Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA4959

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-1999
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
97/2637 en 97/3080
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 7
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 97/2637 en 97/3080

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], thans wonende te [woonplaats]

en

de Klachtencommissie Tolken, te 's-Gravenhage verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaarschrift van eiser van 1 augustus 1997 - Het besluit van verweerder van 1 december 1997

2. Feiten en procesverloop

Op 4 juli 1997 is namens verweerder het verzoek van eiser van 20 juni 1997 om een afschrift van het rapport "Het functioneren van allochtone tolken in een nader gehoorsituatie, beoordeling van klachten over de tolk [naam tolk] (hierna : het rapport), afgewezen op de grond dat verweerder zich geen overheidsorgaan in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) acht.

Namens eiser is bij schrijven van 1 augustus 1997 hiertegen bezwaar gemaakt.

Namens eiser heeft mr. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein, op 17 september 1997 bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Dit beroepschrift is door die rechtbank ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank te Arnhem.

Op 1 december 1997 heeft verweerder vervolgens een beslissing op bezwaar genomen. Bij schrijven van 11 december 1997, 6 februari 1998 en 20 februari 1998 is het eerder ingediende beroepschrift vervolgens aangevuld. Namens de Minister van Justitie is op 13 januari 1998 door mr. M. de Rijke, advocaat te 's-Gravenhage een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft de secretaris-generaal namens Minister van Justitie bij brief van 22 juli 1998 het besluit van 1 december 1997 voor zijn rekening genomen.

Op 28 september 1998 heeft verweerder de stukken waarop het beroep betrekking heeft onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden. Bij beslissing van 30 september 1998 heeft rechtbank beslist dat de beperking van de kennisneming van de overgelegde stukken gerechtvaardigd is. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 april 1999, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.B.Ph.M. Bogaers, en waar namens verweerder haar voorzitter, M.J.C.A. van Ermen, en haar secretaris, mr. M.N. Lorier zijn verschenen, bijgestaan door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te ‘s-Gravenhage. Ter zitting is namens eiser toestemming verleend aan de rechtbank om mede op grondslag van de op 28 september 1998 overgelegde stukken uitspraak te doen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 6:20 van de Awb wordt het beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar geacht mede gericht te zijn tegen het besluit op bezwaar, tenzij dat besluit geheel aan bezwaar tegemoet komt. Nu het besluit van 28 juli 1995 een besluit op bezwaar betreft waarbij niet geheel aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen, wordt het beroep mede geacht gericht te zijn tegen dit besluit. De rechtbank zal in de eerste plaats het besluit van 1 december 1997 (hierna: het bestreden besluit) beoordelen.

Het besluit van 1 december 1997

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank openstaat. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Onder een besluit wordt ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

In dit kader moet te dezen worden beoordeeld of verweerder een bestuursorgaan in de zin van de Awb is. In artikel 1:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Evident is dat verweerder, ingesteld bij de Regeling Tolken IND, gelet op het Reglement Klachtencommissie Tolken een orgaan is van het Ministerie van Justitie. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat sprake is van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Awb: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, te weten de Staat der Nederlanden. De aard van de uit te oefenen bevoegdheden is hierbij niet relevant.

Gelet op het bovenstaande is verweerder een bestuursorgaan, waarmee in dit geding is gegeven dat het bestreden besluit een besluit is.

Ter zitting is nog bevestigd dat het bestreden besluit is genomen door verweerder zelf en niet, zoals de ondertekening van het bestreden besluit suggereert, door haar voorzitter.

Het bestreden besluit behelst de gegrondverklaring van het bezwaarschrift van eiser alsmede de weigering op andere gronden om de verzochte verstrekking te weigeren.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich in het besluit op bezwaar terecht bevoegd heeft geacht besluiten omtrent de toepassing van de Wob te nemen.

Ingevolge artikel la, aanhef en onder a en c, van de Wob, zoals deze wet luidde ten tijde in geschil, is deze wet van toepassing op de ministers en bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de ministers werkzaam zijn. Verweerder is een onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie werkzaam orgaan, zodat de Wob op haar van toepassing is. Dit onderdeel van het bestreden besluit is -weliswaar op andere gronden dan de door verweerder gehanteerde gronden - correct.

In deze zaak is het verweerschrift niet door verweerder maar namens de Minister van Justitie ingediend. Namens verweerder is gesteld dat dit verweerschrift voor haar rekening wordt genomen, zodat de rechtbank het verweerschrift zal aanmerken als door haar ingediend.

Vervolgens dient het besluit tot weigering van de inzage te worden getoetst.

Verweerder voert hiertoe aan dat onderzoek naar aanleiding van de klacht van eiser is uitgevoerd door de Stichting Interculturele communicatie en Conflict Studies (ICCS). Met de ICCS is verweerder overeengekomen dat de hiertoe door haar ontwikkelde onderzoeksmethoden en beoordelingsinstrumenten, waarvan de rechten bij ICCS verblijven, geheim blijven. Het rapport, uitgebracht naar aanleiding van de klacht, is slechts bestemd voor de opdrachtgever(in dit geval verweerder) en mag niet aan derden worden afgegeven. Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat artikel 10, eerste lid, sub c van de Wob met name tot doel heeft fabricage en bedrijfsgegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn overgelegd van kennisname door de concurrentie te vrijwaren. Observatiecriteria, interviewschema's en vragenlijsten, als door ICCS ontwikkeld vallen hier niet onder.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Verweerder heeft aan de weigering het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onder c, artikel 10, tweede lid, onder e, en onder g, van de Wob ten grondslag gelegd. Voorts heeft eiser zich beroepen op artikel 7, eerste lid, sub d, van de Wob.

Ten aanzien van deze weigeringsgronden oordeelt de rechtbank na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van het in geding zijnde document als volgt.

Artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob

Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob blijft verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bestuurs)rechtspraak van de Raad van State volgt dat van bedrijfs- en fabricagegegevens sprake is indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot het Productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. Naar het oordeel van de rechtbank is daar te dezen geen sprake van. Aan ICCS is opdracht gegeven een onderzoek te verrichten. Onderzoeksmethodes en beoordelingscriteria van een onderzoeksbureau als ICCS zoals neergelegd in de verslaglegging van dit onderzoek kunnen niet worden beschouwd als bedrijfs- en fabricagegegevens. Dit zou anders wezen indien een daartoe bevoegd orgaan aan ICCS anders dan als opdrachtgever vragen had gesteld over de gehanteerde methoden.

Deze weigeringsgrond treft mitsdien geen doel.

Hieraan doet niet af de uitdrukkelijke wens van ICCS, dat uitgebrachte rapporten alleen voor intern gebruik waren bestemd en zonder toestemming van ICCS niet vermenigvuldigd mochten worden ten behoeve van derden. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze uitdrukkelijke wens, waarmee verweerder akkoord is gegaan, niet de publiekrechtelijke verplichting tot openbaarmaking doorkruisen.

Artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob

Ingevolge artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Verweerder heeft zijn beroep op artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob doen steunen op de overweging, dat - zoals hierboven reeds is vermeld - de persoonlijke levenssfeer van de bij het onderzoek betrokken personen zwaarder wegen dan het belang dat eiser heeft bij openbaarmaking van het rapport en acht benadeling van de betrokken contactambtenaren en in het rapport genoemde tolken niet uitgesloten.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De opdracht die verweerder aan ICCS heeft verstrekt, naar aanleiding van een hiertoe ingediende klacht, betreft het functioneren van de tolk [naam tolk] in het kader van de uitoefening van zijn (publieke)functie, derhalve het beroepshalve functioneren. Hiermee is de persoonlijke levenssfeer niet in geding. Uit de overgelegde rapportage is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van zinsneden die de persoonlijke levenssfeer van de heer [naam tolk] betreffen. Wel bevat het rapport gegevens met betrekking tot het functioneren van andere tolken. Bovendien blijkt uit het rapport welke contactfunctionarissen ICCS in het kader van het onderzoek informatie hebben verschaft. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer is niet beperkt tot particuliere personen. Ook ambtenaren hebben daar recht op. Om deze redenen zou openbaarmaking van het rapport an sich in strijd kunnen komen met de hierboven genoemde bepalingen. Echter verweerder had door middel van anonimisering, dan wel door openbaring van een deel van het rapport, aan het verzoek van eiser gehoor kunnen geven zonder dat sprake zou zijn van schending van bovengenoemde rechten. De volledige weigering van de verstrekking van het litigieuze rapport, anders dan bij wijze van zeer korte samenvatting, zoals die thans is gehanteerd door verweerder kan geen rechtvaardiging vinden in artikel 10" tweede lid, onder e en g, van de Wob.

Artikel 7, tweede lid, van de Wob

Verweerder heeft nog een beroep gedaan op artikel 7, tweede lid, van de Wob. Hierin is bepaald dat bij het kiezen van de vormen van informatie, genoemd in het eerste lid, het bestuursorgaan rekening houdt met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden. Verweerder meent door verstrekking van een samenvatting van de inhoud de gevraagde informatie verstrekt te hebben.

De rechtbank kan zich in dit standpunt niet vinden. Duidelijk was dat eiser meer wilde dan verstrekking van een samenvatting. Die voorkeur mag hem niet worden onthouden, tenzij de voortgang van de werkzaamheden van het bestuursorgaan zouden worden verstoord. Daarvan is te dezen niet gebleken.

Artikel 10, tweede lid, onder d, van de Wob

In het verweerschrift is nog een beroep gedaan op artikel 10, tweede lid, onder d, van de Wob. Deze weigeringsgrond is echter niet in het bestreden besluit gehanteerd, zodat deze gelet op de ex-tunc toetsing buiten bespreking zal dienen te blijven.

Gegrondverklaring

Gelet op het vorenoverwoge is beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb, waarin het vereiste van een deugdelijke motivering is neergelegd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen op eisers bezwaarschrift. Ter voorlichting van eiser overweegt de rechtbank nog dat deze uitspraak er op zich niet aan in de weg staat dat verweerder alsnog artikel 10, tweede lid, onder d, van de Wob aan een (gedeeltelijke) weigering van de verstrekking ten grondslag kan leggen.

Het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift

Ingevolge artikel 6:20, zesde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig beslissen op administratief beroep nadat inmiddels besluiten zijn genomen op het administratief beroep, alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijk belang niet gelegen zijn in een eventuele vergoeding van griffierecht of proceskosten. Gelet op het vorenstaande is het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet- ontvankelijk te achten.

Proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op f, 1.420,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank mede gelet op artikel 8:74 van de Awb tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen het besluit van 1 december 1997 en vernietigt dit besluit;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaarschrift.

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van f. 1.420,--;

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, postbankrekening 935462 ten name van Gerecht 533 arrondissement Arnhem;

bepaalt voorts dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad f. 210,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 april 1999, in tegenwoordigheid van mr. E.T. Bosman-Over de Linden als griffier.

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 12 MEI 1999