Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA3700

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/3019, 98/248, 98/1809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In verschillende stukken heeft eiseres gesteld de schade te hebben geleden tengevolge van verweerders standpunt met betrekking tot de wijze waarop eiseres functioneerde en de daarop gebaseerde besluiten, hetgeen onrechtmatig is beoordeeld door de Centrale Raad van Beroep. Eiseres heeft hierdoor ernstige schade aan haar gezondheid ondervonden, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de afkeuring door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 97/3019, 98/248 en 98/1809

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A te B, eiseres,

en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te Den Haag, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 17 oktober 1997, 8 januari 1998 en 7 september 1998.

2. Feiten en procesverloop

Eiseres was sedert 1 augustus 1980 werkzaam bij verweerder in de functie van medewerkster formatiebeleid. Per 1 juni 1986 heeft verweerder eiseres benoemd als lid van de interdepartementale Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF).

Voorts heeft verweerder eiseres als formatie-adviseur verbonden aan de per 27 april 1987 ingestelde Commissie Heroverweging Functiewaardering (CHF).

Bij besluit van 27 september 1990 heeft verweerder een voorzitter en leden benoemd van de CHF, waarbij verweerder niet tot de benoeming van eiseres is overgegaan. Het (toenmalige) Ambtenarengerecht in Den Haag heeft bij zijn uitspraak van 21 maart 1991 (B-AW 1990/ 21026 en 21171) dit besluit nietig verklaard en bepaald dat het lidmaatschap van eiseres van de CHF herleeft. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 27 mei 1991 aan eiseres met ingang van 1 september 1991 eervol ontslag verleend op grond van artikel 98, lid 1, onder g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Het (voormalige) Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds heeft in zijn beslissingen van 25 januari 1993 besloten dat eiseres blijvend ongeschikt voor haar vroegere functie, voor 80% of meer algemeen invalide en niet herplaatsbaar is. Verweerder heeft daarop besloten het besluit van 27 mei 1991 in te trekken. Bij besluit van 25 maart 1993 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 april 1993 eervol ontslag verleend als bedoeld in artikel 98 lid 1 onder f van het ARAR. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend. De rechtbank in Den Haag heeft bij uitspraak van 5 januari 1994 (91/88 AW) het besluit van 27 mei 1991 nietig verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 2 februari 1995 (AW 1991/185-186 en AW 1994/104) voornoemde uitspraken van het Ambtenarengerecht en de rechtbank in Den Haag, vernietigd, voor zover betrekking hebbend op de overwegingen met betrekking tot disfunctioneren van eiseres, en de uitspraken voor het overige bevestigd.

Bij brief van 31 augustus 1995 is namens eiseres aan verweerder verzocht haar in aanmerking te brengen voor vergoeding van door verweerder veroorzaakte schade, onderverdeeld in een aantal schadeposten. Bij besluiten van 2 mei 1996 en 8 januari 1998 heeft verweerder op de namens eiseres ingediende verzoeken om schadevergoeding beslist. Verweerder heeft op de tegen voornoemde besluiten ingediende bezwaarschriften beslist bij de thans bestreden besluiten van 17 oktober 1997 en 8 januari 1998 respectievelijk 7 september 1998.

Namens eiseres heeft mr. J.M.M. Maes, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie, tegen deze besluiten beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Op vragen van de rechtbank om aanvullende gegevens heeft verweerder op 19 augustus 1999 gereageerd. Voorts heeft verweerder op 21 september 1999 nog een stuk ingediend.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 oktober 1999, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.M. Maes. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door dhr. H. in 't Veld, werkzaam als waarnemend hoofd van het cluster Werkgeverschap bij verweerder, alsmede mr. A.M. van Wijk- Paalvast, werkzaam bij Leeuwendaal advies bv.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan.

Eiseres heeft verweerder - onder meer in bovenaangehaalde brief van 31 augustus 1995 - om vergoeding van schade verzocht. In verschillende stukken heeft eiseres gesteld de schade te hebben geleden tengevolge van verweerders standpunt met betrekking tot de wijze waarop eiseres functioneerde en de daarop gebaseerde besluiten, hetgeen onrechtmatig is beoordeeld door de Centrale Raad van Beroep. Eiseres heeft hierdoor ernstige schade aan haar gezondheid ondervonden, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de afkeuring door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij veel spanningen heeft moeten ondergaan als gevolg van de langslepende beroepsprocedures.

Eiseres heeft de volgende posten gesteld, kort weergegeven:

1) aanvulling bezoldiging (voor de periode 1 augustus 1992 tot 1 april 1993) en invaliditeitspensioen (voor de periode 1 april 1993 tot de pensioengerechtigde leeftijd) tot 100%;

2) vergoeding van 66 verlofdagen (naast de reeds uitbetaalde 52 verlofdagen);

3) f. 100.000,- terzake van belemmerde carrièregroei en immateriële schadevergoeding;

4) een aanvulling teneinde pensioenrechten te garanderen;

5) de gemaakte en nog te maken medische c.q. psycho- therapeutische kosten;

6) de -nog resterende- kosten van juridische bijstand;

7) de financiële toekenning voor het in 1999 mislopen van het 25-jarig ambtsjubileum en

8) de bedragen verbonden aan de eventuele fiscale gevolgen ten aanzien van huidige en voorbije belastingjaren.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat de vordering slechts gedeeltelijk wordt toegewezen. Verweerder heeft aan eiseres een immateriële schadevergoeding toegekend ter hoogte van f 20.000,--, alsmede een bedrag van f 2.790,-- terzake van kosten van juridisch bijstand. Voor het overige heeft verweerder de vordering afgewezen.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat de Centrale Raad van Beroep omtrent de gehoudenheid van het bevoegd gezag tot vergoeding van schade die de ambtenaar vóór 1 januari 1993 heeft geleden, de volgende norm hanteert. Vereist is dat er sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden, en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komt. Voor zover het gaat om schade die een betrokkene heeft geleden op of na 1 januari 1993 hanteert de CRvB, in aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, volgens vaste jurisprudentie de norm dat voor schadevergoeding alleen dan aanleiding kan zijn indien de schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan.

Met de vernietiging van de besluiten van 27 september 1990 en van 27 mei 1991 is gegeven dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld. Op grond van de uitspraken van het Ambtenarengerecht in Den Haag en van de Centrale Raad van Beroep, staat voorts in rechte vast dat verweerder voorafgaand aan deze besluiten jegens eiseres onzorgvuldig heeft gehandeld door haar functioneren niet aan de orde te stellen, zelfs niet in de gesprekken die met eiseres en haar gemachtigde vanaf 9 april 1990 hebben plaatsgevonden. Eerst geruime tijd na de ontheffing uit haar functie bij het CHF, heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van de gestelde tekortkomingen in haar functioneren, waardoor haar de kans werd ontnomen te verbeteren of te reageren.

De rechtbank zal thans tot een inhoudelijk beoordeling overgaan van de op de onderscheidenlijke posten ingenomen standpunten van partijen. Daarbij gaat de rechtbank uit van de nummering als bovenvermeld in samenhang bezien met de besluitvorming als neergelegd in de verschillende besluiten op bezwaar van verweerder.

Ten aanzien van de punten 1 ( aanvulling op bezoldiging en invaliditeitspensioen) en 5 (vergoeding medische/psychotherapeu tische kosten) (besluit van 7 september 1998).

Verweerder heeft de vordering van eiseres op deze punten afgewezen. Daartoe heeft verweerder in de eerste plaats overwogen dat de vordering dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 39, lid 4, onder b, 44 en 45 ARAR (oud).

Naar het oordeel van verweerder is er geen sprake geweest van factoren die in verhouding tot de werkzaamheden van eiseres of de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht – objectief beschouwd - een abnormaal of excessief karakter droegen. Voorts heeft verweerder geoordeeld dat er evenmin termen aanwezig zijn om op andere titel een vergoeding toe te kennen, aangezien de gevorderde posten niet het rechtstreekse gevolg zijn van de vernietigde besluiten.

De rechtbank is, in navolging van het gestelde door eiseres in deze procedure, van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op het onrechtmatig handelen van verweerder in verband met de besluiten van 27 september 1990 en 27 mei 1991.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder zijn besluitvorming dan ook in de eerste plaats op deze vordering moeten baseren, hetgeen inhoudt dat verweerder had moeten beoordelen of en zoja in hoeverre aan de hiervoor genoemde in de jurisprudentie geformuleerde criteria omtrent een zelfstandig schadebesluit, wordt beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank zou verweerder eerst aan een toetsing aan de artikelen 39, 44 en 45 van het ARAR (oud) kunnen toekomen, indien op goede gronden dient te worden besloten dat eiseres' vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Verweerder heeft naar aanleiding van de vorderingen, voorafgaand aan de primaire besluitvorming, bij brief van 22 mei 1996 advies ingewonnen bij het Medisch Juridisch Adviesbureau van de (voormalige) Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst.

Verweerder heeft toen medisch advies gevraagd over de volgende vragen:

"1. Bestaat een schadeveroorzakend verband tussen het (nadien door de rechter nietig verklaarde) besluit van 27 september 1990 om mevrouw Israël niet meer te benoemen tot lid van de Commissie heroverweging functiewaardering en/of het (nadien door de rechter nietig verklaarde) besluit om mevrouw Israël met ingang van 1 september 1991 ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken en:

a. het feit dat zij vanaf november 1990 als gevolg van ziekte niet in staat was haar (overige) werkzaamheden te verrichten ?

b. de onkosten van mevrouw Israël voor psychologische werkzaamheden en individuele therapie bij de praktijk voor psychotherapie de Zeekant ?

2. Bestaat een schadeveroorzakend verband tussen enig handelen van het ministerie en de blijvende ongeschiktheid voor haar functie uit hoofde van ziekten of gebreken die heeft geleid tot het ontslag van mevrouw Israël met ingang van 1 april 1993 ? "

De rechtbank leidt uit de vorenaangehaalde vraagstelling af dat verweerder aanvankelijk - naar het oordeel van de rechtbank: terecht - heeft willen doen onderzoeken in hoeverre er causaliteit kan worden aangenomen tussen de ziekte van eiseres (en de daarmee gepaard gaande medische kosten) enerzijds en de vernietigde besluiten of enig handelen aan de zijde van verweerder anderzijds.

Eerst nadat het Medisch Juridisch Adviesbureau, voornoemd, aan verweerder te kennen had gegeven dat de adviesaanvrage betrekking heeft op een onderzoek als bedoeld in de artikelen 39, lid 4 onder b, 44, lid 1 en 45, lid 1 van het ARAR (oud), is verweerder klaarblijkelijk ook van deze veronderstelling uitgegaan.

Op 3 november 1997 heeft het Medisch Juridisch Adviesbureau van (thans) de Arbo Management Groep (AMG) aan verweerder geadviseerd tot toepassing van laatstvermelde bepalingen over te gaan, aangezien - kort weergegeven - in een tweetal perioden in 1987 tot 1989 en in 1991 tot datum rapportage, sprake is geweest van excessieve omstandigheden.

In het primaire besluit van 8 januari 1998 - bevestigd in het bestreden besluit van 7 september 1998 - heeft verweerder vervolgens overwogen dat het advies van het Medisch Juridisch Adviesbureau op onvoldoende gronden berust en dat een deugdelijke motivering voor de conclusie ontbreekt. Voorts heeft verweerder overwogen dat een causaal verband tussen de vernietigde besluiten van 27 september 1990 en 27 mei 1991 of enig handelen door verweerder en eiseres' blijvende ongeschiktheid wegens ziekte op grond van het advies niet is komen vast te staan. Om die reden heeft verweerder de vorderingen van eiseres afgewezen.

In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat omtrent een (medisch) causaal verband als hiervoor weergegeven, in het advies van het Medisch Juridisch Adviesbureau niet, althans niet gemotiveerd, is gerapporteerd. In dit verband acht de rechtbank niet toereikend dat de causaliteit impliciet uit het advies zou blijken, zoals door eiseres is gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank had het echter gelet op de omstandigheid dat verweerder tot het inwinnen van advies over de hiervoor weergegeven vragen was overgegaan, op zijn weg gelegen om alsnog om een nader advies te verzoeken. Door te volstaan met de constatering dat op deze vragen geen antwoord was verschaft en dus causaliteit als bovengenoemd niet is komen vast te staan, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het besluit in primo en het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Het bestreden besluit berust evenmin op een deugdelijke motivering.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit van 7 september 1998 wegens schending van artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Ten aanzien van de punten 3 (voor zover betrekking hebbend op de het uitblijven van carrièregroei), 4 (aanvulling ter garantie van pensioenrechten) en 7 (jubileumgratificatie) (besluit van 8 januari 1998).

In de eerste plaats constateert de rechtbank dat het besluit van 8 januari 1998 in mandaat is genomen door de Secretaris-Generaal namens verweerder. Nu dezelfde functionaris eveneens het primaire besluit van 2 mei 1996 in mandaat heeft genomen, levert dit strijd op met het bepaalde in artikel 10:3, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Om proceseconomische redenen acht de rechtbank het echter geraden het besluit van 8 januari 1998 tevens aan een inhoudelijk oordeel te onderwerpen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft de vorderingen op voornoemde punten afgewezen. Daartoe heeft verweerder in het bestreden besluit van 8 januari 1998 overwogen dat van excessieve omstandigheden geen sprake is geweest. Voorts heeft verweerder ook in dit besluit overwogen dat in het advies van het Medisch Juridisch Adviesbureau niet is komen vast te staan dat er sprake is van een causaal verband tussen de meermalen genoemde vernietigde besluiten en/of handelen van verweerder en de ziekte van eiseres, zodat verweerder aansprakelijkheid voor de gestelde schade in verband met het ontnemen van de carrièregroei en mogelijke pensioenschade afwijst. Deze twee gestelde schadeposten zijn het rechtstreekse gevolg van het rechtmatige ontslag op grond van artikel 98, lid 1 onder f van het ARAR, aldus verweerder. Met betrekking tot de gederfde ambtsjubileumgratificatie heeft verweerder overwogen dat hij gelet op het bepaalde in artikel 79 van het ARAR, niet tot een vergoeding overgaat.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat zij niet kan inzien in welke zin het vaststellen van het wel of niet bestaan van excessieve omstandigheden als neergelegd in de artikelen 39, 44 en 45 van het ARAR (oud) voor de beoordeling van deze vorderingen van belang kunnen zijn. Voorts overweegt de rechtbank in de lijn van het vorenoverwogene dat het op de weg van verweerder had gelegen om het Medisch Juridisch Adviesbureau om een nader advies te vragen omtrent de medische causaliteit en (vervolgens) te toetsen aan de in het vorenstaande geformuleerde normen met betrekking tot een zelfstandig schadebesluit. Het besluit van 8 januari 1998, voor zover betrekking hebbend op de vorderingen met betrekking tot de gemiste carrièregroei en eventuele pensioenschade, komt naar het oordeel van de rechtbank mitsdien eveneens wegens schending van artikel 3:2 en artikel 3:46 van het Awb voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de in 1999 mis te lopen jubileumgratificatie overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 79, lid 2 , van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar die een diensttijd heeft van 10 jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 98, lid 1, onder f van het ARAR, - naar een evenredig deel een diensttijdgratificatie wordt toegekend, maar dat dit achterwege blijft als de aanspraak op een gratificatie niet binnen een termijn van vijf jaar na de datum van het ontslag zou hebben bestaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn weigering tot het verstrekken van schadevregoeding onder verwijzing naar artikel 79 van het ARAR miskent dat eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de door haar gestelde geleden schade op grond van onrechtmatige besluiten en handelen door verweerder. Door uitsluitend onder verwijzing naar de wettelijke regeling de vordering van eiseres af te wijzen, geeft verweerder geen antwoord op de bij zelfstandig schadebesluiten bestaande vragen. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Overigens komt het, gelet op hetgeen verweerder in het hierna te behandelen besluit van 17 oktober 1997 heeft overwogen, de rechtbank voor dat verweerder het aangewezen heeft geacht de besluitvorming op dit punt te laten afhangen van het advies van het Medisch Juridisch adviesbureau.

Kennelijk heeft verweerder ten tijde van het besluit van 17 oktober 1997 ook voor dit punt wel het belang ingezien van de advisering op grond van de door verweerder aan het Medisch Juridisch Adviesbureau gestelde vragen.

Ten aanzien van de punten 2 (66 verlofdagen) , 3 (voor zover betrekking hebbend op de immateriële schadevergoeding) en 6 (kosten juridische bijstand) (besluit van 17 oktober 1997).

Verweerder heeft eiseres' vordering onder punt 2 (66 verlofdagen) niet toegewezen, nu gelet op een uitspraak van 24 april 1996 van de rechtbank in Den Haag (93/1299 AW) deze kwestie als afgerond moet worden beschouwd.

Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat gezien de situatie waarin zij aan het einde van haar actieve loopbaan was komen te verkeren en gezien haar arbeidsongeschiktheid, zij niet in de gelegenheid is geweest het verlofdagentegoed van 118, nog op te nemen. Nu het niet-opnemen in redelijkheid niet aan eiseres valt te verwijten, kan verweerder zich niet onttrekken aan een meer uitgebreide vergoeding dan thans is gedaan, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

In zijn uitspraak van 24 april 1996 heeft de rechtbank in Den Haag overwogen dat verweerder (reeds) bij het niet door eiseres bestreden besluit van 14 oktober 1993 de bereidheid had uitgesproken om tot uitbetaling van het voor eiseres geldende maximum van 52 vakantiedagen over te gaan. De rechtbank heeft het beroep van eiseres aangemerkt als uitsluitend te zijn gericht tegen een herberekening van het uit te betalen bedrag, hetgeen in het in die procedure bestreden besluit was neergelegd. De rechtbank in Den Haag heeft het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank constateert op grond van de gedingstukken dat het hiervoor geduide besluit van 14 oktober 1993 een reactie betreft op een door eiseres bij verweerder ingediende vordering om tot betaling van de volledige 118 vakantiedagen over te gaan, dit als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van het door verweerder ingetrokken besluit van 27 mei 1991. Het besluit van 14 oktober 1993 van verweerder dient volgens de rechtbank dan ook te worden gezien als een zelfstandig schadebesluit, waarin verweerder weigert eiseres' vordering toe te kennen, voor zover het 52 vakantiedagen overtreft.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden met de uitspraak van 24 april 1996 van de rechtbank in Den Haag, de beoordeling van de vordering op dit punt als afgerond dient te worden beschouwd. Uit een brief van 22 februari 1996 van eiseres aan verweerder leidt de rechtbank overigens af dat ook eiseres in de periode voorafgaand aan de uitspraak van 24 april 1996 de mening was toegedaan dat dit geschilpunt door de rechtbank van Den Haag zou worden beslecht. In die periode heeft eiseres blijkens evengenoemde brief blijkbaar nog voorstellen op dit punt gedaan (uitsluitend) als onderdeel van een totaaloplossing.

Voorts heeft verweerder aan eiseres een immateriële schadevergoeding tot een hoogte van f 20.000,-- (netto) toegekend.

Hiermee staat tussen partijen vast dat eiseres immateriële schade heeft geleden, dat voor vergoeding in aanmerking komt. Tussen partijen is echter in geschil de juistheid van de hoogte van de door verweerder toegekende immateriële schadevergoeding.

Eiseres heeft hiertoe aangevoerd dat er voldoende omstandigheden zijn aan te voeren die toekenning van een aanzienlijk hoger bedrag aan schadevergoeding rechtvaardigen.

Hiertoe heeft eiseres gesteld dat zij onnodig leed heeft ondergaan als gevolg van door verweerder uitgesproken ongefundeerde waarde-oordelen over vermeend disfunctioneren alsmede het feit dat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om haar functioneren op onderdelen aan te passen. Daarenboven heeft de bejegening van eiseres een onherroepelijke negatieve weerslag gehad op haar gezondheid.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen van degene die een (immateriële) schadevergoeding vordert, een onderbouwing verlangd kan worden van het verband van de (omvang van de) door hem of haar gestelde schade en de in rechte geconstateerde gebreken die tot de vernietiging van de bestreden besluiten hebben geleid.

In de specifieke, hiervoor reeds geschetste, omstandigheden van het onderhavige geval ziet de rechtbank echter gelet op hetgeen zij reeds ten aanzien van de besluiten van 7 september 1998 en 8 januari 1998 omtrent het door verweerder ingezette doch niet vervolgde onderzoek heeft overwogen, aanleiding aan te nemen dat het op de weg van verweerder had gelegen een inschatting te maken van de vraag of de gebreken die tot vernietiging van de meermalen genoemde besluiten hebben geleid, de oorzaak zijn geweest voor de medische ongeschiktheid van eiseres. Eerst na een inschatting hiervan - en wellicht na een inschatting in hoeverre andere factoren tot deze ongeschiktheid hebben geleid - had verweerder naar het oordeel van de rechtbank tot de bepaling van de hoogte van de toe te kennen immateriële schadevergoeding kunnen overgaan.

Gelet op het vorenoverwogene volgt de rechtbank eiseres in haar standpunt dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert, zodat het wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot punt 6 (kosten juridische bijstand) heeft verweerder besloten om naast hetgeen waartoe hij is veroordeeld door de gerechtelijke instanties, over te gaan tot een betaling van f 2.790,-- terzake van de procedure die door het Ambtenarengerecht Den Haag bij uitspraak van 21 maart 1991 is afgedaan.

Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat de schade die is opgetreden als gevolg van de vaststelling van de onrechtmatigheid van de besluiten van 27 september 1990 en 27 mei 1991 volledig dient te worden vergoed. Om die reden dienen alle kosten van deskundige juridische bijstand te worden vergoed, aldus eiseres. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat onder de gevorderde kosten dienen te worden gerekend de kosten van juridische bijstand in de geschillen tussen partijen die (uiteindelijk) hebben geleid tot de uitspraken van 21 maart 1991 en 5 januari 1994 van respectievelijk het Ambtenarengerecht en de rechtbank in Den Haag alsmede de uitspraak van 2 februari 1995 van de Centrale Raad van Beroep en voorts de kosten in de onderhavige zaken tot aan het moment dat verweerder de bestreden besluiten op bezwaar heeft genomen.

In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat de rechtbank in Den Haag in zijn uitspraak van 5 januari 1994 verweerder heeft veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van f 2.130,-- en dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 2 februari 1995 verweerder heeft veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van f 2.130,-- terzake van de gemaakte kosten in hoger beroep. Verweerder heeft deze kosten aan eiseres voldaan.

De thans voorliggende vraag is of verweerders besluit tot het daarnaast uitsluitend verstrekken van een vergoeding terzake van de proceskosten gemaakt in de procedure ten overstaan van het ambtenarengerecht in Den Haag, ter hoogte van een bedrag van f 2.790,--, de rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de vaststelling van de (omvang van de) plicht tot vergoeding van schade in het geval dat daarover moet worden geoordeeld naar aanleiding van een zelfstandig schadebesluit, naar dezelfde maatstaf dient te geschieden, als wordt gehanteerd wanneer moet worden geoordeeld over een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb (vgl. CRvB 16 juli 1998, TAR 1998/134).

In navolging van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot artikel 8:73 van de Awb, oordeelt de rechtbank dat uit het limitatieve en forfaitaire karakter van de – exclusieve - regeling van proceskostenveroordeling zoals neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt, dat voor een aanvullende vergoeding van kosten van rechtsbijstand geen plaats is. Met betrekking tot de kosten gemaakt in het kader van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van het Ambtenarengerecht in Den Haag overweegt de rechtbank in het bijzonder als volgt. Ten aanzien van vóór 1 december 1991 geëindigde gedingen dient aansluiting te worden gezocht bij de in de uitspraak van 17 december 1991 van de CRvB (gepubliceerd in TAR 1992,38) gehanteerde normen, waaraan verweerder bij de bepaling van het schadebedrag, blijkens zijn brief van 14 oktober 1993 heeft voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mitsdien terecht geen termen aanwezig geacht om over te gaan tot een volledige vergoeding van de kosten van juridische bijstand als door de gemachtigde van eiseres is verzocht.

Om dezelfde redenen als hiervoor overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder gehouden te achten tot vergoeding van de kosten van juridische bijstand in de onderhavige procedures tot het moment van het nemen van de besluiten op bezwaar, over te gaan.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat verweerders besluit met betrekking tot de vergoeding van kosten van rechtsbijstand, de rechterlijke toets kan doorstaan.

In de thans bestreden besluiten heeft verweerder geen besluit opgenomen omtrent het verzoek van eiseres tot vergoeding van belastingnadeel verbonden aan de uitbetaling van de met de vorderingen gemoeide bedragen. De rechtbank overweegt hierover - ten overvloede - dat de vraag of eiseres schade in de vorm van belastingnadeel zal lijden, thans niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Gelet op het vorenoverwogene kan thans niet worden vooruitgelopen op de vraag of en zoja wanneer eventuele belastingnadeel op enig moment manifest wordt en welke hoogte dit dan heeft.

Het vorenoverwogene houdt in dat de rechtbank van oordeel is dat de besluiten van 8 januari 1998 en 7 september 1998 in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking komen. Het besluit van 17 oktober 1997 komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het betrekking heeft op de immateriële schadevergoeding.

De rechtbank acht het aangewezen dat verweerder met inachtneming van het overwogene nieuwe besluiten neemt. De rechtbank wijst mitsdien het verzoek van eiseres af om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, lid 4, van de Awb op de door eiseres aangegeven punten zelf te voorzien. Voor een toewijzing van de vordering van eiseres om met toepassing van artikel 8:73 van de Awb over te gaan tot veroordeling ter zake van immateriële schade (tot f 50.000,- netto), vergoeding van juridische bijstand in andere procedures dan de onderhavige procedure ( tot een bedrag van f 40.000,-- excl BTW) en van het restant niet- genoten vakantiedagen (66 dagen), ziet de rechtbank gelet op het vorenoverwogene evenmin aanleiding.

Met betrekking tot eiseres` vordering op grond van artikel 8:73 van de Awb de kosten van juridische bijstand in deze procedure te vergoeden, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar inmiddels vaste jurisprudentie moeten de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene blijven. Deze kosten komen slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking. Van een bijzonder geval als hier bedoeld moet worden gesproken indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoonde, dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat de primaire besluitvorming van verweerder niet dermate ernstige gebreken als hiervoor omschreven vertoont. De rechtbank wijst deze vordering van eiseres dan ook niet toe.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op 260,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand ( drie afzonderlijke beroepschriften en verschijnen ter zitting, uitgaande van een factor 1,5 voor het gewicht van de zaken). Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.

Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen tegen de besluiten van 8 januari 1998 en 7 september 1998 gegrond en vernietigt deze besluiten;

verklaart het beroep tegen het besluit van 17 oktober 1997, voor zover betrekking hebbend op de immateriële schadevergoeding, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

verklaart het beroep tegen het besluit van 17 oktober 1997, voor zover betrekking hebbend op de (66) verlofdagen en de kosten van juridische bijstand, ongegrond; bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van ƒ 4260,-- ; wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; bepaalt voorts dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad ƒ 630,- (3 x ƒ 210,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.J. Schaap, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 1999, in tegenwoordigheid van M.H.C. Bouwman als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 15 oktober 1999

Coll: