Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5011

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/078014-98 en 05/070001-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

V E R K O R T V O N N I S

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

[verdachte],

Raadsman: mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

Parketnummers : 05/078014-98

05/070001-99

Zittingsdata : 12 januari 1999

2 februari 1999

27 april 1999

28 juni 1999

21 september 1999

30 november 1999

11 februari 2000 (tegenspraak)

Uitspraak : 25 februari 2000

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van de dagvaardingen is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

De tenlastelegging met parketnummer 05/078014-98 is op 12 januari 1999 ter terechtzitting gewijzigd conform de door de officier van justitie ingediende vordering wijziging tenlastelegging. Van deze vordering is hierna een kopie opgenomen als bijlage Ia en de inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 januari 1999, 2 februari 1999, 27 april 1999, 28 juni 1999, 21 september 1999, 30 november 1999 en 11 februari 2000 ter terechtzitting onderzocht.

Behoudens op 12 januari 1999 en 2 februari 1999 is de verdachte op de terechtzitting verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde] die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van ƒ157.976,65 aan schadevergoeding. Benadeelde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.T.B.J. Besjes, advocate te Nijmegen. Mr. Besjes is verschenen op de zittingen van 27 april 1999, 28 juni 1999 en 21 september 1999.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake van de als feit 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar. Terzake van feit 1 primair eist hij vrijspraak.

Voorts vordert de officier van justitie dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen worden onttrokken aan het verkeer of verbeurd verklaard, m.u.v. de identiteitsbewijzen en foto’s, die geretourneerd kunnen worden aan de rechtmatige eigenaren.

De officier van justitie heeft geëist dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van ƒ10.000,- zal worden toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis, en dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard omdat de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft - kort gezegd - aangevoerd dat de dagvaarding (parketnummer 05/0700001-99) die hij heeft ontvangen op 23 januari 1999, nietig moet worden verklaard, omdat de wettelijke termijnen niet in acht zijn genomen.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Dit verweer moet reeds worden verworpen op grond van het feit dat aan het niet in acht nemen van de termijn geen nietigheid van de dagvaarding (meer) is verbonden (art. 265 lid 3 Sv).

De dagvaarding is dan ook geldig.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, voor zover niet doorgestreept in bijlage II.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

MEDEPLICHTIGHEID AAN MENSENHANDEL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 in verbinding met artikel 250ter lid 2 aanhef en onder 1 en artikel 48 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

IN HET BEZIT ZIJN VAN VALSE REISDOCUMENTEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 4:

EEN FEIT, BEDOELD IN HET DERDE OF VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOORBEREIDEN OF BEVORDEREN, DOOR MIDDELEN TOT HET PLEGEN VAN HET FEIT TE VERSCHAFFEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 10a aanhef en sub 1 Opiumwet.

Ten aanzien van feit 5:

EEN ANDER UIT WINSTBEJAG BEHULPZAAM ZIJN BIJ HET ZICH VERSCHAFFEN VAN TOEGANG TOT OF VERBLIJVEN IN NEDERLAND OF ENIGE ANDERE STAAT WELKE GEHOUDEN IS TEN BEHOEVE VAN NEDERELAND GRENSCONTROLE UIT TE OEFENEN EN HEM DAARTOE UIT WINSTBEJAG GELEGENHEID, MIDDELEN OF INLICHTINGEN VERSCHAFFEN TERWIJL ZIJ WEET DAT DE TOEGANG WEDERRECHTELIJK IS, TERWIJL HET FEIT IN VERENIGING WORDT BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 197a lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 6:

HET DEELNEMEN AAN EEN ORGANISATIE DIE HET OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 7:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE,

strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a. de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en met de omstandigheden waaronder dit is gepleegd;

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de dader, waarbij gelet is op een uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 16 december 1998;

De rechtbank overweegt verder nog als volgt:

Verdachte heeft blijkens haar eigen verklaring en die van anderen een aantal jaren in een Dominicaanse/Venezolaanse criminele organisatie gezeten die zich bezig hield met het in de Dominicaanse republiek onder valse voorwendselen ronselen van jonge vrouwen voor de prostitutie in Nederland. Vervolgens werden de vrouwen in de Dominicaanse republiek voorzien van valse reisdocumenten waarna de overkomst van de vrouwen naar Nederland werd gefinancierd en georganiseerd. In Nederland waakte verdachte er onder meer voor dat de door haar gemaakte kosten (met een flinke winst) door de vrouwen aan haar werden terugbetaald.

Door dit optreden heeft verdachte de noodzakelijke voorwaarde geschapen voor het ontstaan en bevorderen van mensenhandel, in dit geval de exploitatie van vrouwen in gedwongen prostitutie. Verdachte was immers actief betrokken bij de import van illegale vrouwen, die veelal uit armoede op het aanbod van verdachte en haar organisatie ingingen en vervolgens in Nederland tot prostitutie werden gebracht. Uit het dossier komt naar voren dat het om een flink aantal vrouwen (enkele tientallen) is gegaan. Vanuit haar eigen verleden als prostituee moet verdachte hebben beseft welk beklagenswaardig lot de vrouwen uit de Dominicaanse Republiek in Nederland te wachten stond. Dat heeft haar echter niet weerhouden van voornoemde activiteiten. Integendeel, uit het dossier komt het beeld naar voren van een uiterst doelmatig functionerende, louter uit winstbejag handelende criminele organisatie.

De rechtbank merkt verder het volgende op. Verdachte heeft bij haar criminele activiteiten geprobeerd zo weinig mogelijk risico te lopen, door zelf slechts handelingen te verrichten die op het eerste gezicht geen "zware criminaliteit" lijken in te houden. Vanuit haar eigen standpunt lijkt het zelfs of zij alleen heeft meegeholpen aan het verschaffen van paspoorten tegen een redelijke vergoeding. Dat deze paspoorten telkens vervalst waren blijkt uit verklaringen van de slachtoffers en de bij de huiszoeking aangetroffen vervalste documenten. Of verdachte uitsluitend de vrouwenhandel faciliterende delicten heeft begaan moet worden betwijfeld gelet op het feit dat bij de huiszoeking een vuurwapen is aangetroffen. Verder is verdachte er kennelijk niet voor teruggedeinsd om uit winstbejag ook op ander terrein criminele activiteiten te ontplooien gelet op de door haar verrichte voorbereidingshandelingen bij het financieren van een (mislukt) transport van harddrugs.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang noopt naar het oordeel van de rechtbank tot het opleggen van een gevangenisstraf die niet anders dan van lange duur kan zijn.

De rechtbank zal de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, genummerd als op bijlage III, onttrekken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang:

nrs. 4, 8, 10

nrs. 17-19

nrs. 25, 28-29

nrs. 31, 33, 35

nrs. 42, 44, 47-48

nrs. 51, 59

nrs. 60, 63, 64, 66-69

Daarnaast zal de rechtbank de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, genummerd als op bijlage III, verbeurdverklaren nu het goederen zijn die geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, te weten:

nrs. 1, 9

nrs. 11-12

nr. 27

nr. 53

Voorts zal de rechtbank bevelen de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, genummerd als op bijlage III, terug te geven aan de rechthebbende, te weten:

nrs. 3, 5-7

nrs. 13-16

nrs. 21-23, 24, 26

nrs. 30, 32, 34, 36, 37, 39

nrs. 40, 43, 45-46

nrs. 50, 54-58

nrs. 61-62, 65

Tenslotte zal de rechtbank bevelen de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen terug te geven aan verdachte nu deze geen verband houden met de gepleegde feiten:

nr. 2

nr. 38

nrs. 41, 49

nr. 52

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Namens de verdachte is terzake van de civiele vordering de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

De rechtbank acht de vordering niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in het onderhavige strafgeding niet-ontvankelijk is. Mogelijk kan de benadeelde partij haar schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, recht doende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN 5 (VIJF) JAAR, Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, genummerd op bijlage III als:

nrs. 4, 8, 10

nrs. 17-19

nrs. 25, 28-29

nrs. 31, 33, 35

nrs. 42, 44, 47-48

nrs. 51, 59

- nrs. 60, 63, 64, 66-69

Verklaart verbeurd de voorwerpen genummerd op bijlage III als:

nrs. 1, 9

nrs. 11-12

nr. 27

nr. 53

Beveelt de teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen genummerd op bijlage III als:

nrs. 3, 5-7

nrs. 13-16

nrs. 21-23, 24, 26

nrs. 30, 32, 34, 36, 37, 39

nrs. 40, 43, 45-46

nrs. 50, 54-58

nrs. 61-62, 65

Beveelt de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen genummerd op bijlage III als:

- nr. 2

nr. 38

nrs. 41, 49

- nr. 52

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Aldus gewezen door:

mrs. J.W.P. Verheugt, als voorzitter, D.J. Post en M. Barels, rechters, in aanwezigheid van mr. E.H. Köhne, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2000.