Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5010

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/072588-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

V E R K O R T V O N N I S

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

J.M. B.,

Raadsman: mr. A.S. van der Biezen, advocaat te Utrecht.

Parketnummer : 05/072588-98

Zittingsdata : 2 februari 1999

27 april 1999

28 juni 1999

21 september 1999

30 november 1999

11 februari 2000 (tegenspraak)

Uitspraak : 25 februari 2000

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van de dagvaardingen is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 2 februari 1999, 27 april 1999, 28 juni 1999, 21 september 1999, 30 november 1999 en 11 februari 2000 ter terechtzitting onderzocht.

De verdachte is telkenmale ter terechtzitting verschenen. Verdachte is op de zittingen van 2 februari, 27 april en 28 juni 1999 bijgestaan door mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen. Voor het overige is hij bijgestaan door mr. A.S. van der Biezen, advocaat te Utrecht.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd V. K., die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van ƒ747.975,- aan schadevergoeding. Benadeelde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.T.B.J. Besjes, advocate te Nijmegen. Mr. Besjes is verschenen op de zittingen van 27 april 1999, 28 juni 1999 en 21 september 1999.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd R.E. G., die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van ƒ157.976,65 aan schadevergoeding. Benadeelde partij heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door mr. C.T.B.J. Besjes, advocate te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake van alle tenlastegelegde feiten (en de ad informandum gevoegde zaak) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar.

Voorts vordert de officier van justitie dat het onder verdachte inbeslaggenomen traangasbusje en het huwelijksdocument worden onttrokken aan het verkeer en dat alle overige goederen op de beslaglijst worden geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar.

De officier van justitie heeft geëist dat de vordering van benadeelde partij K. zal worden toegewezen tot een bedrag van ƒ20.000,- en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis, en dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard omdat de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De officier van justitie heeft geëist dat de vordering van benadeelde partij R.E. G. tot een bedrag van ƒ10.000,- zal worden toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis, en dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard omdat de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, voor zover niet doorgestreept in bijlage II.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

MENSENHANDEL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 in verbinding met artikel 250ter lid 2 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

MEDEPLEGEN VAN VERKRACHTING,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 in verbinding met artikel 47 lid 1 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

MENSENHANDEL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 in verbinding met artikel 250ter lid 2 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 4:

MENSENHANDEL,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5:

MENSENHANDEL,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 6:

EEN ANDER UIT WINSTBEJAG BEHULPZAAM ZIJN BIJ HET ZICH VERSCHAFFEN VAN TOEGANG TOT OF VERBLIJVEN IN NEDERLAND OF ENIGE ANDERE STAAT WELKE GEHOUDEN IS TEN BEHOEVE VAN NEDERELAND GRENSCONTROLE UIT TE OEFENEN EN HEM DAARTOE UIT WINSTBEJAG GELEGENHEID, MIDDELEN OF INLICHTINGEN VERSCHAFFEN TERWIJL HIJ WEET DAT DE TOEGANG WEDERRECHTELIJK IS, TERWIJL HET FEIT IN VERENIGING WORDT BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 197a lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 7:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE,

strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a. de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en met de omstandigheden waaronder dit is gepleegd;

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de dader, waarbij gelet is op:

een uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 januari 1999;

een voorlichtingsrapport van de reclassering betreffende verdachte opgemaakt op 6 januari 1999 door R.E. Kuijvenhoven, reclasseringswerker.

Naast de bewezenverklaarde feiten heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan het op meerdere tijdstippen te N. afleveren dan wel voorhanden hebben van valse vaarbewijzen (parketnummer 072588-98). Dit feit - ad informandum op de dagvaarding vermeld - is door verdachte erkend en wordt bevestigd door de inhoud van het proces-verbaal. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat verdachte ter zake van dit feit niet afzonderlijk zal worden vervolgd. Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank met dit feit rekening houden.

De rechtbank overweegt verder nog als volgt:

Verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden verweten. Verdachte heeft de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen, enkelen daarvan onder valse voorwendsels, illegaal naar Nederland laten komen en tegen grof geld en onder bedreiging met onder meer vuurwapens welbewust geëxploiteerd in de prostitutie. De rechtbank noemt nog een aantal afzonderlijke voorvallen. Eén van die vrouwen (G.) heeft hij onder meer een abortus laten ondergaan en op een gegeven moment een pistool op het hoofd gezet om haar aldus haar werkzaamheden te laten voortzetten. Voorts heeft verdachte haar samen met zijn medeverdachte A. verkracht. Een andere vrouw met een meer dan afschuwelijk verleden van seksueel misbruik (K.) heeft hij van een andere man eenvoudigweg gekocht voor ¦ 50.000,-, bewaakt of laten bewaken, geslagen en met de dood bedreigd. Bedreigingen heeft hij overigens tegen alle vrouwen geuit, waarbij hij deze soms kracht bijzette door het tonen van een vuurwapen. Bij de huiszoeking is een vuurwapen aangetroffen.

Het voorgaande geeft het beeld van een niets en niemand ontziende verdachte die uit puur winstbejag een aantal vrouwen vanuit het buitenland in de prostitutie heeft gebracht en ze daar vervolgens op grove wijze heeft geterroriseerd, waarbij hij bedreigingen en geweld (waaronder seksueel geweld) niet schuwde. Dit rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

T.a.v. beslag

Het huwelijksdocument van Th. de C. (voorwerp nr. 1 op de als bijlage III vermelde lijst), het busje traangas (nr. 2) het valse vaarbewijs (nr. 3), en de vervalste kwitantie m.b.t. de abortus van R. G. aangetroffen in een agenda (nr. 11), zijnde alle onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggeven goederen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, zoals die zijn weergegeven op de als bijlage III vermelde lijst, aan de rechthebbende dienen te worden teruggegeven.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Namens de verdachte is terzake van alle civiele vorderingen de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partijen gestelde hoogte van de schade betwist.

Ten aanzien van de vordering van V. K.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat V. K. door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat een bedrag van ƒ20.000,- aan schadevergoeding in elk geval op zijn plaats is zodat zij dit bedrag bij wijze van voorschot zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade en van andere schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Voor de toewijsbare delen van de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij, omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Ten aanzien van de vordering van R.E. G.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat R.E. G. door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat een bedrag van ƒ10.000,- aan schadevergoeding in elk geval op zijn plaats is zodat zij dit bedrag bij wijze van voorschot zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade en van andere schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Voor de toewijsbare delen van de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij, omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, recht doende:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN 6 (ZES) JAAR,

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven huwelijksdocument van Th. de C., het busje traangas, het valse vaarbewijs en de vervalste kwitantie m.b.t. de abortus van R. G., zijnde de nummers 1, 2, 4 en onder 11 genoemde voorwerpen op de als bijlage III vermelde lijst.

Beveelt de teruggave aan de rechthebbende van alle overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals weergegeven op de als bijlage III vermelde lijst.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij V. K.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan V. K. te betalen ƒ20.000,- (zegge twintigduizend gulden).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad ƒ20.000,- subsidiair 120 dagen hechtenis

Legt op aan veroordeelde de verplichting de Staat ten behoeve van het slachtoffer V. K. te betalen ƒ20.000,- (zegge twintigduizend gulden), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer ƒ20.000-, de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij R.E. G.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan R.E. G. te betalen ƒ10.000,- (zegge tienduizend gulden).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad ƒ10.000-, subsidiair 100 dagen hechtenis

Legt op aan veroordeelde de verplichting de Staat ten behoeve van het slachtoffer R.E. G. te betalen ƒ10.000,- (zegge tienduizend gulden), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer ƒ10.000,- de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mrs. J.W.P. Verheugt, als voorzitter, D.J. Post en M. Barels, rechters, in aanwezigheid van mr. E.H. Köhne, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2000.