Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA1350

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/1352

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende:X

te:Z

ambtenaar:de ambtenaar van de gemeente Ommen, belast met de heffing van de gemeentelijke belastingen

aangevallen beslissing:uitspraak op bezwaar

datum WOZ-beschikking:21 februari 1997

peildatum:1 januari 1994

mondelinge behandeling:op 23 september 1999 te Arnhem door mw. mr. De Kroon, raadsheer, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier

waarbij verschenen:de ambtenaar

waarbij niet verschenen:belanghebbende noch zijn gemachtigde, zonder kennisgeving aan het Hof

gronden:

1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van het vakantiehuisje ‘a’ te Q.

2. Ingevolge artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek is een gebouw onroerend indien dit duurzaam met de grond is verenigd. Van een onroerend gebouw is ook sprake indien dit ‘naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven’ (HR 23 februari 1994, Belastingblad 1994, blz. 299 (Franekeradeel) en HR 23 februari 1994, Belastingblad 1994, blz. 301 (Vlissingen)). Hierbij is niet van belang of technisch de mogelijkheid bestaat het gebouw te verplaatsen.

3. Ook bij een geprefabriceerd gebouw dat niet in vaste verbinding staat met de grond of de fundering, kan sprake zijn van een onroerende zaak indien deze ‘naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven’ (Hof ’s-Gravenhage, 28 oktober 1994, Belastingblad 1995, blz. 82 en 28 maart 1996, Belastingblad 1996, blz. 394). Op grond hiervan alsmede de door belanghebbende overgelegde gegevens ten aanzien van zijn vakantiehuisje, stelt het Hof vast dat belanghebbendes vakantiehuisje aangemerkt dient te worden als een onroerende zaak.

4. De waarde ingevolge artikel 17, lid 2 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient derhalve geen rekening te worden gehouden met erfpacht.

5. Bij WOZ-beschikking is de waarde van belanghebbendes vakantiehuisje vastgesteld op ƒ 26.000 en de ondergrond ervan (450 m²) op ƒ 20.000. Bij uitspraak op bezwaar zijn deze waarden gehandhaafd. De ambtenaar heeft zich voor deze waarden niet gebaseerd op een taxatierapport.

6. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat b en w, bij betwisting door belanghebbende, het bewijs leveren van de juistheid van de door hen voorgestane waarde.

7. In de bezwaarfase is van de zijde van de ambtenaar geen taxatierapport overgelegd. Wel heeft de ambtenaar in die fase twee vergelijkingspanden genoemd ter ondersteuning van zijn standpunt. Eerst ter zitting bij het Hof is alsnog een taxatierapport aangeboden. Dit rapport dateert van 20 september 1999. Het Hof heeft het taxatierapport niet tot de gedingstukken gerekend nu dat eerst ter zitting is ingediend en belanghebbende daarvan geen kennis heeft kunnen nemen.

8. Belanghebbende heeft van zijn kant geen taxatierapport overgelegd. Hij baseert zijn stelling dat zijn vakantiehuisje niet vergelijkbaar is met de door de ambtenaar aangehaalde vergelijkingsobjecten op het feit dat de vergelijkingsobjecten, in tegenstelling tot belanghebbbendes vakantiehuisje, o.a. gelegen zijn in zogenaamde bungalowparken, goed bereikbaar zijn vanaf de openbare weg, over gas-, water- en elektriciteitaansluiting beschikken en geschikt zijn voor continue bewoning. Eén en ander ondersteunt belanghebbende door overgelegd fotomateriaal.

9. Belanghebbende stelt dat een reële waarde van de bosgrond gelegen is tussen ƒ 0,60 en ƒ 1, -- per m². Ter zitting heeft de ambtenaar ingestemd dat de gemiddelde waarde van onbewerkte bosgrondƒ 0,80 per m² bedraagt.

10. Het Hof is, gelet op de verschillen aangegeven onder punt 6 tussen belanghebbendes vakantiehuisje en de door de ambtenaar ter vergelijking aangevoerde onroerende zaken, van oordeel dat ten deze niet kan worden gesproken van vergelijkbare objecten.

11. Het Hof is van oordeel dat de ambtenaar met hetgeen hij aanvoert, de door hem verdedigde waarde van het vakantiehuisje (inclusief de ondergrond) onvoldoende aannemelijk maakt.

12. Gelet op voormelde gegevens, in het bijzonder de overeenstemming tussen partijen over de waarde van de bosgrond, stelt het Hof de waarde van belanghebbendes vakantiehuisje per 1 januari 1994 in goede justitie op ƒ 25.000.

slotsom:

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

Het door belanghebbende gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 80,00 moet volgens artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken door de ambtenaar worden vergoed.

beslissing:

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak van de ambtenaar en vermindert de onderhavige beschikking tot een bedrag van ƒ 25.000;

- gelast de ambtenaar te vergoeden aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 80,00.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 1999 door mw. mr. De Kroon, raadsheer, lid van de eerste enkelvoudige belas-ting-kamer, in tegen-woor-dig-heid van mw. mr. Van Hoorn als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier,Het lid van de voormelde kamer,

(E.M. van Hoorn) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 oktober 1999

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende f 150,--. Verweerder is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van f 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.