Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA1017

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1996/2311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 1999, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken in de zaak van

MR. X,

wonende te Kapellen (België),

eiser bij exploot van dagvaarding

van 9 december 1996,

procureur: mr. J.W. Byvanck te Nijmegen,

advocaat: mr. O.L.O. de Witt Wijnen

te Rotterdam,

Rolnummer: 1996/2311

tegen

PROF. DR Y,

wonende te [woonplaats],

gedaagde bij bovengenoemd exploot,

procureur: mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat: mr. J.L. de Wijkerslooth te 's-Gravenhage.

Partijen worden verder aangeduid als X en Y.

1. Het verloop van de procedure

Nadat X Y bij bovengenoemd exploot voor deze rechtbank heeft doen dagvaarden zijn de volgende proceshandelingen verricht:

- conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding met 9 producties;

- conclusie van antwoord met 5 producties;

- conclusie van repliek met 3 producties bij welke gelegenheid de eis is vermeerderd;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens hebben partijen de zaak door hun raadslieden doen bepleiten aan de hand van pleitnotities. Bij die gelegenheid hebben beide partijen nog bij akte stukken in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen de stukken inclusief de pleitnota's aan de rechtbank overgelegd voor vonnis.

2. De vaststaande feiten

Tegen de achtergrond van het onderhavige geschil oordeelt de rechtbank de volgende vaststaande feiten als enerzijds gesteld danwel blijkend uit de overgelegde stukken en anderzijds niet danwel onvoldoende gemotiveerd bestreden van belang.

2.1 De Parlementaire Enquetecommissie Opsporingsmethoden -ook wel aangeduid als de commissie Van Traa- heeft op 1 februari 1996 haar eindrapport aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit rapport, inclusief de daarbij behorende bijlagen, is daarna integraal gepubliceerd.

2.2 Tot die bijlagen behoort de rapportage van de onderzoeksgroep Fijnaut. Deze rapportage bestaat uit een eindrapport en zeven deelrapporten. Het eindrapport bevat de algemene neerslag van de in de deelrapporten gepresenteerde onderzoeksresultaten.

2.3 Y maakte deel uit van de onderzoeksgroep Fijnaut die een onderzoek heeft verricht naar de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

In het rapport van de commissie Van Traa staat hierover op p.15:

"Het onderzoek van de groep Fijnaut vond plaats onder verantwoordelijkheid van de commissie. Binnen die verantwoordelijkheid is het een onafhankelijk wetenschappelijk oordeel over de aard en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit. De commissie geeft in hoofdstuk 2 van dit rapport haar oordeel over de bevindingen van de onderzoeksgroep."

2.4 Y heeft -met medewerking van anderen- twee deelrapporten voor zijn rekening genomen:

- Georganiseerde criminaliteit in Nederland: de vrije beroepsbeoefenaars: advocaten, notarissen, accountants (deelrapport I) en

- Georganiseerde criminaliteit in Nederland: fraude en witwassen (deelrapport II).

2.5 Deelrapport I houdt voor zover hier van belang in:

"In dit rapport wordt een inventarisatie gemaakt van verwijtbare betrokkenheid van advocaten, notarissen en accountants bij strafbare gedragingen van de georganiseerde misdaad.

(...)

Het begrip verwijtbare betrokkenheid staat centraal in dit rapport, vandaar dat ik wil aanvangen met een omschrijving ervan. Van verwijtbare betrokkenheid van vrije-beroepsbeoefenaars bij strafbare handelingen van criminele organisaties kan in tweeërlei zin sprake zijn. Ten eerste indien een beroepsbeoefenaar in strafrechtelijke zin betrokken is bij strafbare gedragingen. (...) Hier is sprake van verwijtbare betrokkenheid in enge zin.

Daarnaast onderscheid ik verwijtbare betrokkenheid in ruime zin. Hiervan is sprake als de beroepsbeoefenaar in de uitoefening van zijn beroep niet de nodige zorgvuldigheid in acht neemt ter voorkoming van misbruik van zijn beroepsbeoefening voor criminele doeleinden. Er is dan weliswaar niet sprake van welbewust en opzettelijk meewerken aan strafbare handelingen, maar wel kan hem worden verweten dat hij had moeten of kunnen weten dat van zijn diensten misbruik werd gemaakt voor criminele doeleinden". (p.7)

"2.5 De voorvallen

2.5.1 Inleiding

Advocaten kunnen voor het karretje worden gespannen van een criminele organisatie zonder dat zij het zich bewust zijn. Onbewust en onbedoeld, dat wil zeggen: niet verwijtbaar, wordt een bijdrage geleverd aan de misdrijven die deze groepen plegen.

(...)

In de hieronder te beschrijven voorvallen is daarentegen sprake van verwijtbare betrokkenheid. De advocaat verleent hand- en spandiensten voor criminele groepen, die uiteenlopen van bewust meedoen aan strafbare activiteiten tot onzorgvuldig handelen. In het geval van onzorgvuldigheid kan de advocaat verweten worden dat hij had moeten weten dat van zijn diensten misbruik werd gemaakt voor het plegen van misdrijven.

In paragraaf 2.5.2 wordt uitleg gegeven over de geraadpleegde bronnen, in paragraaf 2.5.3 worden de vormen van betrokkenheid beschreven.

2.5.2. De bronnen

(...)

Bij het gebruiken van de bronnen werd ik met drie typen van gegevens geconfronteerd. In de eerste plaats kwam ik op basis van CID-gegevens en de gevoerde gesprekken tal van voorbeelden tegen die in de "zou-" sfeer liggen: een advocaat zou op zoek zijn naar wapens voor zijn Joegoslavische cliëntèle, een ander zou ....

Al deze soms onwaarschijnlijk klinkende gegevens die niet nader onderbouwd waren, zijn terzijde gelegd.

Van het tweede type van gegevens stond de juistheid op zichzelf niet ter discussie. Alleen konden de gegevens niet zonder meer als verwijtbare betrokkenheid geïnterpreteerd worden.

(...)

Ook dit type gegevens is buiten beschouwing gelaten. Weliswaar komt het optreden van sommige advocaten zakelijk en privé in een merkwaardig daglicht te staan, maar de gegevens bieden onvoldoende houvast om van verwijtbare betrokkenheid te kunnen spreken bij strafbare gedragingen van criminele groepen.

De voorvallen die hieronder gepresenteerd worden, zijn van het derde type. Voorzover ik kon beoordelen, zijn deze gegevens juist en is ook de interpretatie van de gegevens (in de zin van verwijtbaar handelen van de advocaat) betrekkelijk ondubbelzinnig. Dit overigens onder het voorbehoud dat in het algemeen moet worden gemaakt en in hoofdstuk III van ons eindrapport is beschreven: wij kunnen niet achter de politiebron kijken. Alle voorvallen van verwijtbare betrokkenheid waarvan ik heb kennis genomen, worden hieronder gepresenteerd". (p.18, 19 en 20)

"2.5.3. De vormen van verwijtbare betrokkenheid

Achter de beschrijving van elk voorval zal worden aangegeven uit welke bron(nen) de informatie afkomstig is en of de informatie schriftelijk (dossier) dan wel mondeling is verkregen....

De voorvallen zijn in twee hoofdcategorieën onderverdeeld".(p 20)

"Leverancier van deskundige adviezen, strategische informatie en andere relevante gegevens."(p 21)

(...)

"Bijdragen aan de afscherming van criminele activiteiten (p 24)

(...)

Aan de afscherming is nog een ander aspect verbonden: misleiding van banken, politie, handelspartners en dergelijke, doordat de advocaat, als respectabele functionaris, naar voren wordt geschoven. De betrokkenheid van de advocaat bij een bepaalde constructie geeft bijvoorbeeld vertrouwen in de goede bedoelingen van de fraudeur...

Advocaten kunnen ook betrokken zijn bij handelwijzen die niet tot de "eigenlijke" advocatenwerkzaamheden behoren. Ook in de uitoefening van deze werkzaamheden geeft de status van het beroep de gewenste uitstraling...

(...)

De aanwezigheid van een gerenommeerde advocaat in bijvoorbeeld de functie van commissaris wekt veel vertrouwen in de bonafiditeit van de onderneming

Geval 25: Onderneming X wordt geïntroduceerd op de effectenbeurs. In de daaropvolgende jaren werd het aandelenkapitaal aanzienlijk uitgebreid. Officieel ging het hierbij om uitbreidingen als gevolg van de uitoefening van personeelsopties. In feite kwamen de aandelen in handen van derden; de opties werden veel te laag verkocht aan deze derden, die met de verkoop van de verworven aandelen grote winst maakten. Het vermoeden bestaat dat op deze wijze misdaadgeld werd "gewit". Een advocaat was in die periode commissaris van de onderneming. De raad van commissarissen wordt verweten dat zij onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de omvangrijke emissies die door middel van deze personeelsopties plaatsvonden. De meeste personeelsopties werden via een personeelslid gekocht door een onderneming. Betrokkenen bij deze onderneming kenden de commissaris uit andere hoofde (bron: rapport forensische accountant, alsmede toelichting van rechercheurs Finpol en perspublikaties)."(p 25,26)

(...)

Het is niet duidelijk geworden, en dat was in dit kader ook niet van belang, wat de motieven en beweegredenen van de 29 advocaten zijn geweest om hun ambt te (laten) misbruiken. Is er sprake van argeloosheid, de zucht naar geld, chantage?(...)

2.6. Slotbeschouwing

(...)

Het is op basis van dit onderzoek niet na te gaan wat de omvang is van de verwijtbare betrokkenheid bij strafbare handelingen van criminele groepen. Mijn zoektocht naar voorvallen leverde 29 advocaten op, maar het is onduidelijk of er nog veel meer "foute" advocaten zijn." (p 27)

2.6 Deelrapport II heeft betrekking op fraude en witwassen en is opgesteld door Y en Nelen. Hoofdstuk 11.5 van dit rapport heeft als titel: "Misdaad geld witwassen via de effectenhandel". In paragraaf 11.5.1, Inleiding, is onder meer vermeld:

"Fieccom is opgericht omdat een aantal gespecialiseerde opsporingsambtenaren van mening was dat de financiële criminele activiteiten zich op een hoger niveau afspelen dan waarop de opsporing van criminele organisaties doorgaans is gericht. Dit werd ingegeven, aldus de projectleider van Fieccom, door allerlei schandalen in de financiële wereld zoals de val van BCCI en Femis en de ineenstorting van beursgenoteerde ondernemingen als Text Lite, Newtron, VHS, HCS en Ravast (Janse en Van Broek, 1995, pagina 194). De te onderzoeken werkhypothese van het Fieccom project was, anders gezegd, of illegaal verkregen opbrengsten van criminele organisaties (drugshandel) via malversaties in (onder meer) de effectenbranche hun weg vonden naar de "haute finance". Kernachtig uitgedrukt: in hoeverre wordt misdaadgeld via de effectenhandel witgewassen?

(...)

De effectenhandel lijkt op het eerste gezicht een "ideale wasserette" te zijn (Hogenboom, 1995, pagina 39). De handel biedt een aantal, hieronder nog te bespreken, mogelijkheden om beleggingswinsten te "creëren" en daarmee een legale herkomst te geven aan misdaadgeld. Bovendien brengt de aard en cultuur van het effectenbedrijf een aantal voor de witwasser belangrijke voordelen met zich mee: discretie (d.i. ondoorzichtige eigendomsverhoudingen) staat hoog in het vaandel, het is gebruikelijk om met grote geldbedragen te handelen, effecten zijn gemakkelijk verplaats- en verhandelbare waardepapieren (zie: Janse, 1994, pagina 17).

(...)

Wij hebben twee casussen uitgezocht die betrekkelijk veel inzicht bieden in de mogelijkheden die de effectenhandel biedt om misdaadgeld wit te wassen. In beide gevallen wordt er vermoedelijk drugsgeld witgewassen, waardoor er als het ware een link wordt gelegd tussen de wereld van de criminele "grondfeiten" en de "haute finance".

De bedoelde casussen worden in de paragrafen 11.5.2 en 11.5.3 van het rapport besproken.

2.7 De in paragraaf 11.5.3 van deelrapport II besproken casus sluit aan bij geval 25 zoals besproken in deelrapport I. Het betreft de in paragraaf 11.5.1 van deelrapport II genoemde onderneming Text Lite.

2.8 Paragraaf 11.5.3 van deelrapport II houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

" Midden jaren tachtig wordt een nieuw fonds geïntroduceerd op de Amsterdamse effectenbeurs. Na een vliegende start op de beurs, gaat het snel bergafwaarts met de onderneming. Er volgt reeds na enkele jaren een faillissement, waarbij een schuld van enige tientallen miljoenen guldens wordt achtergelaten. Gedupeerde beleggers hebben de ondernemingskamer bewogen tot het doen van onderzoek naar de achtergronden van het faillissement.

Op verzoek van de Ondernemingskamer is door een accountant onderzoek verricht naar deze achtergronden. Hoewel de voormalige commissarissen van de onderneming de juistheid van het rapport op een aantal onderdelen bekritiseerd hebben, zullen wij ons toch baseren op de bevindingen van deze externe deskundige. Daarnaast is gebruik gemaakt van enkele rapportages en losse gegevens die bij de politie bekend waren en van de berichtgeving in de pers.

Bij de bespreking van deze zaak past een belangrijk voorbehoud, dat wij overigens ook al eerder op andere plaatsen in de deelrapporten over andere kwesties maakten. Hetzij nogmaals gezegd: wij kunnen hier geen "harde" feiten presenteren, alleen plausibele interpretaties van de feiten.

Een voorbeeld hiervan betreft het startkapitaal van de onderneming.

Gesuggereerd wordt dat de bekende drugshandelaar Bruinsma miljoenen guldens als startkapitaal heeft geleverd. Maar duidelijke aanwijzingen die deze suggesties kunnen schragen, zijn er niet.

Over de beursgang en al wat daar verder volgt, kan veel worden geschreven. Wij richten ons in dit kader op de beschrijving van de bestaande vermoedens dat het beursfonds mede is gebruikt om misdaadgeld wit te wassen.

Veelbelovende onderneming of opgepoetst beursfonds? Anders geformuleerd: gesteld dat Bruinsma kapitaal in de onderneming heeft gestoken, was dit dan bedoeld als een serieuze investering in een bonafide bedrijf of als opmaat voor illegale handelingen met het bonafide ogende bedrijf? Een feit is dat er bij de beursgang geen nieuwe aandelen uitgegeven worden, maar de oude aandelen die in het bezit zijn van enkele oprichters worden verkocht. Hiermee komt de agio1 derhalve niet ten goede aan de onderneming maar aan de oprichters.2

Opgepoetst? De bij de emissie uitgebrachte prospectus voorspelt een ongebrijdelde groei en winst, wat reeds in 1986 wordt gelogenstraft als de winst aanzienlijk lager uitvalt dan verwacht en er een verlies van enkele miljoenen guldens wordt geleden. In de daarop volgende jaren nemen de verliezen in omvang toe tot aan het faillissement. Het staat vast dat de balans wordt opgepoetst om de verliezen deels nog te maskeren. Er wordt bijvoorbeeld een grote order in de jaarrekening verwerkt, zonder dat op dat moment met enige zekerheid vaststaat dat die order ook daadwerkelijk door zou gaan. Dit is ook nooit gebeurd. De leiding van de onderneming weet het eigen vermogen op peil te houden door op grote schaal personeelsopties uit te geven. Op de uitgifte van deze personeelsopties gaan we dieper in.

Wat zijn personeelsopties? Deze opties -toegekend aan personeel of bestuur van een onderneming- geven het recht om aandelen tegen van tevoren vastgestelde prijs te kopen. Indien deze prijs lager ligt dan de beurskoers of wanneer de aandelen later in prijs stijgen, kan men door het uitoefenen van het optierecht de verkregen aandelen direct met winst verkopen. In deze winst zit het beloningsaspect van personeelsopties. Het bedrijf kon personeelsopties verlenen nadat de Raad van Commissarissen aantallen en uitoefenprijzen3 had vastgesteld. Bij uitgifte van nieuwe aandelen is het gebruikelijk dat oude aandeelhouders een voorkeursrecht krijgen, omdat aan een nieuwe uitgifte nadelen verbonden zijn; onder andere gaat er een prijsdrukkend effect van uit. Bij personeelsopties geldt dit voorkeursrecht echter niet.

Van de mogelijkheid om personeelsopties uit te brengen heeft de bedrijfsleiding op zeer grote schaal gebruik gemaakt. Van alle nieuwe aandelen die na de beursgang zijn uitgebracht (per saldo een verdubbeling ten opzichte van de aandelen bij de beursgang), is 80 % in het kader van de personeelsopties uitgebracht. De overige aandelen zijn bij een onderhandse emissie uitgebracht4.

Vast is komen te staan dat de aandelen beneden de door de Raad van Commissarissen geautoriseerde koers werden verkocht, waardoor het bedrijf ruim vier miljoen gulden misliep. Indien de aandelen tegen de op het moment van optieverlening geldende beurskoersen gewoon op de beurs zouden zijn gekocht, zou het bedrijf ongeveer zes miljoen gulden meer hebben kunnen incasseren.

Het is ook vast komen te staan dat de overgrote meerderheid van de personeelsopties niet door bestuurders of door het personeel zijn uitgeoefend. De bestuurders verkochten hun opties namelijk door aan enkele derden, waaronder een beleggingsmaatschappij die voor ettelijke miljoenen guldens profijt trok uit de opties.

Waarom werden door de leiding van de onderneming personeelsopties aan derden verstrekt? Hier komen wij op een punt waarop de feiten geen "feiten" meer zijn en uiteenlopende interpretaties en gissingen de ronde doen. Een naar onze mening plausibele interpretatie is dat de personeelsopties zijn misbruikt om geld wit te wassen. De constructie zou er in hoofdlijnen als volgt hebben uitgezien. Het bestuur van de onderneming verkoopt in de vorm van personeelsopties officieel onder de prijs (beurskoers) aan de derde. Deze derde zuivert het verschil tussen aankoopprijs en beurskoers aan, door "onder de tafel" door te betalen aan de leiding van de onderneming. In schema (de bedragen zijn fictief):

(...)

Het nettoresultaat: de bestuurders van het bedrijf incasseren persoonlijk de winst van de opties, zij het dat deze winst (zwart) is, dus vooralsnog beperkt besteedbaar. De derde maakt niet feitelijk, maar wel gefingeerd winst. Deze winst (in casu ettelijke miljoenen guldens) geeft een legale herkomst aan misdaadgeld.

Deze interpretatie is om twee redenen plausibel. In de eerste plaats maakt het begrijpelijk waarom de leiding van het bedrijf tegen het bedrijfsbelang in personeelsopties aan derden verstrekt. Waarom zou een bestuurder anders derden hebben laten profiteren van personeelsopties? In de tweede plaats blijken de actoren in het spel onderdeel van een zelfde relatie netwerk te zijn: zij hebben uit andere hoofde contact met elkaar. De beleggingsmaatschappij zou later worden genoemd bij een groot strafrechtelijk onderzoek. Hoe hachelijk het wellicht ook is hieraan al te veel conclusies te verbinden, het netwerk schiep in elk geval de gelegenheid om wit te wassen."

2.9 De onderzoeksgroep Fijnaut heeft in het kader van het door haar te verrichten onderzoek afspraken gemaakt met de parlementaire enquêtecommissie. Hiertoe behoorde o.m. de volgende afspraak:

"In de onderzoeksrapportage zullen verstrekte persoonsgegevens niet herleid kunnen worden tot individuele personen". (p.165, bijlage 2 van het rapport)

2.10 Na publicatie van het rapport van de Commissie van Traa verscheen in de Telegraaf van 23 februari 1996 een artikel met als kop:

" Mr. X woedend op enquêtecommissie

Oranje-advocaat op zwarte lijst rapport-Van Traa".

Uit dit artikel blijkt dat de betreffende journalisten uit het rapport hebben kunnen afleiden dat in de gevalsomschrijving nummer 25 in deelrapport I, X wordt bedoeld alsmede dat dit geval samenhangt met de casus als omschreven in paragraaf 11.5.3 en dat aldaar Text Lite N.V. wordt bedoeld. Ook in een artikel in De Groene Amsterdammer van 13 maart 1996 wordt uit het rapport van de Commissie van Traa afgeleid dat in gevalsomschrijving 25 X wordt bedoeld en wordt dit geval in relatie gebracht met Text Lite en de in paragraaf 11.5.3 besproken casus.

2.11 In een brief van 27 februari 1996 wordt Y namens X aansprakelijk gesteld en wordt Y tot uiterlijk vrijdag 1 maart a.s. te 16.00 uur de gelegenheid gegeven om een perscommuniqué uit te geven met een afschrift aan de toenmalige raadsvrouwe van X, waarin moet worden vermeld dat geval 25 niet in het rapport had mogen worden geplaatst alsmede dat Y aan X zijn verontschuldigingen aanbiedt. Een brief met een vergelijkbare inhoud is toen verzonden aan de Parlementaire Enquêtecommissie.

2.12 In haar brief van 1 maart 1996 bericht de Parlementaire Enquêtecommissie, mede namens Y, aan die raadsvrouwe, dat zij niet op het bovengenoemde verzoek kunnen ingaan.

2.13 Op 19 maart 1996 heeft de huidige raadsman van X een gesprek gehad met de voorzitter en de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie. Tijdens dit gesprek heeft de commissie toegezegd nogmaals te zullen bekijken of er redenen zijn geval 25 te heroverwegen. In een brief van 10 april 1996 schrijft de Parlementaire Enquêtecommissie dat zij die reden niet gevonden heeft. In deze brief schrijft de commissie voorts dat zij, gezien de in het rapport gehanteerde definitie van het begrip "verwijtbare betrokkenheid", geen reden ziet om geval 25 alsnog uit de betreffende opsomming te doen laten vervallen. Zij schrijft voorts:

"met betrekking tot de herkenbaarheid is de commissie van opvatting dat deze niet zozeer wordt veroorzaakt door de beschrijving in het rapport van de commissie, alswel door (pers)publicaties die er vóór het verschijnen van het enquêterapport al zijn geweest over de diverse beschreven gevallen".

3. De vordering

3.1 X vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1.voor recht zal verklaren dat Y jegens X onrechtmatig heeft gehandeld door het in de dagvaarding beschreven geval 25 op te nemen in zijn rapportage aan de commissie Van Traa (de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden);

2.Y zal veroordelen om aan X te betalen de schade welke X lijdt en nog zal lijden ten gevolge van voornoemde onrechtmatige daad van Y, welke schade thans door X begroot wordt op ? . 1.200.000,--, in welk bedrag is begrepen ? . 1.000.000.,-- ten titel van immateriële schadevergoeding en ? . 200.000,-- ten titel van materiële schadevergoeding, (althans het bedrag dat de rechtbank in goede justitie rechtvaardig zal achten), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 december 1996;

3.Y zal veroordelen tot betaling aan X van de buitengerechtelijke kosten ad ? . 10.000,-- alsmede van de kosten van dit geding.

3.4 Y heeft de vordering gemotiveerd bestreden. Zijn verweer houdt -kort gezegd- in dat hij ontkent dat er sprake is van onzorgvuldig handelen ten opzichte van X alsmede dat het onderzoek is verricht in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethode en dat daardoor dit verslag valt onder het bereik van artikel 71 Grondwet. Y doet een beroep op het bepaalde in dat artikel. Vervolgens ontkent Y dat X als gevolg van publicatie van het rapport enige relevante schade heeft geleden.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 In deze procedure staat tussen partijen vast dat het in deelrapport I omschreven geval 25 betrekking heeft op Text Lite NV en dat met de daar genoemde commissaris X wordt bedoeld. Eveneens staat vast dat geval 25 wordt bedoeld in de sub 2.8 beschreven casus uit deelrapport II, paragraaf 11.5.3. De conclusies die door de journalisten op basis van het rapport van de commissie Van Traa zijn getrokken in de sub 2.10 genoemde berichten in De Telegraaf en de Groene Amsterdammer hebben zij ook op basis van deze deelrapporten kunnen trekken.

4.2 Geval 25 is volgens het rapport gebaseerd op het derde type gegevens betreffende gevallen waarin sprake is van verwijtbaar handelen van de advocaat, i.c. X. Over dit derde type is door Van der Bunt in het rapport onder meer opgenomen: "Voorzover ik kon beoordelen, zijn deze gegevens juist en is ook de interpretatie van de gegevens (in de zin van verwijtbaar handelen van de advocaat ) betrekkelijk ondubbelzinnig." Zie sub 2.5, p.3. Tot dit derde type behoren dus voorvallen die buiten de "zou-" sfeer liggen en waarvan de gegevens -volgens Y- geïnterpreteerd kunnen worden als verwijtbare betrokkenheid. Aldus, zo begrijpt de rechtbank de in het rapport gemaakte selectie van gevallen, gaat het hier -geval 25- om een duidelijk geval van verwijtbaar handelen (verwijtbare betrokkenheid in ruime zin zie sub 2.5, p.2-3). In paragraaf 2.6 -Slotbeschouwing- van deelrapport I worden de betreffende advocaten uit de 29 beschreven gevallen getypeerd als "foute" advocaten; in paragraaf 2.5.3 wordt over deze 29 advocaten geschreven dat zij hun ambt hebben misbruikt c.q. hebben laten misbruiken. Aldus wordt X getypeerd als een "foute" advocaat die zijn ambt heeft misbruikt cq heeft laten misbruiken doordat hij verwijtbaar betrokken is geweest bij criminele activiteiten van de georganiseerde misdaad.

4.3 Bij de beschrijving van geval 25 wordt het vermoeden uitgesproken dat bij de daar beschreven uitoefening van personeelsopties misdaadgeld werd gewit. In deelrapport II wordt het in geval 25 uitgesproken vermoeden van witwassen nader uitgewerkt in paragraaf 11.5.3 : "Veelbelovende onderneming of opgepoetst beursfonds?" zonder dat daarbij wordt aangegeven dat het hier om hetzelfde geval gaat als geval 25 uit deelrapport I. Zie boven sub 2.6.

4.4 In de Text Lite-affaire -geval 25- is een accountantsonderzoek verricht naar aanleiding waarvan de Ondernemingskamer heeft uitgesproken dat X als commissaris tekort is geschoten in zijn toezichthoudende functie. In het rapport wordt o.a. melding gemaakt van onregelmatigheden bij de uitgifte van personeelsopties. In het desbetreffende onderzoeksrapport en de beschikking van de Ondernemingskamer wordt op geen enkele wijze een relatie gelegd met eventuele witwaspraktijken van drugsgelden of andere criminele activiteiten van de georganiseerde misdaad. Het vermoeden waarover in geval 25 wordt gesproken - dat op deze wijze misdaadgeld werd "gewit"- kan dan ook in redelijkheid niet op bedoeld accountantsrapport steunen. In zijn rapportage noemt Van der Bunt verder als bron: toelichting rechercheurs Finpol en perspublikaties. Deze bronnen worden in het rapport noch in de overige gedingstukken nader toegelicht. Van de zijde van Y is ook niet aangeboden deze bronnen nader toe te lichten. De rechtbank merkt hierbij op dat niet is gesteld of gebleken dat naar aanleiding van deze vermoedens een nader strafrechtelijk onderzoek is ingesteld welke tot een vervolging heeft geleid.

4.5 In deelrapport II, paragraaf 11.5.3, wordt in de tweede casus geval 25 nader uitgewerkt zonder dat daarbij met zoveel woorden naar geval 25 uit deelrapport I wordt verwezen. De beschrijving van geval 25 en de beschrijving van deze tweede casus sluiten echter zo nauw op elkaar aan dat het voor de lezer van het rapport duidelijk is, althans moet zijn dat het hier om het zelfde geval gaat. Bij deze nadere uitwerking is weer gebruik gemaakt van het eerder genoemde accountantsrapport alsmede van enkele rapportages en losse gegevens die bij de politie bekend waren en van de berichtgeving in de pers. Om welke nadere rapportages, losse gegevens en berichtgevingen het hier gaat wordt in het rapport noch in de gedingstukken nader toegelicht. Van de zijde van Y is ook niet aangeboden deze bronnen nader toe te lichten.

4.6 In de uitwerking van geval 25 schrijft Y: "Gesuggereerd wordt dat de bekende drugshandelaar Bruinsma miljoenen guldens als startkapitaal heeft geleverd. Maar duidelijke aanwijzingen die deze suggesties kunnen schragen, zijn er niet". Zie sub 2.8., p.6. De rechtbank verstaat dit aldus dat voor de bedoelde suggesties naar het oordeel van Y geen objectieve aanknopingspunten voorhanden zijn. Even verder wordt in het rapport geschreven: "gesteld dat Bruinsma kapitaal in de onderneming heeft gestoken...". Tegen de achtergrond van de eerder geformuleerde suggesties waarvoor geen duidelijke aanwijzingen waren kan het hier derhalve alleen gaan om een hypothetische stelling. Vervolgens wordt de uitgifte van personeelsopties beschreven. Vast is komen te staan dat deze personeelsopties zijn verkocht beneden de door de Raad van Commissarissen geautoriseerde koers alsmede dat de overgrote meerderheid van deze opties niet door de bestuurders of door het personeel zijn uitgeoefend. Vervolgens schrijft Y: "Waarom werden door de leiding van de onderneming personeelsopties aan derden verstrekt? Hier komen wij op een punt waarop de feiten geen "feiten" meer zijn en uiteenlopende interpretaties en gissingen de ronde doen. Een naar onze mening plausibele interpretatie is dat de personeelsopties zijn misbruikt om geld wit te wassen." De invulling die hier wordt gegeven is niet gebaseerd op feiten. Het betreft hier derhalve een hypothetische invulling.

4.7 De conclusie van het bovenstaande is dat in aanvang geval 25 wordt gepresenteerd als een voorval dat buiten de "zou-"sfeer ligt waarna vervolgens het geval wordt ingevuld als zou het hier gaan om het witwassen van gelden terwijl daarbij ook wordt aangegeven dat deze interpretatie niet op feiten kan worden gebaseerd. Aldus wordt aangevangen met een reëel voorval om vervolgens het voorval hypothetisch in te vullen. In deze procedure is niet aan de orde of een dergelijke methode wetenschappelijk verantwoord is. In deze procedure gaat het om de vraag of op deze wijze voldoende aanwijzingen kunnen worden gevonden die rechtvaardigen dat de in geval 25 bedoelde commissaris -X- verwijtbaar betrokken is geweest bij criminele activiteiten van de georganiseerde misdaad, dat hij kan worden getypeerd als "foute" advocaat en dat hij zijn ambt heeft misbruikt cq heeft laten misbruiken. De rechtbank is van oordeel dat de resultaten van het door Y verrichte onderzoek deze conclusie niet kunnen dragen. De vraag is dan of Y daarmee onrechtmatig ten opzichte van X heeft gehandeld.

4.8 Boven is reeds vastgesteld dat journalisten op basis van het rapport van de Commissie van Traa de identiteit van de in geval 25 bedoelde advocaat hebben kunnen achterhalen. Dit is ongetwijfeld mede veroorzaakt doordat in het rapport Text Lite NV met zoveel woorden wordt genoemd -buiten het kader van geval 25- en de omstandigheid dat deze affaire en de betreffende uitspraak van de ondernemingskamer in de pers uitvoerig is besproken. Y heeft er zelf voor gekozen om in zijn rapportage Text Lite NV te noemen. Met de publikaties rondom Text Lite NV en de betreffende uitspraak van de ondernemingskamer was hij bekend althans behoorde hij bekend te zijn, zodat hij daarmee bij het opstellen van zijn rapport rekening had behoren te houden tegen de achtergrond van de afspraak met de parlementaire enquêtecommissie dat de in de onderzoeksrapportage verstrekte persoonsgegevens niet herleid zullen kunnen worden tot individuele personen. Zie sub 2.9. Deze afspraak is -zo moet achteraf worden vastgesteld- door Y in zijn rapportage onvoldoende bewaakt terwijl juist bij de door hem gehanteerde methode van gevalsstudie en in het bijzonder de riskante wijze waarop hij geval 25 nader heeft ingevuld -zie sub 4.6 en 4.7- van hem als professioneel onderzoeker verwacht mocht worden dat hij op dit punt uiterst zorgvuldig te werk zou gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat journalisten de identiteit van de in geval 25 bedoelde commissaris hebben kunnen achterhalen aan Y kan worden toegerekend. In samenhang met hetgeen onder 4.7 is overwogen -kort gezegd: de onderzoeksresultaten kunnen niet de conclusie rechtvaardigen dat X verwijtbaar betrokken is geweest bij criminele activiteiten- komt de rechtbank tot haar oordeel dat Y onzorgvuldig en dus onrechtmatig heeft gehandeld jegens X.

4.9 Y voert als verweer ook aan dat hij het onderzoek heeft verricht in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en dat dit meebrengt dat hij niet aansprakelijk is voor zijn bijdrage aan de betreffende deelrapporten. De rechtbank verwerpt dit verweer. Een dergelijke afspraak raakt weliswaar de verhouding Y - enquêtecommissie en kan eventueel meebrengen dat de opdrachtgever Y moet vrijwaren, maar zo'n afspraak kan in beginsel niet tegen derden -i.c. X- worden tegengeworpen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld noch gebleken waaruit zou kunnen voortvloeien dat in casu van dit beginsel moet worden afgeweken.

4.10 Y beroept zich voorts rechtstreeks op het bepaalde in artikel 71 Grondwet. Dat artikel handelt over de vrijheid van woord en geschrift tijdens een parlementaire vergadering voor parlementariërs, ministers, staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging. Y valt echter niet onder de kring van de daar genoemde immuniteitsgerechtigden, zodat reeds daarom een rechtstreeks beroep op artikel 71 Grondwet moet worden verworpen. Y is immers geen minister, noch staatssecretaris en evenmin lid van de Staten Generaal. Y heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij valt onder de categorie "andere personen die deelnemen aan de beraadslagingen". Voor wat deze laatste groep van personen betreft geldt immuniteit slechts voor hen die door een minister of kamer(lid) zijn aangewezen om aan de beraadslagingen -in enge zin- deel te nemen en die door de in artikel 71 Grondwet bedoelde vergadering kunnen worden gecorrigeerd, voor zover daartoe middelen beschikbaar zijn. Dat hij het onderzoek heeft verricht in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de enquêtecommissie doet daaraan niet af en kan ook niet meebrengen dat aan hem een van artikel 71 Grondwet afgeleide immuniteit toekomt. Genoemde afspraak laat de eigen verantwoordelijkheid van Y ten opzichte van derden -zie sub 4.9- onverlet hetgeen tevens meebrengt dat hij ook niet kan "profiteren" van de bijzondere positie -immuniteit- van de enquêtecommissie. Voorstelbaar is dat in verband met de wijze waarop in de huidige tijd een parlementaire enquête wordt uitgevoerd - vaak wordt gebruik gemaakt van externe deskundigen en van door deze deskundigen opgestelde rapporten- de reikwijdte van de in artikel 71 Grondwet geregelde immuniteit nadere overweging behoeft, maar het gaat de rechtsvormende taak van de rechter ver te buiten om aan een dergelijke uitzonderingsbepaling, welke onderdeel vormt van een uitgebalanceerd parlementair systeem, buiten de wetgever om een ruimere betekenis te geven dan uit de tekst, in samenhang met de -vrij recente- parlementaire geschiedenis onmiddellijk volgt.

4.11 Uit het bovenstaande volgt dat Y ten opzichte van X aansprakelijk is voor de schade die X ten gevolge van het onzorgvuldig handelen van Y heeft geleden.

4.12 X vordert materiële en immateriële schadevergoeding alsmede vergoeding van de buitengerechtelijke en de gerechtelijke kosten.

Materiële schade

X vordert F. 200.000,-- schade en stelt daartoe dat hij tengevolge van de publicatie van geval 25 2 commissariaten vroegtijdig heeft moeten beëindigen. Y bestrijdt dit gemotiveerd, zodat X die stelling zal moeten bewijzen alsmede de stelling dat deze commissariaten jaarlijks totaal F. 39.500,-- genereerden.

Immateriële schade

X vordert na vermeerdering van eis F. 1.000.000,--. Uit hetgeen boven is overwogen volgt dat X door het handelen van Y is geschaad in zijn eer en goede naam als bedoeld in artikel 6: 106 lid 1 sub b BW zodat hij aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding. Bij de toekenning van deze vergoeding naar billijkheid zal de rechtbank rekening houden met de positie van X -voor zijn functioneren als advocaat en commissaris waarvan op het moment van publicatie nog sprake was, is het hebben van een goede naam essentieel- alsmede de aard van de in het rapport geuite beschuldigingen. De rechtbank zal deze schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op F. 150.000,-. De beslissing daarover alsmede de gevraagde verklaring voor recht zal worden gegeven als ook op de andere punten een beslissing kan worden gegeven.

Buitengerechtelijke kosten

De omvang van de buitengerechtelijke kosten zijn door Y niet bestreden zodat ook dit onderdeel van de vordering voor toewijzing vatbaar is.

4.13 X zal eerst in de gelegenheid worden gesteld het hierboven bedoelde bewijs te leveren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

5.1 Laat X toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat hij tengevolge van de boven bedoelde publicatie 2 commissariaten vroegtijdig heeft moeten beëindigen en dat deze commissariaten jaarlijks totaal F. 39.500,-- genereerden.

5.2 Bepaalt dat voor zover X dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getuigen gehoord zullen worden in het gebouw van deze rechtbank, Walburgstraat 2-4 te Arnhem, door mr. H. Wammes als rechter-commissaris op een door de rechtbank vast te stellen datum (een vrijdag) en tijd.

5.3 Verwijst de zaak naar de derde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhinderdagen in de maanden augustus, september en oktober, alsmede die van de partijen en hun advocaten, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald.

5.4 Bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde dag en uur behoudens dringende redenen niet zal worden gewijzigd.

5.5 Verstaat dat bij gebreke van de gevraagde getuigen-opgave geen gelegenheid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen.

5.6 Verwijst in dat geval de zaak naar de zevende rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden enquête aan de zijde van X, of voor het overleggen van de stukken voor vonnis.

5.7 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.A. van Steenbeek, H. Wammes en P.K. van Riemsdijk en uitgesproken in het openbaar op donderdag 1 april 1999.