Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA1019

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1999/31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 1999, 117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Second Home B.V.,

gevestigd te Harskamp,

gemeente Ede,

eiseres,

procureur mr. P.A.J.M. Lodestijn te Arnhem,

Rolnummer: KG 1999/31

1. X,

2. Y,

beiden wonende te Maurik, gemeente Buren,

verweerders,

vrijwillig verschenen,

procureur mr. A.F.M. van Vlijmen

te Arnhem,

advocaat mr. R.G. Standhardt

te Utrecht.

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft ter terechtzitting in kort geding van 8 maart 1999 bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de (concept-)dagvaarding.

Verweerders hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De procureur van eiseres en de advocaat van verweerders hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.

Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De vaststaande feiten

a. Eiseres exploiteert het recreatiepark Houtbouwpark Rivierenland, gelegen te Maurik aan de Rijnbandijk 111,

krachtens een aan haar rechtsvoorgangster d.d. 22 mei 1991 verleende exploitatievergunning. Deze vergunning moet binnenkort worden verlengd en tot die tijd wordt de exploitatie door de gemeente Buren gedoogd.

Verweerders huren sedert 1 juni 1997 van eiseres een perceel grond op het park (kavel ..).

De -door verweerster sub 1 naar haar erkenning ter terechtzitting ondertekende- huurovereenkomst is gedateerd 2 juni 1997 en staat op naam van verweerder sub 2. De huurprijs bedraagt ? 4.000,-- per jaar. Artikel 1 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

"Deze huurovereenkomst is aangegaan voor een tijdvak van 1 jaar en wel op 1 juni 97 tot 31 december 97. Bij geen tussentijdse opzegging wordt deze huurovereenkomst automatisch verlengd voor de duur van 1 jaar onder de dan geldende voorwaarden. Indien de huurder geen verlenging van de huurovereenkomst wenst, moet hij dat uiterlijk 1 maand voor afloop van de lopende periode schriftelijk mededelen. Indien de verhuurder geen verlenging van de huurovereenkomst wenst, moet hij dat uiterlijk 2 maanden voor afloop van de lopende periode schriftelijk mededelen."

Artikel 3 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

"Het huurrecht zal uitsluitend mogen bestaan in het mogen stellen en in eigendom hebben van een mobiel rekreatieverblijf en gedurende de duur van het huurrecht mogen gebruiken overeenkomstig de bestemming van het rekreatieverblijf."

Van de huurovereenkomst maken tevens deel uit 8 Bijzondere Bepalingen en het zogenaamde Terreinreglement.

Artikel VIII Slotbepaling luidt:

"Huurder is ermee bekend dat het gehuurde uitsluitend voor recreatieve, niet permanente doeleinden is bestemd."

b. Verweerder sub 2 is (eveneens) sinds 1 juni 1997 eigenaar van een op voormeld perceel door de vorige eigenaar geplaatste dubbele (houten) chaletwoning van ongeveer 10 x 8 m, voorzien van wielen, maar in werkelijkheid steunend op een metalen chassis (waarde circa f 150.000,--). Verweerders bewonen deze chaletwoning permanent.

Verweerster sub 1 is voorzitter van de belangen-vereniging van recreanten op het park, welke vereniging is genaamd "De Rijnstroom".

c. Bij aan verweerders gerichte brief van 27 oktober 1998 heeft eiseres de huurovereenkomst per 31 december 1998 aan verweerders opgezegd. Ter toelichting wordt in die brief vermeld dat verweerders het -bij nota d.d. 28 oktober 1997 aan hen in rekening gebrachte- bedrag ad f 2.500,-- wegens (eenmalige) bijdrage infrastructuur nog steeds niet hebben betaald en dat met name verweerster sub 1, hoewel daarop meermalen aangesproken, onjuiste informatie over eiseres op het park verspreidt.

Aan verweerders is daarbij meegedeeld dat zij uiterlijk op 31 december 1998 hun chaletwoning van het door hen gehuurde kavel dienen te verwijderen en de kavel dan leeg en ontruimd dienen op te leveren.

d. Verweerders hebben aan voormeld bevel tot op heden geen gevolg gegeven, noch alsnog betaald. Zij hebben bij brief van hun advocaat d.d. 11 november 1998 aan eiseres meegedeeld dat de huuropzegging op onjuiste gronden is geschied en de nietigheid daarvan ingeroepen.

Bij dagvaarding van 5 maart 1999 heeft verweerder sub 2 bij de kantonrechter gevorderd de opzegging nietig te verklaren althans deze opzegging te vernietigen als zijnde onrechtmatig c.q. in strijd met de redelijkheid en billijkheid gedaan.

Op deze vordering is nog niet beslist.

Het geschil

1. Eiseres vordert thans, kort gezegd, de ontruiming door verweerders van het door hen op het recreatiepark gehuurde kavel, zonodig met behulp van de sterke arm.

Eiseres heeft daartoe behalve de in haar (onder c. genoemde) brief van 27 oktober 1998 genoemde redenen

aangevoerd dat verweerders in strijd met de huurovereenkomst en het Terreinreglement de chaletwoning permanent bewonen en dat verweerster sub 1 vanuit die woning diverse handelsactiviteiten met betrekking tot relatiegeschenken verricht, hetgeen in strijd is met de recreatieve bestemming van het park.

Eiseres stelt een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming te hebben, omdat tengevolge van het onrechtmatig verblijf van verweerders op het park een adequate en doeltreffende exploitatie van het park wordt gefrustreerd.

2. Verweerders voeren gemotiveerd verweer op de gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

3. Verweerders hebben er terecht op gewezen dat de huurovereenkomst een kampeerovereenkomst vormt als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d. van de Wet op de openluchtrecreatie en dat degene die een kampeermiddel plaatst of geplaatst houdt, zich ingevolge artikel 23 rechtstreeks op het reglement als bedoeld in artikel 9 kan beroepen voor zover de kampeerovereenkomst daarvan ten nadele van hem afwijkt. Volgens verweerders is het Huishoudelijk Reglement Houtbouwpark "Rivierenland Maurik" door de rechtsvoorgangster/vorige vergunninghouder bij de aanvraag tot een vergunning bij de gemeente ingediend.

Van de Recron-voorwaarden hebben zij dat niet gesteld. Daarom blijven deze laatste buiten toepassing. Eiseres heeft erop gewezen dat er sedertdien andere reglementen gehanteerd zijn. Niet is echter gesteld of gebleken dat deze latere reglementen ter completering van de vergunning van 22 mei 1991 bij/aan burgemeester en wethouders zijn ingediend/toegezonden, zoals artikel 9 verlangt. Hoewel de gemeente dit kampeerterrein gedoogt, kan dit natuurlijk niet ten nadele van de recreanten tot gevolg hebben dat aan hen de bescherming van het aan de oude vergunning verbonden reglement ontvalt. Volgens artikel 7 van dat reglement dient opzegging van de staanplaats schriftelijk te gebeuren en wel 3 maanden voor het eind van het seizoen, dat wil volgens dat reglement zeggen: voor 1 oktober.

Aan deze eisen voldoet de opzegging door eiseres van 27 oktober 1998 niet, noch qua termijn noch qua dag waartegen moest worden opgezegd. Daarom is deze opzegging voorshands ongeldig.

4. Anderzijds dient de opzegging aan artikel 6: 248 lid 2 BW getoetst te worden. Aan eiseres kan worden toegegeven dat verweerders in strijd met het Gegevensformulier nieuwe recreanten niet de eenmalige bijdrage infrastructuur ad f 2.500,-- hebben voldaan. Verweerders hebben wel betwijfeld of de aan verweerster sub 1 toegeschreven handtekening door haar gezet is, maar hebben dit niet stellig ontkend, zoals artikel 186 lid 2 Rv. vereist. Daarom wordt, mede op basis van een oppervlakkige vergelijking met de wel door haar erkende handtekeningen, voorshands geoordeeld dat verweerster sub 1 ook deze handtekening gezet heeft. Zij dient die f 2.500,-- dan ook aan eiseres te betalen, zoals zij inmiddels, zij het met een slag om de arm, heeft aangeboden.

5. Verder behoeft eiseres het in beginsel niet zonder meer te aanvaarden wanneer verweerders zonder haar toestemming ter plaatse wonen in plaats van een recreatief verblijf houden. Zo nodig kan eiseres dit in een procedure aanvechten.

Ook voor de door eiseres aangevoerde handel door verweerster sub 1 in relatiegeschenken, overigens betwist door verweerders, geldt dat eiseres al dergelijke schendingen van de overeenkomst kan tegengaan in een gerechtelijke procedure.

In het licht van het voorgaande minder ver strekkend alternatief (een procedure tot nakoming van de betaling, c.q. naleving van de regels) komt een opzegging op grond van het navolgende voorshands buitenproportioneel voor.

Het gaat niet om een aan te koppelen caravan maar om een omvangrijk en kostbaar chalet. Voor de verhuizing daarvan is tenminste een dieplader nodig en volgens verweerders een forse demontage van dak en andere onderdelen. Verweerder sub 2 is ernstig ziek. Verweerster sub 1 is voorzitter van de recrantenvereniging "De Rijnstroom" en uit dien hoofde woordvoerster voor die vereniging bij problemen/conflicten met eiseres. Het lijkt er op dat eiseres gewoon een lastige luis in de pels van haar terrein wil verwijderen.

6. Onder deze gegeven omstandigheden is het zeer wel mogelijk dat de bodemrechter deze opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar oordeelt. In ieder geval kan niet worden ingezien waarom eiseres, een professionele exploitante, die niet in dezelfde mate als verweerders persoonlijk bij dit conflict betrokken is, niet de afloop van de bodemprocedure in eerste instantie zou kunnen afwachten, hetgeen zeker geldt indien verweerders de f 2.500,-- onmiddellijk betalen en duidelijk maken de kavel niet permanent te bewonen noch van daaruit commercieel bezig te zijn.

7. Daarom wordt het gevorderde afgewezen. Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en dus in de proceskosten veroordeeld.

De beslissing

De president

weigert de gevorderde voorziening en

veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van verweerders bepaald op f 1.550,-- voor salaris en op f 400,-- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. A.W. Steeg en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters.