Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA1012

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1999/336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis d.d. 23 juni 1999

Rolnummer: KG 1999/336

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS Railinfrabeheer B.V.,

zetelende te Utrecht,

eiseres bij dagvaarding van 15 juni 1999,

procureur mr. B. Peek

te Arnhem,

advocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. I.P.A. van Heijst te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Railinfrabeheer heeft [gedaagden 1 en 2]. ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

De advocaat van Railinfrabeheer en de procureur van [gedaagden 1 en 2]. hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De president heeft, na een schorsing van de zitting en nadat de partijen hebben aangegeven dat een minnelijke regeling niet tot stand is gekomen, direct uitspraak gedaan onder de mededeling dat de motivering van die uitspraak eerst op 30 juni 1999 volledig op schrift zal worden gesteld.

De vaststaande feiten

1.1. [Gedaagden 1 en 2] zijn sedert lange tijd eigenaren van (onder meer) een perceel grond in de gemeente Groessen en Loo, gelegen in de uiterwaarden van het Pannerdensch kanaal, kadastraal bekend onder nr. D 257 (hierna het perceel). Het perceel is 5.14.40 ha. groot en bestaat uit weiland en moerasbos.

1.2. In de loop van de tijd zijn op het perceel diverse poelen ontstaan die zich hebben ontwikkeld tot leefgebied (biotoop) van onder meer de kamsalamander (tritus cristatus) en de rugstreeppad (bufo calamita). Deze amfibieën staan op de lijst van streng beschermde diersoorten (bijlage II) behorend bij het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa, (Trb 1979 nr. 175).

1.3. Ingevolge artikel 4 van het Verdrag zijn de verdragsluitende staten, waaronder Nederland, verplicht om de noodzakelijke wettelijke en andere maatregelen te nemen om de leefmilieus van de in het wild voorkomende dier- en plantsoorten (die zijn vermeld in de bijlagen) te beschermen en bij hun beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening en ontwikkeling rekening te houden met de beschermde gebieden.

1.4. In 1996 is, als onderdeel van de aanleg van de Betuweroute, besloten tot ondertunneling van het Pannerdensch Kanaal. Het tracé van de tunnel is voorzien door de oostelijke uiterwaarden van het kanaal, zoals neergelegd in het Tracébesluit Betuweroute Pannerdensch Kanaal, dat op 13 november 1997 is vastgesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat. De oostelijke toerit/uitgang van de tunnel, die bestaat uit een open betonnen bak, is voorzien op het perceel.

1.5. Bij Koninklijk Besluit van 21 mei 1999 is onder meer goedgevonden dat ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute een deel van het perceel (ter grootte van 1.58.62 ha) ten algemenen nutte en ten name van Railinfrabeheer zal worden onteigend. De onteigeningsprocedure moet nog aanvangen. Op het te onteigenen deel bevinden zich twee biotopen van de hiervoor genoemde amfibieën. Wanneer de Betuweroute zal worden aangelegd zal het voortbestaan van deze biotopen in gevaar komen.

1.6. Met het oog op het voorgaande heeft een werkgroep, bestaande uit onder meer deskundigen op het gebied van amfibieën (namens de Gelderse Milieu federatie) en leden van het RAVON (Reptielen Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland) in opdracht van Railinfrabeheer een landschapsplan opgesteld waarin een scenario is neergelegd voor de verplaatsing van (de biotopen van) de kamsalamander en de rugstreeppad alsmede de eitjes en larven daarvan. Ter uitvoering van dat scenario zijn in december 1998 zes nieuwe poelen gegraven op een in de onmiddellijke nabijheid gelegen perceel van Staatsbosbeheer. Omdat deze poelen thans nog niet geschikt zijn als leefgebied is Railinfrabeheer voornemens de amfibieën (als tussenoplossing) te verplaatsen naar twee andere zich op het perceel bevindende poelen.

1.7. Railinfrabeheer heeft aan [gedaagde1] toestemming gevraagd het perceel te mogen betreden om de amfibieën/eitjes/larven te verplaatsen en om, met het oog op de aanbesteding, geotechnisch onderzoek (wat neerkomt op het verrichten van sonderingen) op het perceel te doen. [Gedaagden 1 en 2] hebben die toestemming geweigerd.

Het geschil

2. Railinfrabeheer stelt dat [gedaagden 1 en 2] misbruik maken van hun eigenaarsbevoegdheden door die toestemming te weigeren. Zij vordert op grond daarvan toestemming het perceel te (laten) betreden om daarop de hiervoor bedoelde werkzaamheden te (laten) verrichten. Verder vordert zij de veroordeling van [gedaagden 1 en 2] om die betreding en die werkzaamheden te dulden en tenslotte [gedaagden 1 en 2] te gelasten zich te onthouden van elke handeling die deze activiteiten vertragen dan wel onmogelijk maken, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Railinfrabeheer stelt daarbij een spoedeisend belang te hebben omdat zowel het verplaatsen van de dieren/eitjes/larven als het geotechnisch onderzoek op (zeer) korte termijn moet plaatsvinden.

[gedaagden 1 en 2] hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken.

De beoordeling van het geschil

3. Railinfrabeheer heeft een spoedeisend belang bij het gevorderde. Op grond van de door haar overgelegde documentatie (met name het landschapsplan) is voldoende aannemelijk geworden dat nog maar weinig tijd beschikbaar is om de dieren en het plantmateriaal met de daarop aanwezige eitjes en larven te verplaatsen.

4. Het verweer van [gedaagden 1 en 2] dat de hiervoor bedoelde werkzaamheden neerkomen op het bouwrijp maken van het perceel voordat het zal worden onteigend faalt. Het verrichten van sonderingen, waarvoor de aanleg van een twee meter breed zandpad en de demping van een aantal poelen nodig is, kan niet worden gebracht onder het bouwrijp maken van het perceel voor de aanleg van de spoorlijn. Datzelfde geldt vanzelfsprekend voor het verplaatsen van de dieren.

5. Het door [gedaagden 1 en 2] aangevoerde argument dat hun onderhandelingspositie bij het verkrijgen van een zo hoog mogelijke onteigeningsvergoeding wordt verzwakt door toewijzing van het gevorderde spreekt niet aan. Het gaat hier vooral om het behoud van zeldzame diersoorten. Zoals [gedaagden 1 en 2] zelf ook hebben betoogd staat dat belang voorop.

6. Niet in geschil is dat het perceel is aangewezen om te worden onteigend en dat de spoorlijn daar naar alle waarschijnlijkheid zal komen te liggen. Aannemelijk is dat Railinfrabeheer een groot financieel nadeel zal lijden wanneer zij niet tijdig de beschikking heeft over de resultaten van een geotechnisch onderzoek, aangezien die gegevens nodig zijn voor een aanbesteding op korte termijn.

7. Bij de verplaatsing van de dieren en het plantmateriaal met eitjes en larven staat voorop dat dat op dit moment moet plaatsvinden en dat, als dat niet gebeurt, een ernstige vertraging in een verantwoorde verplaatsing zal optreden, omdat dan gewacht zal moeten worden tot het voorjaar van het jaar 2000. Het belang van Railinfrabeheer is daarmee gegeven. Daarbij wordt er wel van uitgegaan dat de verplaatsing alleen dan gebeurt als deze ook een redelijke kans van slagen heeft. Daarop wordt vertrouwd omdat:

-Railinfrabeheer in het kader van de procedure tot vaststelling van het tracé heeft toegezegd zich te zullen inspannen de populatie van de bedreigde amfibieën te behouden en

-Railinfrabeheer ter zitting heeft toegezegd af te zullen zien van verplaatsing wanneer dit naar de mening van haar op dit gebied deskundige adviseurs in redelijke verwachting niet meer tot een succes zal kunnen leiden.

8. De conclusie is dat [gedaagden 1 en 2], in aanmerking nemend de onevenredigheid tussen geschaad en gediend belang, zich naar redelijkheid niet kunnen verzetten tegen de betreding van hun perceel om Railinfrabeheer in staat te stellen de hiervoor genoemde werkzaamheden te laten verrichten. Daaraan doet onvoldoende af de omstandigheid dat Railinfrabeheer op dit moment (nog) niet beschikt over een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de Natuurbeschermingswet, nu vast staat dat Railinfrabeheer die ontheffing op 8 maart 1999 heeft aangevraagd en voldoende aannemelijk is dat die een dezer dagen zal worden verleend.

9. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagden 1 en 2] in de kosten van dit kort geding worden veroordeeld.

De beslissing

1. verleent Railinfrabeheer toestemming het perceel van [gedaagden 1 en 2], kadastraal bekend gemeente Groessen en Loo, sectie D nummer 257, te betreden teneinde het noodzakelijke geotechnisch onderzoek te (laten) verrichten en de biotopen van de kamsalamander en de rugstreeppad te (laten) verplaatsen,

2. veroordeelt [gedaagden 1 en 2] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te dulden dat Railinfrabeheer het hiervoor bedoelde perceel betreedt dan wel laat betreden om daarop de hiervoor genoemde werkzaamheden te (laten) verrichten,

3. veroordeelt [gedaagden 1 en 2] zich te onthouden van elke handeling die de hiervoor genoemde werkzaamheden kunnen vertragen dan wel onmogelijk maken,

4. veroordeelt [gedaagden 1 en 2] om ingeval zij na betekening van dit vonnis in gebreke mochten blijven aan bovenstaande veroordelingen te voldoen, aan Railinfrabeheer een dwangsom te betalen van ƒ 50.000,-- per dag, echter tot een maximum van ƒ 500.000,--,

5. veroordeelt [gedaagden 1 en 2] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Railinfrabeheer bepaald op ƒ 1.550,-- voor salaris en op ƒ 498,12 wegens verschotten,

6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7. ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de vice-president mr. D. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 1999 in tegenwoordigheid van de griffier E. Davelaar, terwijl de overwegingen waarop de beslissing steunt afzonderlijk zijn geminuteerd op 30 juni 1999.