Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 99/748
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2000, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis d.d. 20 december 1999

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van:

J,

wonende te E,

eiseres bij dagvaarding van 1 december 1999,

procureur mr. P.C. Plochg te Arnhem,

advocaat mr. T.A.J. van de Wouw te Roermond,

tegen

Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening

Gelderland,

kantoorhoudende te Arnhem,

gedaagde,

gemachtigde: de heer B,

procureur en advocaat mr. K.J. Verrips te Wageningen.

De partijen worden verder aangeduid als J en JJG.

Het verloop van de procedure

1. J heeft JJG in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd, als weergegeven in de dagvaarding.

2. JJG heeft geconcludeerd dat J in haar vordering niet kan worden ontvangen althans dat de vordering haar dient te worden ontzegd. Tevens verzoekt JJG om J in de kosten van de procedure te veroordelen.

3. Namens J zijn bij brief van 7 december 1999 producties in het geding gebracht.

4. De advocaten hebben de zaak bepleit. Daarbij is namens JJG één productie in het geding gebracht.

Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De feiten

1. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 maart 1996 is P (nader te noemen: P) onder toezicht van JJG gesteld.

Laatstelijk is bij beschikking van 17 februari 1999 de ondertoezichtstelling over P met één jaar, ingaande 7 maart 1999, verlengd.

2. Sinds 1997 is P steeds uit huis geplaatst geweest.

3. J biedt een voorziening voor pleegzorg, zijnde een pleeggezin als bedoeld in artikel 1 lid 2a van de Wet op de Jeugdhulpverlening.

4. Op 16 januari 1998 is P in het pleeggezin van J opgenomen. Met ingang van 11 april 1998 is P door JJG geplaatst in crisisopvang “’t P” te Z.

Nadien is P in ‘E’ te E, zijnde een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie, geplaatst.

Thans is zij geplaatst in een orthopedagogische voorziening.

5. J heeft aan JJG op grond van artikel 1: 377f BW juncto artikel 8 EVRM verzocht omgang te hebben met P en wel éénmaal per 14 dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.

J stelt daarbij dat zij in haar hoedanigheid van pleegouder een relatie met P heeft opgebouwd, waarbij er sprake is van family-life.

6. Bij brief van 3 september 1999 heeft JJG het verzoek van J afgewezen.

7. J verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, JJG te veroordelen vorenomschreven omgang van haar met P toe te staan, zulks op verbeurte van een dwangsom van ¦. 1.000,= voor iedere dag dat JJG in gebreke blijft. Tevens verzoekt J om JJG in de kosten van het geding te veroordelen.

De beoordeling van de vordering

1. De ontvankelijkheid

P is onder toezicht gesteld, waarbij JJG als gezinsvoogdij-instelling is benoemd. JJG is derhalve belanghebbende in de zin van artikel 1: 798 BW. In het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft JJG verregaande bevoegdheden tot het al of niet toestaan of beperken van omgang met P.

Weliswaar is de moeder van P met het gezag over haar belast, doch, gezien het vorenstaande, houdt zulks niet in dat J, door enkel JJG te dagen, in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2. De spoedeisendheid

J heeft niet aannemelijk gemaakt waarom er thans, ruim anderhalf jaar nadat P haar gezin heeft verlaten, sprake zou zijn van een zodanig spoedeisend belang bij een omgangsregeling tussen P en haar, dat zij zich hiertoe niet in een bodemprocedure tot de rechtbank had kunnen wenden. Een dergelijke procedure kent korte termijnen.

Van een zodanige spoedeisendheid dat de President in kort geding een voorlopige voorziening zou moeten treffen, is geen sprake. Reeds daarom dient J haar vordering ontzegd te worden.

3. De vordering, ten overvloede.

Het feit dat J gedurende drie maanden voor P heeft gezorgd, maakt niet dat zij in een zo nauwe persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat zij gezinsleven met P in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft of heeft gehad. Ook aan het vereiste van artikel 1: 377f BW omtrent de nauwe persoonlijke betrekking voldoet J geenszins. Zij heeft, nadat P haar gezin verlaten heeft, geen enkel contact meer met haar gehad. Niet gebleken is dat P contact wil hebben met J. Dit is niet anders indien J in de (achteraf verkeerd gebleken) veronderstelling verkeerde dat de verzorging en opvoeding van P haar gedurende langere tijd ten deel zou vallen. Voor een rol van J in de toekomst bij de verzorging en opvoeding van P is geen enkel perspectief.

Om deze redenen zou J in een vordering tot het bepalen van een omgangsregeling, niet ontvangen kunnen worden.

4. Ten overvloede zij eveneens nog vermeld, dat het voorafgaande niets afdoet aan de waardering die J verdient voor haar inzet voor P en aan de mogelijkheid dat P in de periode waarin zij bij J verbleef is “opgebloeid”. Deze waardering laat zich echter niet afdwingen in procedures en door publiciteit, welke schadelijk kunnen zijn voor de rust, die P zozeer nodig heeft.

5. Het verzoek van J wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt J in de aan de zijde van JJG gevallen proceskosten veroordeeld.

De beslissing

1. Wijst het verzoek van J af.

2. Veroordeelt J in de aan de zijde van JJG gevallen proceskosten, tot op heden begroot op ¦.

Dit vonnis is gewezen door de fungerend-president mr. C. Lely-van Goch en in tegenwoordigheid van F. Wolters in het openbaar uitgesproken op maandag 20 december 1999.