Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA3643

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1103
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 98/1103

UITSPRAAK

in het geding tussen:

de vennootschap onder firma A-B te C, eiseres,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, vertegenwoordigd door GAK Nederland BV te Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 mei 1998.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 18 december 1997 heeft verweerder eiseres op grond van het bepaalde in artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door D verschuldigde premies, ten bedrage van f. 2.158,--, ten aanzien van de in 1994 door D aan eiseres ter beschikking gestelde werknemers.

Namens eiseres is op 22 december 1997 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 mei 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres hebben M.P. Scholten en E.F.G. Scholten, van Scholten Administratieen Belastingadviesbureau te Nijkerk, op 17 juni 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 augustus 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 maart 1999, waar eiseres is vertegenwoordigd door E.F.G. Scholten, en waar verweerder is vertegenwoordigd door mr. P.G.J. Reurings.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 18 december 1997 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat D aan eiseres werknemers ter beschikking heeft gesteld, die onder leiding of toezicht van eiseres werkzaamheden hebben verricht die tot de normale bedrijfsuitoefening van eiseres behoren.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte aansprakelijk is gesteld. Eiseres is van mening dat zij, omdat Polen niet tot de Europese Gemeenschap was toegelaten, niets te maken zou hebben met premieheffingen betreffende de sociale verzekeringen. Eiseres voert aan dat zij met D, gevestigd in Polen en kantoorhoudende te Maasdijk, een aannemingsovereenkomst had gesloten om diverse werkzaamheden in de kwekerij van eiseres te verrichten. Door D werden de werkzaamheden opgedragen aan de hiervoor opgerichte vennootschap onder firma Onderaannemingsbedrijf E te F, waarvan alle daar werkzame personen voor het geheel aansprakelijke personen waren.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 16a van de CSV is -voor zover van belangbepaald, dat wanneer een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn werkgever door deze ter beschikking is gesteld van een derde (inlener), om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, die derde hoofdelijk aansprakelijk is voor de premie, welke de werkgever (uitlener) verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door de werknemer.

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot het aansprakelijk stellen van eiseres op grond van het hiervoor weergegeven artikel 16a van de CSV. Daartoe dient sprake te zijn van het ter beschikking stellen van werknemers door de uitlener aan de inlener en leiding en/of toezicht bij de inlener.

Blijkens de "overeenkomsten van aanneming van werk", is eiseres met D overeengekomen, dat gedurende een bepaalde periode door ten minste twee personen en voor ten minste acht uren per dag bij eiseres werkzaamheden met betrekking tot het planten en onderhoud van bomen worden verricht. De daarbij overeengekomen aanneemsom bedraagt f. 0,05 per boom.

De feitelijke gang van zaken was -blijkens het door verweerder opgemaakte rapport van 9 januari 1997- als volgt. De bij D werkzame personen moesten zich bij aanvang van de werkzaamheden, welke tot de normale bedrijfsuitoefening van eiseres behoren, bij één van de firmanten van eiseres melden, waarna zij door deze firmant werden geïnstrueerd over de uit te voeren werkzaamheden. Nadien werden de werkzaamheden door de werknemers naar eigen inzicht verricht, maar bleef altijd één van de firmanten in het bedrijf aanwezig. Door de werknemers werd enkel arbeid geleverd. Ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden werd door eiseres een potmachine ter beschikking gesteld.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden, dat geen sprake is van aanneming van werk, maar van het ter beschikking stellen van werknemers. Daarbij is niet de kwalificatie die partijen aan de arbeidsverhouding hebben gegeven, maar de werkelijke aard van de verhouding tussen partijen beslissend. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat bij de inlener sprake was van leiding en/of toezicht.

Het gegeven dat de betrokken personen ingeschreven stonden als vennoot van de V.O.F. Onderaannemingsbedrijf E doet hier niet aan af. Niet gebleken is dat de betrokken personen als vennoten zijn ingeschakeld.

De grief van eiseres dat de betrokken personen niet verzekeringsplichtig waren is eerst in beroep bij de rechtbank aangevoerd. Verweerder is van mening dat een dergelijke grief reeds in bezwaar had moeten worden aangevoerd en nu dit niet is gebeurd in beroep gelet op de ex tunc toetsing buiten beschouwing moet blijven.

De rechtbank ziet geen grond om te dezen in verweerders standpunt mee te gaan. De beoordeling van de verzekeringsplicht is naar het oordeel van de rechtbank een noodzakelijke aan de aansprakelijkstelling voorafgaande beoordeling, welke verweerder in bezwaar had moeten heroverwegen.

De rechtbank zal mitsdien deze grief bij haar beoordeling van het bestreden besluit betrekken. De rechtbank onderschrijft verweerders opvatting dat de vraag of de betrokken personen verzekeringsplichtig zijn aan de hand van het Nederlands recht moet worden beantwoord nu geen sprake is van EG-onderdanen of onderdanen van niet EG-lidstaten met wie Nederland een verdrag inzake toepassing van de sociale zekerheid heeft afgesloten. Nu niet gebleken is dat D daadwerkelijk in Polen werkzaamheden verricht is de in artikel 3, vierde lid, van de desbetreffende werknemerverzekeringswetten juncto artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1999 opgenomen uitzondering op de verzekeringsplicht niet van toepassing.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het besluit van 26 mei 1998 geen doel treffen en het beroep mitsdien ongegrond is.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter,

en in het openbaar uitgesproken op 20 april 1999,

in tegenwoordigheid van mr. G.H.W. Bodt als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: Coll: