Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:1999:AA1008

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1999/400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

19 augustus 1999

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van

1. de vennootschap onder firma

BEELDEND THEATER DE MUZEN,

gevestigd te Arnhem,

2. A. te X.,

3. B. te Y.,

4. De stichting STICHTING DAANTJE

& MONIEK & CO BEELDEND THEATER,

gevestigd te Elst,

eisers in conventie bij

dagvaarding van 29 juli 1999,

verweerders in reconventie,

procureur: mr. F.J. Boom,

advocaat: mr. T.H. Bosboom,

beiden te Arnhem,

Rolnummer: KG 1999/400 tegen

C. te Z., h.o.d.n.

DE MUZEN CENTRUM VOOR MUZIEK (&)

THEATER,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

advocaat: mr. A. Ramanna,

beiden te Arnhem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk: het Beeldend Theater c.s. als eisers gezamenlijk, en: de v.o.f., A., B. en de Stichting, als eisers afzonderlijk worden bedoeld, en voorts C. als gedaagde.

1. Het verloop van de procedure

Het Beeldend Theater c.s. hebben C. ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden. Bij mondelinge conclusie van eis hebben het Beeldend Theater c.s. hun vordering als weergegeven in de dagvaarding gewijzigd, in die zin dat het primair gevorderde onder (7) (het bepalen van een termijn als bedoeld in artikel 50 lid 6 van het TRIPs-Verdrag) in het onderhavige geval niet aan de orde is en derhalve achterwege kan blijven.

C. heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

C. heeft op haar beurt een vordering in reconventie ingesteld als weergegeven in de pleitnotities tevens inhoudende eis in reconventie.

Het Beeldend Theater c.s. hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen in reconventie.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij zijn over en weer producties in het geding gebracht.

Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

a) A. en B. maken sinds 1994 poppentheatervoorstellingen. Bij akte d.d. 26 februari 1997 is de Stichting opgericht, welke onder meer ten doel had om A. en B., tezamen vormend "Daantje & Moniek & Co", in hun (poppen)theateractiviteiten te ondersteunen. De voorstellingen van A. en B. werden aanvankelijk onder de naam "Beeldend Theater Daantje & Moniek & Co" uitgevoerd. Later is de Stichting de voorstellingen gaan verzorgen onder de naam "Beeldend Theater De Muzen".

b) Op 1 januari 1999 is de v.o.f. "Beeldend Theater De Muzen" opgericht. De vennoten van de v.o.f., A. en B., hebben met ingang van deze datum een aantal activiteiten ten behoeve van hun theatervoorstellingen van de Stichting overgenomen, waaronder de handelsnaam "Beeldend Theater De Muzen".

c) Op 8 maart 1999 heeft de v.o.f. het woordmerk "Beeldend Theater De Muzen" gedeponeerd bij het Benelux Merkenbureau.

d) In maart 1998 is C. gestart met een cursuscentrum genaamd "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater", welk centrum is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Behalve cursussen op het gebied van muziek en theater is C. voornemens in de nabije toekomst ook theatervoorstellingen te organiseren.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

Het Beeldend Theater c.s. stellen dat zij gerechtigd zijn tot het voeren van de handelsnaam "Beeldend Theater De Muzen", welke naam zij reeds vanaf augustus 1997 voor hun voorstellingen gebruiken. Zij stellen onder deze naam inmiddels grote publieke bekendheid te hebben verkregen, niet alleen in Nederland, maar ook in onder meer Duitsland en België. Met ingang van 1 januari 1999 heeft de v.o.f. voornoemde handelsnaam, welke tot dan toe toebehoorde aan de Stichting, van de Stichting overgenomen en is de v.o.f. gerechtigd deze handelsnaam te voeren. C. is in maart 1998 de (handels)naam "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater" gaan voeren voor haar opleidingscentrum. In de regio in en rondom Arnhem leidt het gebruik van (met name) de woordcombinatie "De Muzen" door beide partijen, die op hetzelfde terrein werkzaam zijn, tot verwarring bij het publiek. Omdat het Beeldend Theater c.s. een ouder recht hebben op het voeren van de handelsnaam, dient C. het gebruik van de naam, althans van het deel van de naam van haar centrum dat luidt "De Muzen", achterwege te laten, aldus het Beeldend Theater c.s..

Het Beeldend Theater c.s. vorderen in conventie, samengevat, primair C. te veroordelen:

(1) iedere inbreuk op het merkrecht van de v.o.f. te staken, in het bijzonder het gebruik van het teken "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater", dan wel het teken "De Muzen";

(2) iedere inbreuk op de handelsnaam van het Beeldend Theater c.s. te staken, in het bijzonder het gebruik van de handelsnaam "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater", dan wel iedere handelsnaam met het bestanddeel "De Muzen";

(3) de handelsnaam van haar centrum zodanig aan te passen dat daarin de woordcombinatie "De Muzen" niet meer voorkomt;

(4) het Beeldend Theater c.s. een uittreksel uit het handelsregister te sturen waaruit vorenbedoelde handelsnaamswijziging blijkt;

(5) aan al haar klanten, cursisten en overige zakelijke relaties alsmede aan alle bedrijven, instellingen en instanties waar haar handelsnaam is geregistreerd een brief te sturen, waarin zij worden geïnformeerd over het in deze te wijzen vonnis en de door C. te voeren nieuwe handelsnaam;

een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen;

(6) tot betaling van een voorschot schadevergoeding ten bedrage van fl. 3.000,--;

(8) in de kosten van het geding.

Subsidiair vorderen het Beeldend Theater c.s., kort samengevat, C. te veroordelen:

(9) zich te onthouden van ieder onrechtmatig handelen jegens het Beeldend Theater c.s., bestaande uit het gebruik maken van de (handels)naam/teken met daarin de woorden "De Muzen", op straffe van verbeurte van een dwangsom;

(10) tot hetgeen hiervoor (primair) onder (3) tot en met (8) wordt gevorderd op de onder (9) genoemde grondslag.

C. stelt dat zij gerechtigd is tot het voeren van de handelsnaam "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater". Voorafgaand aan de inschrijving van haar opleidingscentrum in het handelsregister, in maart 1998, heeft zij uitvoerig onderzoek gedaan naar het gebruik van de naam "De Muzen" op het terrein van theater en muziek in de regio Gelderland. Ook bij de Kamer van Koophandel heeft zij naar deze naam navraag gedaan. De Kamer van Koophandel deelde haar mede dat deze naam niet in het handelsregister stond geregistreerd. C. stelt dan ook voldoende in het werk te hebben gesteld om zich ervan te vergewissen dat zij de handelsnaam "De Muzen" als eerste voerde. Het Beeldend Theater c.s., die hebben nagelaten hun activiteiten in het handelsregister te registreren en pas per 1 januari 1999 de v.o.f. onder de naam "Beeldend Theater De Muzen" hebben ingeschreven, zijn dan ook niet gerechtigd tot het voeren van voornoemde handelsnaam. C. voert voorts aan dat bescherming van een handelsnaam op grond van de Handelsnaamwet slechts toekomt aan ondernemingen en zij betwist dat het Beeldend Theater c.s. en/of de Stichting voor 1 januari 1999 een onderneming dreven. De inschrijving van de v.o.f. op 1 januari 1999 in het handelsregister betekent dat aan C. de bescherming van de handelsnaam toekomt op grond van voorgebruik. Ten aanzien van het merkdepot is er in casu sprake is van een depot te kwader trouw door de v.o.f., die in januari 1999 al op de hoogte was dat C. sinds maart 1998 een centrum dreef waarin de naam "De Muzen" voorkwam, aldus C..

C. vordert in reconventie, samengevat, dat het Beeldend Theater c.s.:

1. het gebruik van de handelsnaam "Beeldend Theater De Muzen" staken;

2. hun handelsnaam zodanig aanpassen dat daarin de woordcombinatie "De Muzen" niet meer voorkomt;

3. aan C. een uittreksel uit het handelsregister toezenden waaruit vorenbedoelde handelsnaamwijziging blijkt;

4. een schrijven te doen uitgaan waarin het bij vonnis gegeven verbod tot het gebruik van hun handelsnaam wordt vermeld;

5. zich zullen onthouden jegens derden, althans jegens C., te gedragen als merkgerechtigde van het (woord)merk "Beeldend Theater De Muzen";

een een ander op straffe van verbeurte van dwangsommen;

7. worden veroordeeld tot betaling aan C. van een voorschot schadevergoeding ad fl. 3.000,--;

8. worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

in conventie en in reconventie

1) Vooropgesteld dient te worden dat het gebruik van een handelsnaam door een onderneming doorslaggevend is in het kader van de bescherming die wordt geboden door de Handelsnaamwet. C. betwist allereerst dat de Stichting een onderneming zou zijn of exploiteren.

2) In het kader van de Handelsnaamwet wordt het bestaan van een onderneming reeds aangenomen indien er sprake is van het in georganiseerd verband aanwezig zijn van het oogmerk om materieel (financieel) voordeel te behalen. Een dergelijk oogmerk kan ook zijn gelegen in de doelstelling om nieuwe projecten te financieren en te verwezenlijken, zoals in het onderhavige geval van de Stichting. Dat de Stichting niet in het handelsregister is ingeschreven, ofschoon een dergelijke inschrijving wel verplicht is, doet aan het bestaansrecht van de Stichting als onderneming niet af. Voorshands geoordeeld wordt de Stichting derhalve beschouwd als een onderneming in de zin van de Handelsnaamwet.

3) Het gebruik van de naam "Beeldend Theater De Muzen" door het Beeldend Theater c.s. vanaf augustus 1997 wordt door C. niet betwist en dit gebruik blijkt bovendien uit een aantal van de door het Beeldend Theater c.s. overgelegde producties, waaronder een publicatie uit december 1997. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat het Beeldend Theater c.s. eerder dan C. gebruik maakten van de in het geding zijnde woordcombinatie "De Muzen". De rechten van de Stichting ten aanzien van het gebruik van deze woordcombinatie in haar handelsnaam worden dan ook in beginsel beschermd door de Handelsnaamwet.

Daarbij is niet doorslaggevend hoe groot de publieke bekendheid is die het Beeldend Theater c.s. onder voornoemde handelsnaam hebben verworven.

Evenmin is doorslaggevend of C. wist van het gebruik van de naam "Beeldend Theater De Muzen" door het Beeldend Theater c.s. en/of de Stichting, hoewel hierbij wel dient te worden opgemerkt dat het Beeldend Theater c.s. wel enig verwijt treft, omdat zij nagelaten hebben voor inschrijving van hun onderneming en/of de door de onderneming gevoerde handelsnaam zorg te dragen.

Inschrijving van de onderneming in het handelsregister is echter, evenmin als inschrijving van de handelsnaam zelf, voorwaarde voor bescherming op grond van de Handelsnaamwet.

4) Tussen partijen staat vast dat het gebruik van hun beider handelsnamen tot nu toe reeds enige malen tot verwarring heeft geleid. Partijen noemen beiden een schrijven van de Kamer van Koophandel dat bestemd was voor de v.o.f. maar ten onrechte aan C. is gezonden. C. voert aan dat zij recent een boeking voor een theatervoorstelling is misgelopen, omdat de organisatie de voorstelling van de v.o.f. had geboekt in de veronderstelling dat het hier ging om een voorstelling die door het centrum van C. werd verzorgd. Partijen zijn het erover eens dat een dergelijke verwarring zeer ongewenst is.

5) Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat het recht op het voeren van de handelsnaam "Beeldend Theater De Muzen" vanaf augustus 1997 toekomt aan de Stichting. Met ingang van 1 januari 1999 zijn de handelsnaam en de daaruit voortvloeiende rechten door de Stichting aan de v.o.f. overgedragen, zodat met ingang van die datum de v.o.f. gerechtigd is tot het voeren van de handelsnaam "Beeldend Theater De Muzen". C. maakt derhalve door het voeren van de handelsnaam "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater" inbreuk op de handelsnaam van het Beeldend Theater c.s..

6) Nu de v.o.f. geacht wordt rechthebbende te zijn tot het voeren van de handelsnaam "Beeldend Theater De Muzen", is zij tevens gerechtigd de door haar gevoerde naam als (woord)merk te deponeren bij het Benelux Merkenbureau. Dit heeft tot gevolg dat C. tevens inbreuk maakt op het door de v.o.f. gedeponeerde (woord)merk.

in conventie

7) Op grond van het vorenoverwogene zijn de in conventie gevorderde voorzieningen als hiervoor weergegeven onder 3.(1), (2) en (4) voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat het de president redelijk voorkomt dat aan C. een termijn van één jaar zal worden gegund waarbinnen zij aan de aldaar opgenomen veroordelingen zal dienen te voldoen, zodat zij het komende cursusjaar onder deze naam kan afmaken. De gevorderde dwangsommen zullen eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat er aanleiding is de hoogte van de dwangsommen te matigen en het totaal aan dwangsommen aan een maximum te binden als na te melden. Nu het gevorderde onder 3.(1) en (2) zal worden toegewezen, wordt toewijzing van het gevorderde onder 3.(3) overbodig geacht. Voor toewijzing van het gevorderde onder 3.(5) bestaat vooralsnog geen grond, omdat het juist in het belang van C. wordt geacht dat zij haar klanten, cursisten, relaties enzovoorts (tijdig) zal inlichten omtrent haar naamswijziging. Het gevorderde onder 3.(6) is evenmin voor toewijzing vatbaar, nu door het Beeldend Theater c.s. onvoldoende is gesteld en/of overgelegd ter onderbouwing van haar vordering tot betaling van een voorschot schadevergoeding binnen het kader van dit kort geding.

8) Nu een deel van het primair gevorderde zal worden toegewezen, kan beoordeling van het subsidiair gevorderde verder achterwege blijven.

9) Als de in het ongelijk gestelde partij zal C. in de kosten van de procedure in conventie worden verwezen.

in reconventie

10) Het vorenoverwogene leidt er toe dat de in reconventie gevorderde voorzieningen niet voor toewijzing vatbaar zijn.

11) Als de in het ongelijk gestelde partij zal C. in de kosten van de procedure in reconventie worden verwezen, welke worden begroot op nihil.

5. De beslissing

De president

in conventie

1. veroordeelt C. om uiterlijk op 1 september 2000 iedere inbreuk op het (woord)merk van de v.o.f. "Beeldend Theater De Muzen" te staken en gestaakt te houden, meer in bijzonder het gebruik van het teken "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater", dan wel het teken "De Muzen" of daarmee overeenstemmende tekens voor het aanbieden, het (doen) opvoeren of het produceren van muziek- of theatervoorstellingen, het houden van exposities, het geven van cursussen op het gebied van muziek en/of theater en alle andere mogelijke activiteiten op het gebied van kunst en cultuur;

2. veroordeelt C. om uiterlijk op 1 september 2000 iedere inbreuk op de handelsnaam van het Beeldend Theater c.s. te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het gebruik van de handelsnaam "De Muzen Centrum voor Muziek (&) Theater", dan wel iedere andere handelsnaam waarin de woordcombinatie "De Muzen" of daarmee overeenstemmende tekens voorkomt;

3. veroordeelt C. om uiterlijk op 1 september 2000 aan het Beeldend Theater c.s. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Centraal Gelderland toe te zenden, waaruit blijkt dat C. haar handelsnaam heeft gewijzigd in de zin als hiervoor onder 2. bedoeld;

4. veroordeelt C. om indien zij, na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft aan de hiervoor onder 1., 2. en 3. opgenomen veroordelingen te voldoen, aan het Beeldend Theater c.s. te betalen een dwangsom van fl. 1.000,-- (duizend gulden) per dag, echter tot een maximum van in totaal fl. 300.000,-- (driehonderdduizend gulden);

5. veroordeelt C. in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Beeldend Theater c.s. bepaald op fl. 1.000,-- voor salaris en fl. 475,96 voor verschotten (fl. 400,-- wegens griffierecht en fl. 75,96 wegens het exploit van dagvaarding);

6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7. weigert het anders of meer gevorderde;

in reconventie

8. weigert de gevorderde voorzieningen;

9. veroordeelt C. in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Beeldend Theater c.s. bepaald op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de president mr. D.J. van Dijk en in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. van Vlimmeren-van Ommen in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 1999.