Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA7084

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-11-1999
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
98/1782
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Meervoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 98/1782

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 augustus 1998.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 1991 heeft verweerder eiseres en [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, met ingang van 8 juli 1991 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar toegekend.

Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder de verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte uitkering van f 5608,34 bruto teruggevorderd.

Namens eiseres is op 10 maart 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld op 5 augustus 1998 door de bezwaarschriftencommissie Sociale Zaken. Eiseres is bij de behandeling niet verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 5 augustus 1998 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres heeft J. van Dorssen op 30 september 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 10 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 oktober 1999, waar eiseres noch gemachtigde zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door S.J.P.M. van Oyen, werkzaam bij de gemeente.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 30 januari 1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. In het besluit van 30 januari 1998, heeft verweerder de aan [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, naar de norm voor gehuwden verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte uitkering van f 5608,34 bruto teruggevorderd.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid van de Abw heeft geschonden. Doordat eiseres noch [echtgenoot] verweerder op de hoogte heeft gesteld van het feit dat door eiseres inkomsten zijn genoten uit werkzaamheden is ten onrechte bijstand verleend. Deze ten onrechte verleende bijstand wordt op grond van het bepaalde in artikel 81, eerste lid van de Abw teruggevorderd. Voor de terugbetaling is eiseres op grond van het bepaalde in artikel 84, eerste en vierde lid van de Abw hoofdelijk aansprakelijk.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres voert aan, dat verweerder er geen rekening mee heeft gehouden, dat zij in Nederland is gekomen zonder de Nederlandse taal te kennen en niet bekend was met de regels die door verweerder worden gehanteerd. Eiseres stelt dat haar echtgenoot in juli 1995 reeds op de hoogte was van haar werkzaamheden in [plaats] per 1 augustus 1995. Eiseres voert aan dat door verweerder eerder controle had moeten plaatsvinden. Voorts stelt eiseres dat zij in de periode 1 augustus 1995 tot februari 1996 geen controle-formulieren heeft getekend en in het geheel geen contact meer heeft gehad met de heer [echtgenoot].

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248, hierna: de Wet boeten) ten aanzien van de Algemene bijstandswet (Abw) in werking getreden.

Ingevolge artikel XVI, eerste lid van de overgangsbepalingen van deze wet wordt -voor zover hier van belang- in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht. Krachtens het tweede lid blijft ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het recht zoals dat voor die datum gold van toepassing.

Ingevolge laatstgenoemd artikellid geldt naar het oordeel van de rechtbank, dat ten aanzien van een terugvorderingsbesluit dat op of na 1 juli 1997 bekend is gemaakt de bestuursrechter de bevoegde rechter is.

Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende primaire besluit tot terugvordering is gedateerd 30 januari 1998, zodat moet worden geconcludeerd dat de rechtbank terzake bevoegd is.

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

De herziening en terugvordering hebben betrekking op de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996, zijnde een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet boeten op 1 juli 1997, zodat aan de hand van het hiervoor weergegeven overgangsartikel moet worden bepaald welke bepalingen van toepassing zijn.

Genoemd artikel XVI, eerste lid, dient, mede gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 13 januari 1995, JABW 1995/233 en 3 maart 1995, JABW 1995/334, waarin een uitleg is gegeven aan het vergelijkbare overgangsartikel VIII van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, aldus te worden opgevat dat indien de terugvordering betrekking heeft op een periode vóór de inwerkingtreding van de Wet boeten, het materiële recht inzake de bevoegdheid tot weigering, terugvordering en verrekening zoals dat toen gold, van toepassing blijft. Uit het tweede lid volgt naar het oordeel van de rechtbank a contrario dat ten aanzien van besluiten, die op of na 1 juli 1997 bekend zijn gemaakt, voor wat betreft de wijze van weigering, terugvordering of verrekening de Wet boeten van toepassing is, ook als het gaat om voor de inwerkingtreding van de Wet boeten ten onrechte of teveel betaalde uitkeringen.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd, dat op de vraag of en zo ja hoeveel kan worden teruggevorderd de terugvorderingsbepalingen van de Abw zoals die luidden voor 1 juli 1997 van toepassing zijn en dat voor wat betreft de procedure van terugvordering de Wet boeten van toepassing is.

Op 1 januari 1996 zijn de (nieuwe) bepalingen van de Abw in werking getreden, hetgeen met zich meebrengt dat op de onderhavige periode verschillende wettelijke bepalingen van toepassing zijn. Ten aanzien van de periode 1 augustus 1995 tot 1 januari 1996 zijn dit onder meer de artikelen 30, tweede lid, 57, onder d en 59a, eerste en derde lid van de ABW (oud) -zoals deze artikelen luidden van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996. Met betrekking tot de periode 1 januari 1996 tot 13 februari 1996 zijn dit de artikelen 65, eerste en tweede lid, 81, eerste lid en 84 eerste en derde lid, van de Abw, zoals deze artikelen luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997.

Voornoemde bepalingen bevatten -voor zover hier van belang-geen materiële verschillen. Hieronder is de tekst van de bepalingen zoals deze luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 weergegeven.

Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw (30, tweede lid, van de ABW) doet de belanghebbende op verzoek van burgemeester en wethouders of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan. Krachtens het tweede lid maakt belanghebbende voor de verstrekking van gegevens gebruik van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Op grond van artikel 81, eerste lid van de Abw (57, onder d, van de ABW) wordt de bijstand teruggevorderd indien de verplichting bedoeld in artikel 65 (30 ABW) niet of niet behoorlijk is nagekomen, voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Ingevolge artikel 84, eerste lid van de Abw (59a, eerste lid, van de ABW) worden, indien bijstand als bedoeld in artikel 13, tweede lid is verleend (gezinsbijstand), voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen. Krachtens het derde lid van artikel 84 van de Abw (59a, derde lid, van de ABW) zijn de in het eerste lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Verweerders beslissing tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering beoogt naar het oordeel van de rechtbank wijziging te brengen in de aanspraak op in het verleden toegekende en reeds uitbetaalde bijstand. Een zodanig besluit heeft als rechtsgevolg dat vast komt te staan dat in het verleden ten onrechte bijstand is verleend en dat derhalve onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is -overeenkomstig de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 juli 1994, RSV 1995/54- van oordeel dat een herzieningsbeslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens beroep kan worden ingesteld.

In de omstandigheid dat zodanig besluit niet past in het oude - civielrechtelijke- stelsel van de ABW en in ieder geval niet was vereist, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 april 1997, NJ 1997/499, heeft geoordeeld, ziet de rechtbank -in navolging van de CRvB in zijn uitspraak van 20 juli 1999, 98/3246, PS Actua van 9 september 1999, nr. 99- niet langer aanleiding voor een andersluidend oordeel.

De rechtbank is -anders dan verweerder kennelijk meent- van oordeel, dat de herziening niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dat artikel luidt sedert 1 juli 1997. Bedoeld artikellid ziet op de herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en betreft naar het oordeel van de rechtbank een (nieuwe) materiële bepaling. Ingevolge eerdergenoemde overgangsbepaling kan dit artikellid derhalve niet de basis vormen voor een herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering.

Nu herziening van een over een periode vóór 1 juli 1997 toegekende uitkering niet is vereist, maar wel is toegestaan, ziet de rechtbank in de vermelding van artikel 69, derde lid, van de Abw geen aanleiding om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan.

Niet in geschil is dat eiseres inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten en deze inkomsten niet aan verweerder heeft gemeld.

Vast staat dat eiseres de in artikel 65, eerste lid van de Abw (30, tweede lid, van de ABW) opgenomen inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Eiseres heeft verweerder nimmer op de hoogte gesteld van haar werkzaamheden en inkomsten. De omstandigheid dat eiseres onvoldoende bekend was met de Nederlandse taal alsmede de regels die door verweerder worden gehanteerd maakt dit verzuim niet verschoonbaar. Het feit, dat de echtgenoot van eiseres evenmin aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan en de bijstandsuitkering mogelijk heeft geconsumeerd, ontslaat eiseres niet van de verplichting onverwijld mededeling te doen van feiten en omstandigheden welke van invloed zijn op het recht op bijstand. De bijstandsuitkering is aan eiseres en haar echtgenoot toegekend en de inlichtingenverplichting rust derhalve op zowel eiseres als haar echtgenoot.

Ingevolge het hierboven weergegeven artikel 84 van de Abw (59a van de ABW) zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 (te veel) verstrekte bijstandsuitkering van f 5608,34.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het besluit van 26 augustus 1998 geen doel treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. W.F. Bijloo, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 1999, door mr. H.A.W. Snijders, voornoemd, in tegenwoordigheid van mr. G.H.W. Bodt als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 16 november 1999

Coll: