Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA3767

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-1999
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
WW 98/1526
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27, geldigheid: 1999-08-06
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 1999-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer

Bestuursrecht

Reg.nr.: WW 98/1526

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) te Amsterdam,

vertegenwoordigd door Gak Nederland BV te Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 juli 1998.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 18 februari 1998 heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 10 november 1997 blijvend geheel geweigerd.

Namens eiser is op 9 maart 1998, aangevuld bij op 27 april 1998 bij verweerder ingekomen schrijven, tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Op 27 mei 1998 heeft in het kader van de behandeling van dit bezwaar een hoorzitting in de zin van artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaatsgevonden. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mw. mr. H. Coppens, advocaat te Nijmegen.

Verweerder heeft op 28 mei 1998 nog diverse informatie ingewonnen. Bij schrijven van 17 juni 1998 is namens eiser hierop nog een reactie gegeven.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 23 juli 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering van het primaire besluit van 18 februari 1998.

Namens eiser is op 19 augustus 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna de gronden van het beroep zijn aangevuld in een aanvullend beroepschrift van 29 september 1998.

Verweerder heeft op 12 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juni 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mw. mr. Coppens voornoemd, en waar verweerder zich, zoals aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Eiser was sedert 29 april 1997 werkzaam bij X b.v. te Y. Eiser had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 januari 1998. Zijn dagelijkse werktijden waren van 8.30 uur tot 17.00 uur. De werkgever verlangde echter dat eiser in voorkomende gevallen om 7:30 of 6:30 uur zou beginnen. In november 1997 is eiser vanwege een conflict met zijn vader verhuisd van Y naar B. Omdat eiser voor vervoer naar Y afhankelijk was van openbaar vervoer was hij na zijn verhuizing niet meer in staat om eerder met zijn werkzaamheden te beginnen dan op het contractueel vastgestelde tijdstip van 8.30 uur. De werkgever accepteerde een en ander niet en stelde voor dat eiser ontslag nam. Eiser is daar niet op ingegaan en kreeg te horen dat zou worden bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou zijn beëindigd en hem werd geadviseerd een WW-uitkering aan te vragen, hetgeen eiser op 20 november 1997 heeft gedaan. Na tussenkomst van eisers raadsvrouw heeft de werkgever het salaris tot en met 31 december 1997 doorbetaald, op welke datum de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd.

Bij het primaire besluit van 18 februari 1998 heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de WW blijvend geheel geweigerd omdat eiser, gezien de feiten en omstandigheden die tot de beëindiging van de dienstbetrekking hebben bijgedragen, verwijtbaar werkloos is geworden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 18 februari 1998 gehandhaafd, zij het met wijziging van de gronden. Verweerder heeft in het bestreden besluit allereerst overwogen, dat het besluit van 18 februari 1998 op een onjuiste feitelijke grondslag berust, nu inmiddels was komen vast te staan dat eisers werkloosheid niet op 10 november 1997, maar eerst per 1 januari 1998 is ingetreden. Zoals overeengekomen op de hoorzitting van 27 mei 1998 is verweerder er om redenen van proceseconomie van uitgegaan, dat het besluit van 18 februari 1998 een weigering van WW-uitkering behelst per 1 januari 1998 vanwege verwijtbare werkloosheid.

Verweerder heeft in het betreden besluit verder nog het volgende overwogen:

"I.c. dient de vraag beantwoord te worden of de door de niet-verlenging van de arbeidsovereenkomst ontstane werkloosheid een verwijtbare is, danwel of u anderszins van de beëindiging van de dienstbetrekking een verwijt valt te maken. U had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met X over de periode 29 april 1997 t/m 31 december 1997. Deze arbeidsovereenkomst is -uiteindelijk- niet verlengd door X omdat u na uw verhuizing naar B niet meer in staat bleek in voorkomende gevallen om 6:30 uur of 7:30 uur met uw werkzaamheden te beginnen.

X heeft verklaard dat uw contract verlengd zou zijn wanneer u wel op genoemde tijdstippen met uw werkzaamheden zou hebben kunnen beginnen. Gelet op de omstandigheid dat u gedurende uw dienstverband met een zekere regelmaat overwerk diende te verrichten voorafgaande aan de overeengekomen werktijd, had u naar ons inzicht dienen te beseffen dat uw werkgever het niet lichtvaardig zou opvatten dat u feitelijk niet meer om 6:30 uur of 7:30 uur zou kunnen beginnen. Uw keuze om op een dusdanige afstand van uw werk te gaan wonen dat u niet meer voorafgaand aan de werktijd kon overwerken, is u dientengevolge naar ons inzicht -bezien vanuit een toepassing van de WW- aan te rekenen. Uw stelling dat de verlenging van het contract u niet kan worden tegengeworpen omdat X van u wenste eerder te beginnen dan de bij de arbeidsovereenkomst overeengekomen aanvangstijd van 8:30 uur, onderschrijven wij -gelet op het vorenstaande- niet. Wij zijn van oordeel dat u onder de gegeven omstandigheden door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. In een dergelijke situatie dient blijvend en geheel uitkering te worden geweigerd."

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat in elk geval gesteld moet worden dat de beëindiging van de dienstbetrekking in verband met de problematiek rond het overwerk voor eiser niet dan wel in (zeer) geringe mate voorzienbaar was en dat derhalve de blijvende gehele uitsluiting niet op zijn plaats is. Subsidiair acht eiser het besluit hem geheel van het recht op uitkering uit te sluiten onevenredig zwaar. Eiser had de niet-verlenging niet kunnen voorkomen door een bepaalde gedraging achterwege te laten; hij was genoodzaakt te verhuizen en kon op de noodzakelijke korte termijn slechts in B passende en betaalbare woonruimte vinden. Eiser is van mening dat gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval de niet- verlenging van de arbeidsovereenkomst hem niet aan te rekenen is, althans in mindere mate valt te verwijten.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 18 februari 1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De rechtbank beoordeelt het in dit geding aan de orde zijnde geschil aan de hand van de WW en de daarop rustende bepalingen, zoals geldend ten tijde hier van belang, en overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 24, eerste lid aanhef en sub b onder 3, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

In artikel 27, eerste lid, van de WW is (onder meer) bepaald dat, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 3, opgelegd, niet is nagekomen, het Lisv de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Lisv de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om verweerders standpunt te onderschrijven. Vaststaat dat eisers verhuizing niet in de weg stond aan zijn verplichting arbeid te verrichten gedurende de in de individuele arbeidsovereenkomst vastgestelde werktijden van 8.30 uur tot 17.00 uur. In deze overeenkomst, noch in de kennelijk toepasselijke CAO voor de Groothandel in Levensmiddelen, zijn voorschriften te vinden welke het verrichten van overwerk verplicht stellen. Niet is gesteld of gebleken dat tussen eiser en zijn werkgever een schriftelijke overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst waarbij afwijkende arbeidstijden of overwerk zijn vastgelegd.

Eiser heeft weliswaar toen hij nog in Y woonde regelmatig overwerk vóór aanvang van de reguliere arbeidstijd verricht, maar hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij daartoe ook rechtens gehouden was. Bovendien blijkt uit de overgelegde salarisstroken niet van een dermate groot aantal overuren dat zulks als een wezenlijk en onlosmakelijk bestanddeel van de arbeidsverhouding zou moeten worden aangemerkt.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eisers verhuizing naar B - waarvan aannemelijk, althans niet weersproken is dat deze noodzakelijk was en waardoor hij niet langer aan de wens van zijn werkgever tot het in voorkomende gevallen verrichten van overwerk vóór aanvang van zijn normale arbeidstijd kon voldoen - niet zonder meer als een verwijtbaar "eigen toedoen" als bedoeld in artikel 24, eerste lid onder b sub 3, WW kan worden aangemerkt.

Het bestreden besluit berust mitsdien op een ontoereikende motivering en is mitsdien in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser dienen te nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op f. 1420,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f. 1420,-;

bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank, postbankrekening 935462 ten name van Gerecht 533 arrondissement Arnhem;

bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ad f 55,-vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter

en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 1999,

in tegenwoordigheid van M.H.C. Bouwman als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: Coll: