Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA3882

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1998/1687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken in de zaak van

J.B. en 73 anderen,

eisers bij exploot van dagvaarding van

29 juli 1998,

procureur mr. B. Peek te Arnhem,

Rolnummer 1998/1587 tegen

de coöperatie X,

gedaagde bij voormeld exploot van dagvaarding,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem

Het verloop van de procedure

De volgende proceshandelingen zijn verricht:

conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding onder overlegging van 84 producties,

conclusie van antwoord,

conclusie van repliek onder overlegging van 5 producties,

conclusie van dupliek onder overlegging van 7 producties,

pleidooi,

het overleggen van stukken voor vonnis.

De vaststaande feiten

Coöperatie Y

1.1 J.B. c.s. (hierna ook te noemen de melkveehouders) zijn allen lid geweest van coöperatie Y.

Coöperatie X

1.2 Op of omstreeks 30 november 1991 is coöperatie Y als gevolg van een fusie opgehouden te bestaan. Haar vermogen is per die datum onder algemene titel verkregen door coöperatie Z; op of omstreeks dezelfde datum heeft coöperatie Z haar naam veranderd in coöperatie X.

Statuten coöperatie Y

1.3 De Statuten en Huishoudelijk Reglement van coöperatie Y d.d. augustus 1989 bevatten, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

Artikel 10:

"Het lidmaatschap eindigt door:

a. overlijden van het lid en indien het lid een rechtspersoon is, wanneer zij ophoudt te bestaan;

b. opzegging door het lid;

c. opzegging door het bestuur;

d. ontzetting door het bestuur."

Artikel 12:

"1. Het lidmaatschap kan van de zijde van het lid te allen tijde door opzegging worden beëindigd.

2. Evenwel eindigt het lidmaatschap bij opzegging ervan slechts aan het einde van het boekjaar en wel aan het einde van het lopende boekjaar, indien de opzegging uiterlijk op 30 juni van dat boekjaar des middags om twaalf uur het bestuur heeft bereikt en aan het einde van het volgende boekjaar, indien de opzegging na dit tijdstip is ontvangen.

(...)"

Artikel 15:

"1. Degene, van wie het lidmaatschap is geëindigd is verplicht op eerste schriftelijke aanmaning van het bestuur aan de vereniging te betalen vier procent van het bedrag aan melkgeld, inclusief tegoedschrijvingen, die hij ontving in het boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar waarin of aan het einde waarvan zijn lidmaatschap eindigt.

(...)"

Artikel 16:

"(...)

b. het uittreegeld als bedoeld in artikel 15 is niet verschuldigd ingeval het lidmaatschap is beëindigd op grond van het bepaalde in artikel 10 letter a. dan wel artikel 10 letter c, indien en voor zover ten genoege van het bestuur door het lid kan worden aangetoond dat geen verlies van één der vereisten is bewerkstelligd met de bedoeling zich aan de verplichtingen jegens de vereniging te onttrekken."

Artikel 18:

"1. Alle leden zijn verplicht:

a. zonder enig voorbehoud alle op hun bedrijf gewonnen melk aan de vereniging te leveren, uitgezonderd de hoeveelheid benodigd voor gebruik in eigen huishouding, voor opfokken van kalveren en behoudens het in de leden 2 en 3 van dit artikel bepaalde;

(...)"

Artikel 60:

"1. Het boekjaar van de vereniging vangt aan op of omstreeks 1 januari en eindigt op of omstreeks dertig december.

(...)"

Beëindiging lidmaatschap

1.4 De melkveehouders hebben ieder uiterlijk per 1 januari 1992 hun lidmaatschap van coöperatie Y/X opgezegd. Coöperatie Y/X heeft aan ieder der melkveehouders uittreegeld in rekening gebracht, welk uittreegeld door de betreffende melkveehouder is betaald, dan wel door coöperatie Y/X is ingehouden op de slotafrekening van de betreffende melkveehouder. Ieder der melkveehouders heeft tegen de verschuldigdheid van het uittreegeld bij coöperatie Y/X geprotesteerd, en gesommeerd tot terugbetaling. Een en ander blijkt uit het volgende overzicht:

Eiser sub 1 (...)

Jaarverslag Mededingingsbeleid Europese Commissie

1.5 Coöperatie Z had - voor de fusie met coöperatie Y - een soortgelijke uittreeregeling, die heeft geleid tot een klacht bij de Europese Commissie. Coöperatie Z heeft zich toen jegens de Europese Commissie verbonden - mede met het oog op de voorgenomen fusie met coöperatie Y - haar uittreeregeling aan te passen, met als gevolg dat de klacht niet tot een uitspraak van de Europese Commissie heeft geleid.

In het Jaarverslag Mededingingsbeleid Europese Commissie 1991, punt 83 en 84, staat over deze kwestie vermeld:

"Coöperatie Z heeft zich er nadien ten overstaan van de Commissie toe verbonden dat haar leden voortaan op drie verschillende tijdstippen in het jaar (1 april, 1 september en het einde van het boekjaar) hun lidmaatschap kunnen beëindigen zonder een uitstapvergoeding te moeten betalen, mits een opzegtermijn van twee jaar in acht wordt genomen. De leden kunnen deze procedure evenwel omzeilen en de coöperatie verlaten met een opzegtermijn van drie maanden. In dat geval is slechts één uitstapdatum toegestaan (1 april) en moeten zij een uitstapvergoeding betalen die (reeds sedert 1 januari 1991) is vastgesteld op 4%.

(...)

De Commissie erkent weliswaar dat de exclusieve leveringsverplichting in combinatie met de nieuwe bepalingen inzake uittreding van de leden nog steeds een concurrentiebeperking inhoudt, maar is van oordeel dat deze beperking aanvaardbaar is gezien de structuur van de betrokken melkmarkt en de positie van coöperatie Z op die markt.

Zo kwam zij tot de slotsom dat de concurrentiebeperkingen die voortvloeien uit een exclusiviteitsverplichting van maximum twee jaar ten gunste van een coöperatie die op de betrokken markt geen machtspositie bezit, onder de specifieke uitzonderingsbepalingen van Verordening nr. 26/62 van de Raad van 4 april 1962 valt."

Statuten coöperatie X

1.6 Op 29 november 1991 zijn de nieuwe statuten van coöperatie X met terugwerkende kracht tot 1 januari 1991 in werking getreden. Deze statuten bevatten, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

Artikel 6:

"(...)

3. Opzegging kan geschieden zowel door het lid als namens de coöperatie.

Opzegging door een lid moet schriftelijk geschieden en is alleen mogelijk tegen een datum in een boekjaar, zijnde de datum waarop krachtens artikel 1, letter g, Beschikking Superheffing 1988, een superheffing heffingsperiode eindigt, of tegen het einde van het desbetreffende boekjaar, met inachtneming van een termijn van tenminste zes maanden."

Artikel 60:

"1. In afwijking van het bepaalde in artikel 6 geldt dat tot een januari negentienhonderdvierennegentig opzegging van het lidmaatschap slechts mogelijk is, zulks naar keuze van het desbetreffende lid:

a. tegen een datum zijnde het einde van het desbetreffende boekjaar of een datum in een boekjaar, zijnde de datum waarop krachtens artikel 1, letter g, Beschikking Superheffing, een superheffingsperiode eindigt, met inachtneming van een termijn van drie maanden en tegen de verplichting tot betaling van een uittreegeld aan de coöperatie van vier procent van het bedrag aan melkgeld, inclusief tegoedschrijvingen, die hij ontving in en/of over het boekjaar, voorafgaande aan het jaar van uittreding; of

b. tegen een datum zijnde het einde van het desbetreffende boekjaar, een datum in een boekjaar, zijnde de datum waarop krachtens artikel 1, letter g, Beschikking Superheffing 1988, een superheffingsperiode eindigt, of één september van het desbetreffende boekjaar, met inachtneming van een termijn van ten minste twee jaar."

Het geschil

Vordering

2.1 Melkveehouders vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de proceskosten, coöperatie X veroordeelt tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ieder van hen het bedrag van de volgens hen onrechtmatig verrekende, dan wel onverschuldigd betaalde uittreegelden, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten volgens het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, vermeerderd met de nader te noemen wettelijke rente over de aangegeven periode,

aan: J.B. (...)

alsmede coöperatie X veroordeelt in de kosten van dit geding.

Grondslag

2.2 De melkveehouders stellen dat de uittreegelden onverschuldigd zijn betaald c.q. verrekend.

De regeling zoals opgenomen in de artikelen 10, 12, 15, 16, 18 en 60 van de Statuten van coöperatie Y (inhoudende: a. de verplichting alle melk exclusief aan coöperatie Y te leveren; b. de verplichting voor een vrijwillig uitgetreden lid om een uittreegeld van 4 % te betalen; c. de opzegtermijn van 6 maanden; d. de uitsluitende mogelijkheid om tegen het einde van een boekjaar op te zeggen) is volgens de melkveehouders in strijd met artikel 85 lid 1 (thans artikel 81; gemakshalve zal in het navolgende de oude nummering worden gehanteerd - rechtbank) Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag). Voornoemde regeling (hierna ook te noemen de Y-regeling) valt niet onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 2 Verordening 26/62 van de Raad van de EEG van 4 april 1962 (Verordening 26/62), dan wel van artikel 85 lid 3 EG-verdrag, zodat de regeling op grond van artikel 85 lid 2 EG-verdrag van rechtswege en met terugwerkende kracht nietig is, aldus de melkveehouders.

Betaling c.q. verrekening heeft derhalve volgens de melkveehouders zonder rechtsgrond - en mitsdien onverschuldigd - plaatsgevonden.

Subsidiair doen de melkveehouders een beroep op artikel 2:60 BW.

2.3 Coöperatie X voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling

Tenaamstelling coöperatie X

3.1 De juiste tenaamstelling van coöperatie X is niet *** - zoals vermeld in de dagvaarding - maar ***. Coöperatie X heeft echter te kennen gegeven dit niet tot een punt van geschil te maken, zodat de onjuiste tenaamstelling in de dagvaarding zal worden beschouwd als een kennelijke verschrijving.

Toetsing Y-regeling aan regels Europees mededingingsrecht

3.2 De vraag of de Y-regeling in strijd is met de regels van Europees mededingingsrecht is reeds eerder onderwerp van een procedure geweest.

In de gelijksoortige zaak De B. c.s./coöperatie X heeft de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch bij tussenvonnis d.d. 29 juli 1994 (rolnr. 508/93) in dit verband een zestal prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Europese Hof).

In de gevoegde zaken C-319/93, C-40/94 en C-224/94, Jurispr. 1995, p. I-4471, NJ 1996, 665 heeft het Europese Hof op 12 december 1995 voor recht verklaard:

" 1. De niet toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen, is uitsluitend afhankelijk van de in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 gestelde voorwaarden. Indien een overeenkomst of besluit binnen het toepassingsgebied van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, niet voldoet aan de afwijkingsvoorwaarden bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 en geen ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, geniet, dan is die overeenkomst of dat besluit van rechtswege nietig; deze nietigheid heeft terugwerkende kracht.

2. Indien in een procedure voor de nationale rechter een beroep wordt gedaan op de nietigheid van een bepaling van de statuten van een landbouwcoöperatie wegens strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag en de coöperatie zich beroept op artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26, kan de nationale rechter de behandeling van de zaak voortzetten en daarin uitspraak doen in de gevallen waarin klaarblijkelijk niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, is voldaan, dan wel de nietigheid van de betrokken bepaling vaststellen krachtens artikel 85, lid 2, wanneer hij de zekerheid heeft verkregen dat die bepaling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 bedoelde afwijking of voor een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3. Bij twijfel kan de nationale rechter, zo hem dit nuttig lijkt en overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale procesrecht, nadere inlichtingen inwinnen bij de Commissie of partijen in de gelegenheid stellen de Commissie om een uitspraak te verzoeken."

Tegen het tussenvonnis van de Arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 29 juli 1994 heeft coöperatie X op 24 augustus 1994 hoger beroep ingesteld bij het Gerechthof te ’s-Hertogenbosch.

Bij arrest van 29 april 1997 (rolnr. 713/95/HE) heeft het Hof het in hoger beroep bestreden vonnis bekrachtigd, en, rechtdoende krachtens artikel 355 lid 2 Rv, de Y-regeling nietig verklaard en de vorderingen van De B. c.s. betreffende onverschuldigd betaalde uittreegelden toegewezen.

Tegen het arrest van het Hof heeft coöperatie X vervolgens beroep in cassatie ingesteld, welk beroep bij arrest d.d. 29 januari 1999 (nr. 16.727 (C97/206HR) is verworpen.

In voornoemde uitspraken van het Hof d.d. 29 april 1997 en de Hoge Raad d.d. 29 januari 1999 is beslist - in onderling verband gelezen en kort samengevat - dat de Y-regeling niet enkel tot gevolg, maar zelfs tot strekking heeft dat de mededinging aan inkoperszijde wordt beperkt; dat de mededingingsbeperkende effecten zelfs tot over de grens merkbaar zijn; dat de Y-regeling verder gaat dan nodig is om een gezonde commerciële basis voor de coöperatie te bewerkstelligen en haar continuïteit te garanderen; dat, in dat licht bezien, de combinatie van het uittreegeld ad 4%, de vrij lange opzegtermijn van 6 maanden en de voor de leden bezwaarlijke opzegdatum van 31 december, dit alles in combinatie met het ontbreken van de mogelijkheid om met een langere opzegtermijn doch dan zonder uittreegeldverplichting uit te treden, bezwaarlijker is dan nodig is; dat de Y-regeling derhalve in strijd is met artikel 85 lid 1 EG-verdrag.

In deze uitspraken van het Hof en de Hoge Raad is bovendien beslist dat - nu volgens de Europese Commissie de nieuwe regeling zoals opgenomen in de statuten van coöperatie X (hierna ook te noemen de X-regeling) als het maximaal toelaatbare moet worden geacht, en de Y-regeling een restrictiever karakter heeft - de Y-regeling, anders dan de X-regeling, niet onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 2 Verordening 26/62 valt.

In voornoemde uitspraken van het Hof en de Hoge Raad is tenslotte geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk - en dus voldoende zeker als bedoeld in de uitspraak van het Europese Hof d.d. 12 december 1995 - is dat, aangenomen dat de Europese Commissie van oordeel is dat de Y-regeling te ver strekkend was om onder de uitzonderingsbepalingen van verordening 26/62 te worden begrepen, zij die regeling wel voor ontheffing ex artikel 85 lid 3 EG-verdrag in aanmerking zou laten komen. Voor het weigeren van zodanige ontheffing zouden immers grosso modo dezelfde argumenten hebben gegolden als voor een beslissing dat de regeling niet onder de uitzonderingsbepalingen van Verordening 26/62 viel.

Blijkens voornoemde uitspraken is de Y-regeling op grond van artikel 85 lid 2 EG-verdrag van rechtswege en met terugwerkende kracht nietig. In de onderhavige procedure heeft coöperatie X geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Op grond van een en ander komt de rechtbank in deze procedure tot het oordeel dat de Y-regeling op gelijke gronden van rechtswege en met terugwerkende kracht nietig is, zodat de betaling c.q. verrekening zonder rechtsgrond - en dus onverschuldigd - is geschied.

De subsidiaire grondslag - het beroep op artikel 2:60 BW - kan vervolgens onbesproken blijven.

Feitelijke toepassing van X-regeling

3.3 Coöperatie X heeft aangevoerd dat opzeggingen die door de melkveehouders zijn gedaan in 1991, door coöperatie Y/X "behandeld" zijn volgens de (door de Europese Commissie toelaatbaar geachte) X-regeling. Ook deze kwestie is reeds aan de orde geweest in de procedure De B./coöperatie X. De laatste datum waartegen in het onderhavige geval door de melkveehouders werd opgezegd is 1 januari 1992. Dit impliceert dat - uitgaande van een opzegtermijn van 6 maanden volgens de Y-regeling - ieder der melkveehouders vóór 1 juli 1991 heeft opgezegd, derhalve vóór de wijziging van de statuten van coöperatie X d.d. 21 november 1991 waarbij de X-regeling in werking is getreden. Zelfs als een opzegtermijn van 3 maanden - vooruitlopend op de statutenwijziging zou zijn geaccepteerd - zouden zij uiterlijk vóór 1 september 1991 hebben moeten opzeggen, dus eveneens vóór de wijziging van de statuten van coöperatie X d.d. 21 november 1991. Op het moment van opzeggen bestond er voor de melkveehouders derhalve geen keuzemogelijheid om uit te treden zonder uittreegeld op een termijn van twee jaar, dan wel tegen betaling van een uittreegeld en met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Coöperatie X heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat er reeds eerder zekerheid over de keuzemogelijkheid verkregen werd. Door vervolgens aan ieder der melkveehouders een uittreegeld in rekening te brengen heeft coöperatie Y/X - anders dan coöperatie X aanvoert - ieder der melkveehouders wel degelijk volgens de nietige Y-regeling "behandeld" in plaats van volgens de X-regeling.

Het verweer van coöperatie X dat feitelijk de X-regeling is toegepast dient derhalve te worden verworpen.

Partiële nietigheid

3.4 Coöperatie X heeft de rechtbank verzocht - indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de uittreeregeling van coöperatie Y nietig is - de gevolgen van de nietigheid te relativeren door het toepassen van het leerstuk der partiële nietigheid c.q. middels conversie. Met betrekking tot het verzoek de nietigheid te beperken tot slechts een gedeelte van de Y-regeling overweegt de rechtbank dat dit slechts mogelijk is indien het restant - gelet op de inhoud en de strekking van de regeling - niet in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel. Anders gezegd: geeft het restant nog een voor beide partijen zinvolle regeling te zien, waarmee de door partijen nagestreefde doeleinden nog gedeeltelijk worden gerealiseerd. Coöperatie X heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid tot welk gedeelte van de Y-regeling de nietigheid zich volgens haar zou dienen te beperken. Uit hetgeen door de melkveehouders naar voren is gebracht blijkt dat de keuzemogelijkheid om op te zeggen met betaling van een uittreegeld van 4 % met een opzegtermijn van drie maanden, dan wel om op te zeggen zonder betaling van een uittreegeld met een opzegtermijn van twee jaar, essentieel was voor de melkveehouders. Door de nietigheid te beperken tot een gedeelte van de Y-regeling kan deze keuzemogelijkheid niet alsnog worden gecreëerd. Het beroep op toepassing van het leerstuk der partiële nietigheid dient dan ook te worden verworpen.

Conversie

3.5 Bij conversie wordt uitgegaan van de veronderstelling dat partijen een alternatieve, wel geldige rechtshandeling zouden hebben verkozen boven de nietige. Bij de beoordeling van de juistheid van deze veronderstelling gaat het niet zozeer om hetgeen partijen subjectief zouden hebben verklaard, maar om hetgeen objectief omtrent de inhoud en de strekking van de vervangende rechtshandeling moet worden aangenomen, mede aan de hand van de aard daarvan en hetgeen door de wet, de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid wordt meegebracht.

Coöperatie X heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit kan worden afgeleid welke rechtshandeling coöperatie X en de melkveehouders zouden hebben verkozen boven de nietige Y-regeling. De enige uittreeregeling die uitvoerig door partijen is besproken, en waarvan met zekerheid vaststaat dat deze volgens de Europese Commissie rechtens toelaatbaar is, is de aangepaste regeling van coöperatie Z, zoals genoemd in het Jaarverslag Mededingingsbeleid Europese Commissie 1991 (zie r.o. 1.5). Coöperatie X heeft echter tal van argumenten aangevoerd waarom deze regeling juist niet als uitgangspunt voor conversie zou moeten dienen. Wijziging in deze regeling zou bovendien illusoir zijn, nu de melkveehouders achteraf geen gebruik meer kunnen maken van de keuzemogelijkheid om op te zeggen zonder betaling van een uittreegeld, en met inachtneming van een langere opzegtermijn. Het beroep op conversie dient daarom eveneens te worden verworpen.

Verjaring

3.6 Coöperatie X heeft voorts aangevoerd dat de vorderingen van de melkveehouders zijn verjaard, althans het merendeel daarvan.

Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.

Vanaf de uitspraak van het Europese Hof d.d. 12 december 1995 in (onder andere) de zaak De B./coöperatie X dienden de melkveehouders rekening te houden met de reële mogelijkheid van nietigheid van de Y-regeling - en mitsdien met de onverschuldigdheid van de betaalde c.q. verrekende uittreegelden. Nu de onderhavige procedure is aangespannen op 29 juli 1998 is de verjaring tijdig gestuit. Het beroep op verjaring dient daarom te worden verworpen.

Wettelijke rente

3.7 Coöperatie X heeft tenslotte aangevoerd dat de wettelijke rente ten onrechte wordt gevorderd vanaf het moment van betaling c.q. verrekening. De wettelijke rente zou volgens coöperatie X eerst verschuldigd zijn nadat een schriftelijke aanmaning is verzonden, althans de dagvaarding is betekend.

Dit verweer treft doel. Een schuldenaar is in geval van niet-tijdige betaling van een geldsom wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat hij in verzuim is. In beginsel treedt het verzuim in wanneer een ingebrekestelling is uitgebracht en de daarin gestelde termijn is verlopen zonder dat de schuldenaar is nagekomen. Een ingebrekestelling is niet vereist wanneer de schuldenaar aan de schuldeiser doet weten dat hij niet of niet zonder tekortkoming zal nakomen; in dat geval treedt het verzuim in wanneer de mededeling de schuldeiser heeft bereikt. Bij brief d.d. 20 januari 1998 heeft de raadsman van coöperatie X aan de raadsvrouwe van de melkveehouders laten weten dat coöperatie X op dat moment geen enkele reden zag om het betaalde te restitueren. Deze brief kan worden aangemerkt als een mededeling aan de melkveehouders dat coöperatie X niet, althans niet binnen een redelijke termijn, zou nakomen, zodat coöperatie X in ieder geval vanaf 21 januari 1998 in verzuim was (ervan uitgaande dat de brief de raadsvrouwe van de melkveehouders op 21 januari 1998 dag heeft bereikt). Het merendeel van de melkveehouders heeft echter al vóór 21 januari 1998 een brief aan coöperatie X gezonden, waarin is verzocht tot directe restitutie van de uittreegelden (eisers sub 3, 5, 7, 8, 9, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 38, 39, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 55, 56, 57, 58, 60, 61, 65, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73 en 74) dan wel restitutie binnen 14 dagen na dagtekening van de brief (eisers sub 12, 56, 62, 63 en 74). In deze gevallen is het verzuim ingetreden zodra de in de ingebrekestelling genoemde termijn (direct, dan wel binnen 14 dagen) was verstreken.

Liquidatietarief

3.8 Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal coöperatie X veroordeeld worden de kosten van de procedure. Eerst bij pleidooi hebben de melkveehouders gevraagd - in geval van toewijzing van hun vordering - niet het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief ter vergoeding van hun kosten toe te wijzen, maar de daadwerkelijk door de melkveehouders gemaakte kosten, op te maken bij staat. De rechtbank ziet hier geen aanleiding toe. Anders dan de melkveehouders stellen gaat het hier niet om een zeer bewerkelijke zaak, noch juridisch, noch feitelijk. De juridische problematiek is reeds uitvoerig aan de orde geweest in eerdere procedures; voor wat betreft het door de melkveehouders aangevoerde argument dat het managen van een procedure voor 74 eisers extra kosten met zich zou brengen merkt de rechtbank op dat - zo dit al het geval zou zijn - daartegenover staat dat deze kosten door 74 eisers gedeeld kunnen worden.

De beslissing

De Rechtbank, rechtdoende,

veroordeelt coöperatie X om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan ieder van eisers het bedrag van de onverschuldigd betaalde/verrekende uittreegelden, vermeerderd met de wettelijke rente over de nader aan te geven periode, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten volgens het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, en wel als volgt:

aan: J.B. (...)

veroordeelt coöperatie X in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers tot op heden bepaald op fl. 7.194,71 aan verschotten en fl. 19.600,-- aan salaris procureur,

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af hetgeen anders of meer gevorderd is.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.A. Verkuyl, G. Feddes en A.B.A.P.M. Varenhorst-Ficq en uitgesproken in het openbaar op donderdag 25 november 1999

de griffier de voorzitter

coll. AV