van de onderhavige besluiten een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en dat zij ook daadwerkelijk die rechtsgang volledig heeft benut. Mitsdien dient International Paint in haar vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.8 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van International Coating wordt het navolgende overwogen.

Vaststaat dat voor International Coating de bestuurs-rechtelijke rechtsgang niet openstaat omdat zij met betrekking tot de koperhoudende antifoulings geen toelatinghoudster is in de zin van de Bmw 1962. Dit betekent nog niet dat zij in haar vorderingen ontvankelijk verklaard moet worden.

International Coating is als moedermaatschappij economisch nauw verbonden met International Paint en haar (financiële) belangen zijn om die reden te vereenzelvigen met die van International Paint. Het verbod op het gebruik van antifouling-verven ten behoeve van de recreatievaart in Nederland treft ook International Coating: door dit verbod kan zij deze produkten niet meer aan International Paint leveren. Die vereenzelviging van belangen blijkt onder meer uit de omstandigheid dat International Painting en International Coating gezamenlijk dit kort geding hebben geëntameerd en gelijkluidende vorderingen hebben ingesteld. Voorts is niet weersproken dat International Coating International Paint in de bestuursrechtelijke procedures heeft ondersteund.

Nu de bestuursrechter zich reeds heeft uitgesproken omtrent de vorderingen die thans door zowel International Paint als International Coating aan de burgerlijke (kort geding)rechter zijn voorgelegd, zal ook International Coating in haar vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.9 International Paint c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

4. De beslissing

De president,

4.1 verklaart International Paint c.s. niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

4.2 veroordeelt International Paint c.s. in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van het CTB begroot op f. 1.550,-- voor salaris procureur en op f. 400,-- wegens griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. J.A.Z. Hooft Graafland en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I.A. Hensen.