Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2000:AA5009

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
05/072587-98 en 05/07000-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

V E R K O R T V O N N I S

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

A. A.,

Raadsman: mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen.

Parketnummers : 05/072587-98

05/07000-99

Zittingsdata : 12 januari 1999 (niet verschenen)

2 februari 1999 (aanwezig)

27 april 1999 (aanwezig)

28 juni 1999 (aanwezig)

21 september 1999 (niet verschenen)

11 februari 2000 (niet verschenen)

Uitspraak : 25 februari 2000

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van de dagvaardingen is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

De tenlastelegging met parketnummer 05/072587-98 is op 2 februari 1999 ter terechtzitting gewijzigd conform de door de officier van justitie op 12 januari 1999 ingediende vordering wijziging tenlastelegging. Van deze vordering is hierna een kopie opgenomen als bijlage Ia en de inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd. Tevens is de zaak met parketnummer 05/070000-99 gevoegd en vernummerd tot feit 5.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 januari 1999, 2 februari 1999, 27 april 1999, 28 juni 1999, 21 september 1999 en 11 februari 2000 ter terechtzitting onderzocht.

Verdachte is niet verschenen op de zittingen van 12 januari 1999, 21 september 1999 en 11 februari 2000. Verdachte op 2 februari 1999, 27 april 1999 en 28 juni 1999 wel verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd R.E. G. die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van ƒ157.976,65 aan schadevergoeding. Benadeelde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.T.B.J. Besjes, advocate te Nijmegen. Mr. Besjes is verschenen op de zittingen van 27 april 1999, 28 juni 1999 en 21 september 1999.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd V. K. die vordert dat verdachte wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van ƒ747.975,- aan schadevergoeding. Benadeelde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.T.B.J. Besjes, advocate te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake van de onder 1, 2, 3, 5 en 6 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. Terzake van feit 4 eist hij vrijspraak.

De officier van justitie heeft geëist dat de vordering van benadeelde partij R.E. G. tot een bedrag van ƒ10.000,- zal worden toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis, en dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard omdat de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De officier van justitie heeft geëist dat de vordering van benadeelde partij K. zal worden toegewezen tot een bedrag van ƒ20.000,- en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis, en dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard omdat de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, voor zover niet doorgestreept in bijlage II.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten ten laste zijn gelegd, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

MENSENHANDEL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 in verbinding met artikel 250ter lid 2 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

MEDEPLEGEN VAN VERKRACHTING

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 in verbinding met artikel 47 lid 1 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

MENSENHANDEL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 250ter lid 1 aanhef en onder 1 in verbinding met artikel 250ter lid 2 aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5:

EEN ANDER UIT WINSTBEJAG BEHULPZAAM ZIJN BIJ HET ZICH VERSCHAFFEN VAN TOEGANG TOT OF VERBLIJVEN IN NEDERLAND OF ENIGE ANDERE STAAT WELKE GEHOUDEN IS TEN BEHOEVE VAN NEDERELAND GRENSCONTROLE UIT TE OEFENEN EN HEM DAARTOE UIT WINSTBEJAG GELEGENHEID, MIDDELEN OF INLICHTINGEN VERSCHAFFEN TERWIJL ZIJ WEET DAT DE TOEGANG WEDERRECHTELIJK IS, TERWIJL HET FEIT IN VERENIGING WORDT BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 197a lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a. de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en met de omstandigheden waaronder dit is gepleegd;

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de dader, waarbij gelet is op:

een uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 16 december 1998;

een voorlichtingsrapport van de reclassering betreffende verdachte opgemaakt op 15 december 1998 door L.W.M. Hakkenbroek, reclasseringswerker.

De rechtbank overweegt verder nog als volgt:

Verdachte heeft de Dominicaanse vrouw G. samen met haar medeverdachte B. in de Dominicaanse Republiek gevraagd om in Nederland te komen werken. Vervolgens hebben zij die G. met een vals paspoort naar Nederland laten overkomen en haar onder bedreiging gedwongen in de prostitutie te werken. G. moest het daar verdiende geld aan verdachten afstaan. Voorts hebben zij haar een abortus laten ondergaan. Medio 1997 hebben B. en zij die G. verkracht in het huis van B. Voorts heeft verdachte samen met B., V. K. tot prostitutie gebracht, waarbij deze is verkocht, bedreigd en mishandeld. Ten slotte heeft verdachte een actieve rol gespeeld in het binnen Nederland brengen van een aantal voor gedwongen prostitutie bestemde vrouwen.

Verdachte heeft deze feiten gepleegd, terwijl zij uit haar eigen ervaringen als prostituee wist in welke situatie de betreffende vrouwen zouden terecht komen en/of zich bevonden.

Het voorgaande rechtvaardigt de oplegging van een gevangenisstraf van langere duur. Daarbij houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat in de telastegelegde en bewezen verklaarde feiten haar medeverdachte B. een hoofdrol heeft vervuld.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde plegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Namens de verdachte is terzake van de civiele vorderingen de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partijen gestelde hoogte van de schade betwist.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij V. K.

De rechtbank acht de vordering niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in het onderhavige strafgeding niet-ontvankelijk is. Mogelijk kan de benadeelde partij haar schade verhalen via de burgerlijke rechter.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij R.E. G.

De rechtbank acht de vordering niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in het onderhavige strafgeding niet-ontvankelijk is. Mogelijk kan de benadeelde partij haar schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, recht doende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN 30 (DERTIG) MAANDEN,

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij R.E. G.

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij V. K.

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Aldus gewezen door:

mrs. J.W.P. Verheugt, als voorzitter, D.J. Post en M. Barels, rechters, in aanwezigheid van mr. E.H. Köhne, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2000.