Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5013

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1999/1713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

1. de maatschap S,

gevestigd te H,

2. S,

2. E,

beiden wonende te H,

maten van eiseres onder 1.,

eisers bij exploit van dagvaarding

van 28 augustus 1997,

procureur mr. J.P.A. Greuters

te Arnhem,

advocaat mr. M.B. van der Hoek

te Breda,

Rolnummer: 1997/1713 tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende

vereniging T,

gevestigd te H,

gedaagde,

procureur mr. C.W. Hofstee

te Tiel.

Procesverloop

1. Voor het verloop van de procedure tot dusver verwijst de rechtbank naar het in deze op 3 september 1998 uitgesproken tussenvonnis.

Bij dat vonnis werd de zaak naar de rolzitting verwezen voor het door gedaagde in het geding brengen van stukken en voor uitlating door beide partijen, een en ander als in dat vonnis omschreven.

Nadat partijen zich ieder bij acte hadden uitgelaten hebben zij de stukken van het geding, waaronder over en weer een aantal producties, aan de rechtbank overgelegd en vonnis gevraagd.

In het procesdossier van eisers ontbreekt (nog steeds) de conclusie van repliek met producties; de rechtbank heeft daarom mede het - wèl complete - griffiedossier geraadpleegd.

De inhoud van de gedingstukken geldt als hier weergegeven.

De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet, niet behoorlijk gemotiveerd en/of niet langer weersproken en voorts blijkens de in zoverre niet bestreden inhoud van de in het geding gebrachte producties, met inbegrip van de daarbij als bijlagen gevoegde foto's alles in onderling verband beschouwd, is het volgende tussen partijen komen vast te staan.

2.2 Sedert ongeveer het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw exploiteren eisers hun bedrijf, omvattende bloemen- en plantenteelt in met glas gedekte tuinbouwkassen met een grondoppervlakte van 8.800 m2. Dit bedrijf is gelegen aan straat X in het landelijk gebied van de gemeente H.

Aan de overzijde van deze weg, ten oosten van het bedrijf van eisers, ligt sedert omstreeks 1990 een door gedaagde van de gemeente H gehuurd en bij haar in gebruik en onderhoud zijnd tenniscomplex, dat onder meer omvat een aantal met gravel bedekte tennisbanen.

De kortste afstand tussen de kassen van het bedrijf van eisers en de tennisbanen bedraagt tussen de 10 en 15 meter.

In de winter van 1993/1994, op of omstreeks 13 en 14 februari 1994 en voorts in de winter van 1995/1996, op 25 januari 1996 en de daarop volgende dagen is bij oostenwind en droog vriezend weer gravel(stof), afkomstig van genoemde tennisbanen, op de daken van de kassen gewaaid en is daarover verspreid geraakt.

De aanwezigheid van dat gravelstof op de daken van de kassen heeft gedurende de tijd dat dat stof daar is blijven liggen in 1994 een vermindering van de lichtinval in de kassen tot gevolg gehad van gemiddeld 34% en in 1996 van gemiddeld 13%.

In 1994 is het gravelstof in de loop van maart verwijderd; in 1996 ongeveer eind februari.

Zowel in de winter van 1993/1994 als in de winter van 1995/1996, ten tijde dat het gravelstof op de daken van de kassen waaide als hiervoor omschreven werden door eisers in die kassen siergewassen, te weten gerbera's geteeld.

2.3 Bij brieven van 1 maart 1994 respectievelijk 29 januari 1996 is gedaagde aansprakelijk gesteld voor de hierna nog te bespreken schade, die eisers stellen te hebben geleden.

2.4 Van algemene bekendheid ten slotte is

a) dat gravel in droge toestand stuifgevoelig is;

b) dat bij het telen van planten in de glastuinbouw een bepaald percentage aan lichtverlies leidt tot productieverlies in dezelfde mate.

Het geschil

3.1 Na vermeerdering van de eis, waartegen gedaagde zich niet heeft verzet, hebben eisers gevorderd dat gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van f. 10.442,23 en f. 12.910,74, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 1994 respectievelijk 29 januari 1996, alsmede van 15% over de totale hoofdsom wegens buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Zij leggen aan deze vordering, behalve de hierboven weergegeven vaststaande feiten, ten grondslag de stellingen - zoals de rechtbank deze begrijpt - dat gedaagde, door geen maatregelen te nemen waarmee kon worden voorkomen dat het gravelstof vanaf haar tennisbanen op de daken van de kassen van eiser waaide, zich tegenover hen aan onrechtmatig handelen althans nalaten heeft schuldig gemaakt, dat zij als gevolg daarvan hinder hebben ondervonden en in 1994 respectievelijk 1996 schade tot de gevorderde bedragen hebben geleden aan hun eigendommen, bestaande uit de kosten van het verwijderen van het gravelstof alsmede uit minderopbrengst van de in de kassen geteelde gewassen als gevolg van de gereduceerde lichtinval daarin.

3.2 Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

Beoordeling van het geschil

4.1 Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil de vraag of op gedaagde krachtens een geschreven dan wel krachtens een ongeschreven norm (de zorgvuldigheidsnorm) de verplichting rustte, te voorkomen dat van haar tennisbanen afkomstig gravelstof op de daken van de kassen van eisers waaide, welke vraag eisers bevestigend maar gedaagde ontkennend beantwoorden.

4.2 Vooropgesteld moet worden dat de aanwezigheid van het gravelstof in kwestie op de daken van de kassen van het bedrijf van eisers als hinder in de zin van artikel 5:37 BW - welke bepaling hier van overeenkomstige toepassing is - moet worden beschouwd ; het artikel noemt als één van de gevallen waarin hinder aan de eigenaar van een ander erf kan worden toegebracht het onthouden van licht.

Uitgangspunt is verder, dat het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhankelijk is van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden; verder is mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In het laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden. (Vergelijk HR 18 september 1998, RvdW no.157).

4.3 Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank ter beantwoording van de hierboven geformuleerde vraag het volgende in aanmerking.

Wat de aard van de hinder betreft merkt de rechtbank op, dat zoals vast staat, de aanwezigheid van het gravelstof op de daken van de kassen heeft geleid tot reductie van de lichtinval in die kassen en wat de ernst ervan betreft kan worden geconstateerd dat deze aanmerkelijk was: in 1994 was er sprake van lichtverlies van gemiddeld 34% en in 1996 was deze gemiddeld 13%. Deze mate van lichtverlies heeft geleid tot een even groot productieverlies en daardoor tot minderopbrengst van gelijke omvang van de in de kassen gedurende de periode van het lichtverlies geteelde siergewassen en dus tot inkomensderving voor eisers die, naar mag worden aangenomen, voor dat inkomen waren aangewezen op de opbrengst van die gewassen.

Verder ligt het voor de hand dat, zoals eisers stellen, zij zowel in 1994 als in 1996 kosten hebben moeten maken om het op de daken van de kassen aanwezige gravelstof te (doen) verwijderen.

Voor het overige acht de rechtbank ook nog van belang dat het tenniscomplex van gedaagde is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente H, op zeer korte afstand van het bedrijf van eisers, en dat dat bedrijf reeds lang voordat gedaagde de beschikking kreeg over het tenniscomplex en dit in gebruik nam, ter plaatse was gevestigd.

Ten slotte speelt een rol de omstandigheid dat het gedaagde bekend was of had behoren te zijn dat gravel(stof) in droge toestand stuifgevoelig is.

4.4 Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moet de eerder omschreven vraag bevestigend worden beantwoord, hetgeen meebrengt dat het door gedaagde nalaten van maatregelen die konden voorkomen dat het van haar tenniscomplex afkomstig gravelstof op de daken van de kassen van het bedrijf van eisers kon waaien, tot het nemen van welke maatregelen gedaagde rechtens verplicht was, als onzorgvuldig en dus onrechtmatig tegenover eisers moet worden beschouwd en dat de als gevolg daarvan aan eisers opgekomen schade aan gedaagde moet worden toegerekend.

4.5 Anders dan gedaagde naar voren heeft gebracht is het waaien van het gravelstof op de kassen niet te beschouwen als een weer/natuurverschijnsel, te vergelijken met bijvoorbeeld het opwaaien en vervolgens neerstrijken in ons land van zand uit de Sahara of met het van een geploegde akker in de omgeving afkomstige fijne stof: gedaagde had het als gebruiker/beheerder van het tenniscomplex in haar macht te voorkomen dat het gravelstof zou opwaaien en zich over naburige erven zou verspreiden.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat niet dan wel onvoldoende onderbouwd is gesteld of gebleken dat het nemen van maatregelen ter voorkoming daarvan gedaagde voor onoverkomelijke kosten zou hebben gesteld die redelijkerwijs niet van haar gevergd konden worden.

4.6 Op grond van het voorgaande - waarbij de rechtbank voorbij gaat aan de discussie over de vraag of het gravelstof nu afkomstig was van de banen dan wel van de (overigens deels wèl afgedekte) opslagplaats van het gravel nu als vaststaand moet worden aangenomen dat dit stof in ieder geval afkomstig was van het tenniscomplex - moet de conclusie luiden dat gedaagde verplicht is, de aan eisers in deze opgekomen schade te vergoeden.

5.1 Wat betreft de omvang van de schade valt het op dat eisers daarvan nauwelijks een (begrijpelijke) onderbouwing hebben gegeven en dat met name daartoe niet kan dienen de in één der rapporten van Ing. W. Haarman opgestelde berekening, nu de door eisers gestelde schade daaruit zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden afgeleid.

Ook de overige in het geding gebrachte rapporten/verslagen werpen nauwelijks licht op de zaak wat dit betreft, met uitzondering van het door gedaagde bij dupliek in het geding gebracht rapport, opgemaakt door Ammerlaan Adviesdiensten B.V. te Oud-Beijerland, waarin een analyse is gemaakt van de mogelijke schade.

Nu partijen de inhoud van dat rapport niet op wezenlijke punten hebben bestreden en andere aanknopingspunten voor een enigszins verantwoorde benadering van de omvang van de schade ontbreken zal de rechtbank, mede ter vermijding van een wellicht moeizame en langdurige discussie ex aequo et bono de schade begroten op de blijkens dat rapport berekende (afgeronde) bedragen, te weten f. 6.300,-- wegens in 1994 geleden schade en f. 3.700,-- wegens in 1996 geleden schade.

5.2 Dit betekent dat de vordering voor toewijzing vatbaar is tot een bedrag ad f. 10.000,-- in hoofdsom, te vermeerderen met de niet bestreden posten van f. 657,-- en f.976,-- wegens expertisekosten.

De posten ad f. 700,-- en f. 875,-- wegens kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, gemaakt door de rechtsbijstandverzekering van eisers behoren te worden afgewezen nu het hier niet betreft kosten, door eisers gemaakt en van een cessie niet is gebleken.

De vordering wegens buitengerechtelijke incassokosten moet eveneens worden afgewezen nu niet is gesteld dat deze zijn gemaakt.

6. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank, recht doende:

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de somma van f. 11.633,-- (elfduizend zeshonderdrieendertig gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van f. 6.300,-- vanaf 1 maart 1994 alsmede met de wettelijke rente over een bedrag van f. 3.700,-- vanaf 29 januari 1996, een en ander tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding en begroot deze, voor zover tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van eisers gevallen, op f. 543,62 wegens verschotten en op f. 1.825,-- wegens salaris van de procureur,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde,

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Verkuijl en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2000.