Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA1038

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 1999/523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis d.d. 3 november 1999

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

de gemeente Rozendaal, zetelende te Rozendaal,

en haar burgemeester

Hélène van Rijnbach-de Groot,

wonende te Rozendaal,

eisers bij dagvaarding van 28 september 1999,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. S.G.A. de Boer,

beiden te Arnhem,

Rolnummer: KG 1999/523

tegen

[Gedaagde], wonende te Rozendaal, gedaagde,

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn juridisch adviseur G. Schreuder.

Partijen worden hierna respectievelijk de gemeente, de burgemeester en Gedaagde genoemd.

Het verloop van de procedure

De gemeente en de burgemeester hebben Gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van de gemeente en de burgemeester en Gedaagde hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.

Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De feiten en het geschil

1.Tussen de gemeente en (haar inwoner) Gedaagde zijn problemen ontstaan die hun oorsprong vinden in een in 1991 door de gemeente aan Gedaagde toegekende subsidie in het kader van verbetering van zijn woning.

Deze subsidie is uiteindelijk ruim ¦ 17.000,-- lager uitgevallen dan de gemeente en Gedaagde hadden verwacht. Gedaagde stelt dat de gemeente hem daarvan veel te laat op de hoogte heeft gesteld en dat hij daardoor in een keten van steeds grotere financiële problemen is geraakt en tenslotte zelfs failliet is verklaard. Op grond daarvan heeft Gedaagde in 1998 bij deze rechtbank een procedure tegen de gemeente aanhangig gemaakt waarin hij een verklaring voor recht vroeg inhoudende dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 maart 1999 is deze vordering toegewezen en is tevens bepaald dat de gemeente aansprakelijk is voor de daardoor voor Gedaagde ontstane schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De gemeente heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld waarop nog niet is beslist.

De schadestaatprocedure is nog niet door Gedaagde aanhangig gemaakt.

2. Sedert omstreeks 1995/1996 richt Gedaagde zich naar aanleiding van voormelde en andere tussen hem en de gemeente spelende kwesties met grote regelmaat (vaak meerdere malen per dag) zowel telefonisch als schriftelijk (per brief en/of faxbericht) en persoonlijk tot de gemeente c.q. haar bestuursorganen en de burgemeester. Hij doet daarbij zowel verzoeken als mededelingen van velerlei aard en over verschillende onderwerpen, vaak vergezeld van een verzoek om een ontvangstbevestiging en/of binnen enkele dagen gevolgd door een rappèl. Hij stuurt tevens regelmatig afschriften van zijn brieven en faxberichten aan de fracties en/of aan de raadsleden persoonlijk.

Bij brief van 12 mei 1999 hebben B&W van de gemeente Gedaagde onder meer gesommeerd om de gemeente niet langer te belasten met zijn vele brieven en faxberichten.

Gedaagde heeft daaraan niet voldaan.

Aan hem is sedert 12 december 1997 door de gemeente in beginsel de toegang tot het gemeentehuis ontzegd.

3. De gemeente en de burgemeester stellen zich op het standpunt dat tengevolge van voormelde -onrechtmatige- handelwijze van Gedaagde een onwerkbare situatie is ontstaan, omdat het ambtelijk apparaat en het bestuur van de gemeente door de niet aflatende stroom brieven en faxen van Gedaagde op onevenredige/onaanvaardbare wijze worden belast en de werksituatie daardoor wordt verstoord. Ter staving daarvan hebben zij (afschriften van) een groot aantal door Gedaagde aan hen -met name in de periode vanaf april 1999- verzonden brieven overgelegd.

Daarnaast voert de burgemeester aan dat Gedaagde een onaanvaardbare inbreuk op haar gezinsleven veroorzaakt doordat hij regelmatig, vaak beledigende/smadelijke brieven op haar huisadres (Ringallee 68 te Rozendaal) bezorgt, haar thuis opbelt althans pogingen onderneemt haar daar te spreken te krijgen alsmede regelmatig voor haar woning op en neer rijdt en/of voor haar woning naar binnen staat te kijken.

de vorderingen

4. Op grond van het vorenstaande vordert -naar de president begrijpt- de gemeente thans Gedaagde te bevelen zich gedurende een periode van twee jaar na de betekening van dit vonnis niet vaker dan eenmaal per twee weken tot de gemeente c.q. haar organen te richten met bepaling dat hij zich alleen schriftelijk tot de gemeente mag richten behoudens schriftelijke ontheffing van dit vereiste door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, zulks versterkt met een dwangsom.

5. Daarnaast vordert -naar de president begrijpt- de burgemeester, samengevat, aan Gedaagde gedurende twee jaar na de betekening van dit vonnis een straatverbod op te leggen voor de Ringallee te Rozendaal en het gebied dat gelegen is binnen een straal van 200 meter van de ambtswoning van de burgemeester, Ringallee 68 te Rozendaal, voorzover Gedaagde zich niet bevindt op het adres waarop hij bij de gemeente staat ingeschreven, alsmede hem gedurende die periode een contactverbod op te leggen jegens de burgemeester en haar gezin en een verbod om haar en haar gezin hinderlijk te volgen, een en ander eveneens versterkt met een dwangsom.

6. Gedaagde voert tegen deze vorderingen verweer.

De beoordeling van de vorderingen

de vordering onder 4.

7. De kernvraag is of de onder 2. geschetste handelwijze van Gedaagde kan worden aangemerkt als onrechtmatige hinder van de gemeente die het door de gemeente verlangde bevel rechtvaardigt. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

Aan de gemeente moet worden toegegeven dat de handelwijze van Gedaagde hinderlijk/belastend jegens haar is. Aangenomen moet immers worden dat het ambtenarenapparaat van de gemeente door deze handelwijze op meer dan normale wijze wordt belast. Daar komt bij dat de toonzetting van de brieven van Gedaagde vaak nodeloos kwetsend is en daarom niet door de beugel kan. Een verbod van dat soort uitlatingen is echter niet door de gemeente gevorderd en die uitlatingen rechtvaardigen oplegging van het wel gevorderde verbod niet.

Bij nadere bestudering van de inhoud van de brieven van Gedaagde is gebleken dat daarin - afgezien van voormelde uitlatingen - in het algemeen geen nodeloze onzin voorkomt. Gedaagde pleegt vrijwel steeds één of meer van de tussen hem en de gemeente spelende kwesties aan de orde te stellen. Het is nu eenmaal een gegeven dat er een groot aantal geschillen tussen Gedaagde en de gemeente bestaat en in het licht daarvan valt het te begrijpen dat Gedaagde van de voortgang daarvan op de hoogte wil worden gehouden c.q. daarover met de gemeente wil corresponderen. Dat is op zich zijn goed recht.

Dat Gedaagde meer en langere brieven schrijft dan strikt nodig en deze vaak (ook) per fax verstuurt kan hem, gelet op de vrijheid van meningsuiting, in beginsel niet euvel worden geduid. De publieke functie van de gemeente brengt mee dat zij in het algemeen in staat moet zijn om de tot haar gerichte correspondentie adequaat te behandelen en te beantwoorden.

Daar komt bij dat in een bijzondere situatie als de onderhavige ook bijzondere maatregelen van de gemeente mogen worden verlangd. Ook dat vloeit voort uit haar publieke functie.

Te denken valt allereerst aan overleg met Gedaagde teneinde de wederzijdse standpunten te verduidelijken en te trachten afspraken te maken over de (verdere) behandeling van de diverse geschillen. Denkbaar is ook dat bij de beantwoording van brieven van Gedaagde (af en toe) gebruik wordt gemaakt van standaardbrieven. Ook het aantrekken/aanwijzen van een ambtenaar die speciaal wordt belast met de behandeling van de brieven van Gedaagde is een optie die niet zonder meer mag worden uitgesloten. Het voorgaande dient slechts om de gedachten te bepalen en is niet limitatief bedoeld.

Dat de gemeente reeds maatregelen als hiervoor bedoeld heeft genomen heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Bij een goede organisatie van het werk moet het - voorlopig geoordeeld - mogelijk zijn om het door de brieven van Gedaagde veroorzaakte extra werk binnen redelijke perken te houden.

Weliswaar zullen de door de gemeente te treffen maatregelen geld kosten maar dat is nu eenmaal noodzakelijkerwijs verbonden aan de uitoefening van de eerder genoemde publieke taak van de gemeente.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat thans (nog) niet gezegd kan worden dat er sprake is van onrechtmatige hinder van Gedaagde jegens de gemeente die het onder 4. omschreven bevel rechtvaardigt. De vordering van de gemeente moet dus worden afgewezen.

Mogelijk zal daaromtrent in de toekomst anders worden geoordeeld indien mocht blijken dat de gemeente ondanks door haar getroffen bijzondere maatregelen redelijkerwijs niet meer in staat is tot adequate behandeling van de brieven van Gedaagde en/of dat de daarmee gemoeide kosten in geen enkele verhouding staan tot het doel waarvoor ze moesten worden gemaakt.

De vordering onder 5.

8. Als niet althans onvoldoende weersproken staat vast dat Gedaagde enkele malen zowel schriftelijk als telefonisch contact met het privé-adres van de burgemeester heeft opgenomen en dat hij daar ook enkele malen persoonlijk aanwezig is geweest, onder andere om brieven (vaak onaangenaam/beledigend van aard) in de brievenbus van de burgemeester bij de voordeur te deponeren. Ten behoeve van dit laatste diende Gedaagde de oprijlaan van de burgemeester te betreden, hetgeen hij dan ook heeft gedaan.

Voormelde volstrekt nodeloze handelwijze van Gedaagde (het gaat immers om kwesties tussen Gedaagde en de gemeente en hij kan zijn brieven dus aan het college van burgemeester en wethouders richten en aan het gemeentehuis adresseren/versturen) levert een onrechtmatige inbreuk op het privé-leven van de burgemeester en haar gezin op en is dus ontoelaatbaar. Ook de burgemeester en haar gezin hebben recht op privacy. De gevorderde voorzieningen zijn daarom -zij het beperkt- als na te melden toewijsbaar.

Het spoedeisend belang daarbij is voldoende aangetoond en wordt in feite door Gedaagde niet betwist.

Het gevorderde "straatverbod" zal worden beperkt tot het perceel waarop het woonhuis van de burgemeester is gelegen en een verbod om zich daarvóór op te houden. Voor het daarnaast opleggen van een verbod voor de gehele Ringallee te Rozendaal - een belangrijke doorgaande weg - is voorshands geen aanleiding.

Tenslotte is er aanleiding de gevorderde dwangsom aan een maximum te binden zoals hierna zal worden bepaald.

de proceskosten

9. Aangezien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit kort geding tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

De president

1. verbiedt Gedaagde om zich gedurende een periode van twee jaar na betekening van dit vonnis te begeven en/of zich op te houden op het perceel aan de Ringallee 68 te Rozendaal, waarop zich het woonhuis van de burgemeester bevindt, of zich direct daarvoor op te houden;

2. verbiedt Gedaagde om zich gedurende een periode van twee jaar na betekening van dit vonnis schriftelijk per post, per faxbericht, door overhandiging of achterlating, per e-mail, telefonisch of mondeling, met gebaren of bandopname tot de burgemeester in privé en haar gezin te richten of haar of haar gezin hinderlijk te volgen,

3. veroordeelt Gedaagde om ingeval hij (na betekening van dit vonnis) een van bovenstaande verboden overtreedt, aan de burgemeester een dwangsom te betalen van f 500,-- per overtreding, waarbij gelijktijdige overtreding van deze verboden als één overtreding geldt, echter tot een maximum van in totaal f 15.000,--,

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

6. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. E. van Rossem en in het openbaar uitgesproken op 3 november 1999.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.