Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA3832

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 1999/635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2000, 32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

Eiser,

wonende te woonplaats,

eiser bij dagvaarding van 27 oktober 1999,

procureur: mr. B. Peek te Arnhem,

advocaat: mr. H.S. de Lint te Amsterdam,

Rolnummer: KG 1999/635 tegen

de coöperatieve

ZUIVELCOÖPERATIE CAMPINA MELKUNIE B.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zaltbommel,

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem,

advocaat: mr. S.J. van der Voorde te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde, hierna te noemen: Campina Melkunie, ter terechtzitting in kort geding van 24 november 1999 doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Campina Melkunie heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van beide partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen de processtukken overgelegd voor het wijzen van vonnis.

2. De vaststaande feiten

2.1 Eiser is tot in 1990 aangesloten geweest bij de vereniging Melkunie Holland, de rechtsvoorgangster van Campina Melkunie. Melkunie Holland had in haar statuten een uittreeregeling opgenomen. Volgens die regeling moest bij uittreding 4% van het gemiddeld over de laatste 5 boekjaren betaalde melkgeld aan Melkunie Holland betaald worden en kon slechts worden opgezegd tegen 31 december met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. In de praktijk kwam dit neer op een opzegtermijn van negen maanden vanwege het feit dat de melkquoteringsregeling loopt van 1 april tot 1 april.

2.2 In verband met het uittreden van Eiser heeft Melkunie Holland in 1990 een bedrag van ¦ 12.553,43 verrekend met door haar aan Eiser te betalen melkgelden.

2.3 In een procedure over de uittreeregeling van Melkunie Holland tussen Campina Melkunie enerzijds en X c.s. anderzijds heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 29 april 1997 onder meer het volgende overwogen:

"De regeling gaat verder dan nodig is om de trouw van de leden aan de coöperatie tot op zekere hoogte te waarborgen, teneinde een gezonde commerciële basis voor de coöperatie te bewerkstelligen en haar continuïteit te garanderen.

In dat licht bezien acht het hof de combinatie van het uittreegeld ad 4% (op zichzelf bezien mogelijk niet exorbitant hoog, hoewel daarbij bedacht dient te worden dat het gaat om 4% van de bruto omzet in melk, en dus om een substantieel deel van de marge die de veehouder in het jaar van uittreding op zijn omzet heeft verdiend), de vrij lange opzegtermijn van 6 maanden, en de -in verband met de Beschikking Superheffing 1988 praktische belemmeringen welke inherent zijn aan opzegging tegen het einde van het boekjaar- voor de leden bezwaarlijke opzegdatum van 31 december (indien de effecten van dat laatste teniet worden gedaan doordat de veehouder kan doorleveren tot 1 april, bestaat er de facto een opzeggingstermijn van 9 maanden), dit alles in combinatie met het ontbreken van de optie om met inachtneming van een langere opzegtermijn, doch dan zonder uittreegeld te hoeven betalen, uit te treden, bezwaarlijker dan nodig is. Het hof is dus ook op inhoudelijke gronden van oordeel dat de oude Melkunie-regeling in strijd met het bepaalde bij art. 85 lid 1 is."

Het hof heeft vervolgens het vonnis van de rechtbank, waartegen het hoger beroep was ingesteld, bekrachtigd en Campina Melkunie veroordeeld om aan X cs. de destijds betaalde dan wel ingehouden uittreegelden vermeerderd met de wettelijke rente daarover (terug) te betalen.

2.4 De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Campina Melkunie tegen deze uitspraak van het hof verworpen bij arrest van 29 januari 1999.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1 Eiser vordert thans Campina Melkunie te veroordelen tot betaling van ¦ 14.436,33 (¦ 12.553,43 aan hoofdsom en ¦ 1.882,90 aan buitengerechtelijke incassokosten) vermeerderd met ¦ 9.013,38 aan wettelijke rente tot 20 augustus 1999, en vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20 augustus 1999 tot aan de dag van voldoening.

3.2 Eiser baseert zijn vordering op de stelling dat hij destijds gebonden was aan dezelfde uittreeregeling als X cs.. Nu deze regeling door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch nietig verklaard is, hetgeen door de Hoge Raad is bekrachtigd, meent Eiser recht te hebben op terugbetaling van de destijds door hem betaalde dan wel ten laste van hem ingehouden uittreegelden.

3.3 Campina Melkunie bepleit afwijzing van de vordering. Zij betoogt dat het hof en de Hoge Raad in de procedure tegen X cs. geen oordeel hebben gegeven over eventuele conversie of partiële nietigheid van de uittreeregeling. Deze kwestie is inmiddels aan de rechter voorgelegd, namelijk bij deze rechtbank in de procedure tussen Campina Melkunie en Y cs. en bij het gerechtshof te Arnhem in de procedure tussen Coberco en Z cs.. Het is daarom, aldus Campina Melkunie, nog onzeker of aan Eiser met een beroep op het arrest van het hof 's-Hertogenbosch het volledige bedrag van ¦ 12.553,43 vermeerderd met rente en kosten terugbetaald moet worden, of dat ten aanzien van Eiser (en vele anderen) een ander oordeel zal gelden.

3.4 Vooropgesteld moet worden dat de door Eiser gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan (en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is (zijn), terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling -bij afweging van de belangen van partijen- aan toewijzing niet in de weg staat.

3.5 Vast staat dat in de procedure tussen X cs. en Campina Melkunie niet aan de orde is gekomen of de uittreeregeling wellicht in aanmerking zou kunnen komen voor toepassing van conversie of voor gedeeltelijke nietigverklaring. Eiser voert terecht aan dat dit een procesrisico is dat voor rekening van Campina Melkunie komt. Dat betekent echter niet dat Eiser dus een beroep op de nietigverklaring kan doen. Eiser was immers geen partij in die procedure. Het procesrisico komt slechts voor rekening van Campina Melkunie in de verhouding met X cs.. Een derde zoals Eiser kan dat niet, althans niet zonder meer, aan Campina Melkunie tegenwerpen.

3.6 Eiser heeft niet hard gemaakt dat Campina Melkunie duidelijke toezeggingen gedaan heeft op grond waarvan Eiser dezelfde rechten zou hebben als X cs.. Evenmin is in dit verband voldoende aannemelijk geworden dat Campina Melkunie bij Eiser gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.

3.7 Het is niet uitgesloten dat een beroep op omzetting van de uittreeregeling dan wel gedeeltelijke nietigverklaring van die regeling, zodanig dat er een binnen de Europese mededingingsregelingen passende uittreeregeling ontstaat, succes zal hebben. Binnen het beperkte kader van dit kort geding kan dit echter niet nader onderzocht worden.

3.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet in hoge mate aannemelijk is dat Eiser in navolging van X cs. het volledig door hem aan -toen nog- Melkunie Holland betaalde bedrag van Campina Melkunie te vorderen heeft. Het is denkbaar dat dit door conversie of partiële nietigverklaring van de toenmalige uittreeregeling wordt omgezet in een lager bedrag. Reeds om die reden zal de vordering van Eiser worden afgewezen. Daar komt bij dat Eiser het spoedeisend belang bij zijn vordering, bezien in het licht van de betwisting door Campina Melkunie, onvoldoende gemotiveerd heeft.

3.9 Op grond van het voorgaande zal de vordering van Eiser worden afgewezen met veroordeling van Eiser in de kosten van dit kort geding.

4. De beslissing

De president

4.1 wijst de vordering af;

4.2 veroordeelt Eiser in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Campina Melkunie begroot op ¦ 1.550,= voor salaris van haar procureur en op ¦ 400,= wegens griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. J.A.Z. Hooft Graafland en in het openbaar uitgesproken op 8 december 1999 in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.M. Overkamp.