Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:955

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2022
Datum publicatie
18-03-2022
Zaaknummer
C/13/690818 / FA RK 20-6411
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Alimentatie. Gebruiksvergoeding. Verdeling beperkte gemeenschappen. Finaal verrekenbeding. Vergoedingsrechten. Regres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/690818 / FA RK 20-6411 (COH/SV) en C/13/706766 / FA RK 21-5504 (COH/SV)

Beschikking d.d. 9 maart 2022 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. K. Withagen, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. du Bois, gevestigd te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 30 september 2020;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;

- het aanvullend verzoek van de man;

- het F9-formulier met bijlagen van 21 december 2021 van de zijde van de man;

- de reactie op het aanvullend verzoek tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw;

- het F9-formulier met bijlage van 10 januari 2022 van de zijde van de man.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2022.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd. Dezen zijn aan het procesdossier toegevoegd.

1.3.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 15 november 2010 te Amstelveen. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] .

2.3.

De vrouw heeft uit een eerdere relatie een jongmeerderjarige dochter [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats] . [jongmeerderjarige] maakt deel uit van het gezin van de vrouw.

2.4.

Voorafgaand aan hun huwelijk zijn partijen op 11 november 2010 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Daarin zijn partijen - voor zover in dezen van belang - het volgende overeengekomen:

Verklaringen vooraf

(….)

Voor de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk kiezen partijen voor toepassing van het Nederlandse recht.

1. Begripsbepaling

a. Inkomen.

Met inkomen wordt in deze huwelijkse voorwaarden bedoeld wat daar in het maatschappelijk verkeer onder wordt verstaan, voor aftrek van belastingen en sociale lasten.

Partijen nemen alleen de inkomsten uit werk en onderneming in aanmerking en niet de inkomsten uit vermogen.

Met inkomsten uit onderneming wordt de winst uit onderneming bedoeld. Bij het vaststellen va deze winst uit onderneming moet rekening gehouden worden met het bepaalde in artikel 8 van deze huwelijkse voorwaarden.

b. Kosten van de huishouding

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder geval begrepen:

(…)

- de belastingen die drukken op inkomsten uit werk en woning en de belastingen die drukken op inkomen uit aanmerkelijk belang, met uitzondering van de belastingen over de winst en de voordelen als bedoeld in artikel 8, lid 5 van deze huwelijkse voorwaarden;

(…)

- de kosten van huisvesting, daaronder begrepen de huur en de rentelasten met betrekking tot de gezamenlijk bewoonde woning, de onroerend zaaksbelasting en andere heffingen ter zake van het gebruik van deze woning en de uitgaven voor dagelijks onderhoud en verzekering daarvan, ongeacht de eigendom van de woning;

(…)

Premies van een spaarverzekering in verband met een aan beide partijen in eigendom toebehorende woning behoren tot de kosten van de huishouding, tenzij partijen onderling uitdrukkelijk anders overeenkomen.

De pensioenpremies die ten laste komen van ieder van de echtgenoten komen ten laste van de huishouding tenzij partijen onderling uitdrukkelijk anders overeenkomen.

Onder de kosten van de huishouding wordt niet begrepen hetgeen op grond van overlijdensrisico’s verschuldigd is.

C. Inboedel

Onder inboedel wordt verstaan de inboedel in artikel 3:5 BW.

2. Beperkte gemeenschap, overigens uitsluiting iedere gemeenschap van goederen

Tussen de echtgenoten zal slechts bestaan:

- de gemeenschap van het navolgende registergoed: de woning met garage, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden gelegen en staande te [adres] , alsmede de gemeenschap van de hypothecaire geldlening, welke is aangegaan ter verwerving van voormeld registergoed, alsmede

- de gemeenschap van inboedel, het woord inboedel opgevat in de zin van artikel 5 van Boek 3 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek;

iedere andere gemeenschap van goederen wordt uitdrukkelijk uitgesloten.

3. Draagplicht van de kosten van de huishouding

1. De kosten van de gemeenschappelijke gevoerde huishouding moeten door beide echtgenoten worden betaald naar evenredigheid van hun inkomen. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de inkomsten uit vermogen, naar evenredigheid van die inkomsten,. Voor zover ook die inkomsten ontoereikend zijn komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens.

Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Geen van de echtgenoten kan verrekening of teruggaaf verlangen van wat een van hen meer van de kosten betreffende de huishouding dan de ander mocht hebben gedragen dan waartoe die ene op grond van het vorige lid verplicht was, hetzij schriftelijk hetzij anders is overeengekomen.

6. Finale verrekening bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed

1. Bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt verrekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, met inachtneming van het volgende.

2. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken. De vaststelling van beide vermogens en de bepaling van de waarde daarvan zullen plaatsvinden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, dit ter beoordeling van de bevoegde kantonrechter.

Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd als niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene aan de andere echtgenoot om mededeling van zijn inzichten is verzocht overeenstemming is bereikt over de waarde.

3. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk tenzij gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening. In dat geval zullen partijen een redelijke betalingsregeling al of niet met zekerheidstelling en al of niet met rente overeenkomen, waarbij de belangen van alle partijen in acht worden genomen.

4. Voor de bepaling van de omvang en samenstelling van het verrekenplichtig vermogen wordt als peildatum aangemerkt het tijdstip waarop h et verzoek tot echtscheiding of het verzoek tot scheiding van tafel en bed is ingediend.

(…)

6. In alle gevallen blijft buiten de verrekening:

- wat aan ieder van de echtgenoten bij aanvang van het huwelijk toebehoorde, hetgeen staat vermeld op de aan deze akte gehechte staat van aanbrengsten;

- wat door erfrecht of schenking door de echtgenoten werd of zal worden verkregen, alsmede de vruchten daarvan; en

- wat voor een en ander in de plaats is gekomen, naar rato van de eigen investeringen.

7. Ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed blijft voorts buiten verrekening:

de eigen onderneming zijnde een bedrijf of zelfstandig beroep van één van de echtgenoten, zomede de aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, van een van de echtgenoten waarin een van de echtgenoten al dan niet tezamen met anderen een onderneming dan wel zelfstandig beroep uitoefent, zomede het aandeel van een van de echtgenoten in een vennootschap onder firma of maatschap, alle voornoemde ondernemingsvormen, hierna te noemen “het ondernemingsvermogen”, evenwel slechts die tot de eigen onderneming behorende activa die voor de bedrijfsvoering en continuïteit van de onderneming van wezenlijk belang zijn. Partijen geven uitdrukkelijk als hun wens te kennen dat de finale verrekening als gevolg van echtscheiding of scheiding van tafel en bed niet tot gevolg heeft dat de continuïteit van de door één of elk van de partijen gedreven onderneming of ondernemingen zoals hierboven gedefinieerd in gevaar komt; partijen verplichten tegenover elkaar slechts zodanige vorderingen in te stellen dat slechts overtollige reserves van de desbetreffende onderneming of ondernemingen die niet voor de bedrijfsvoering noodzakelijk zijn in de verrekening worden betrokken; vrij uitkeerbare reserves zullen in elk geval wel en stille reserves zullen in elk geval niet in de verrekening worden betrokken.

Mochten partijen het omtrent het hiervoor bepaalde niet eens worden, dan zal een accountant als deskundige bindend voor partijen beslissen.

8. Onderneming/Eigen besloten vennootschap

Voor winst uit onderneming of ondernemingsvermogen geldt het volgende:

1. Ingeval een echtgenoot gerechtigd is tot de winst en het vermogen van een onderneming geldt als inkomen dat deel van de – gereserveerde – winst dat in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd wordt.

(…)

3. Bij vaststelling van datgene wat voor verrekening in aanmerking komt moet steeds rekening worden gehouden met fiscale claims die het gevolg zijn van onttrekkingen aan de onderneming.

4. Als op grond van deze huwelijkse voorwaarden winst uit onderneming of ondernemingsvermogen moet worden verrekend zullen partijen op verzoek van de echtgenoot-ondernemen een redelijke betalingsregeling overeengekomen, tenzij de andere echtgenoot aantoont dat onmiddellijke uitbetaling in redelijkheid kan worden verlangd.

(…)

10. Vergoeding

Voor zover niet anders wordt overeengekomen moeten de echtgenoten elkaar vergoeden datgene wat wordt onttrokken aan het vermogen van een echtgenoot ten behoeve van de ander. Hieronder is onder meer te begrijpen het geval dat de ene echtgenoot belastingen, premies, heffingen en dergelijke betaalt die betrekking hebben op het vermogen van de ander, voorzover die belastingen niet tot de kosten van de huishouding worden gerekend.

2.5.

Scheiding

2.5.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.5.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

2.5.3.

Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft wel een ouderschapsplan overgelegd, maar deze is niet door beide partijen ondertekend. Er is daarom geen sprake van een ouderschapsplan in de zin van de wet. Het is de rechtbank voldoende gebleken dat het op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal de man daarom ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

2.5.4.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.6.

Verblijfplaats

2.6.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn.

2.6.2.

De vrouw heeft zich daartegen niet verweerd.

2.6.3.

De rechtbank zal het verzoek toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.

2.7.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.7.1.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Vanaf het moment dat de man een geschikte woning heeft met een eigen kamer voor [minderjarige] zal de reguliere regeling lopen zoals door de man is verzocht, te weten een weekend per veertien dagen van vrijdag tot zondag en de andere week een doordeweekse dag na school tot de volgende dag naar school. Tot dat moment loopt de huidige regeling, die in samenspraak met het sociale team is afgesproken, door. Ten aanzien van de vakanties en feestdagen hebben partijen afgesproken dat [minderjarige] in de zomervakantie drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw zal zijn, de kerstvakantie verblijft zij bij de man en de meivakantie bij de vrouw. Tijdens de herfstvakantie verblijft zij het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw, hetzelfde geldt voor de voorjaarsvakantie. De kerstdagen en paasdagen verblijft [minderjarige] bij de man en 7 januari (het Orthodoxe kerstfeest) verblijft zij bij de vrouw.

2.7.2.

De rechtbank zal de regeling zoals overeengekomen vastleggen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen deze regeling verzet.

2.8.

Kinderbijdrage

2.8.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 578,00 per maand vast te stellen met ingang van 6 mei 2021, de datum waarop de vrouw haar zelfstandig verzoek heeft ingediend.

2.8.2.

De man heeft zich verweerd. Volgens de man is een bedrag van € 356,- in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Uitgangspunten

2.8.3.

De rechtbank hanteert bij de beoordeling van het verzoek de uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd door de Expertgroep Alimentatienormen in het zogenoemde Tremarapport. Daarbij wordt, tenzij anders aangegeven, uitgegaan van afgeronde bedragen.

Ingangsdatum

2.8.4.

Ten aanzien van de ingangsdatum overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de man tot op heden alle lasten heeft betaald. De vrouw heeft dit standpunt van de man niet weersproken. Daarbij past niet dat de man nu met terugwerkende kracht een te betalen bijdrage wordt opgelegd. Indien de vrouw, terwijl de man al alle lasten betaalde, voor de periode van de echtscheidingsprocedure een bijdrage had willen ontvangen, had het op haar weg gelegen een voorlopige voorziening te verzoeken. Dit heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de rechtbank als ingangsdatum de datum van deze beschikking zal bepalen.

Behoefte

2.8.5.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van [minderjarige] € 670,- per maand bedraagt.

2.8.6.

De rechtbank beoordeelt in welke mate ieder van partijen dient bij te dragen in de behoefte van [minderjarige] . Hierbij volgt de rechtbank het uitgangspunt dat de behoefte van minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt bij een NBI vanaf € 1.720,- per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.020,-)]. In deze formule staat 0,3 NBI voor de forfaitaire woonlast waarmee wordt gerekend. Het bedrag van € 1.020,- is het draagkrachtloos inkomen 2022.

Draagkracht man

2.8.7.

De man heeft een bruto jaarsalaris van € 60.000,-. Dit is niet in geschil. De vrouw heeft gesteld dat de man naast zijn salaris een dividenduitkering van € 12.000,- bruto per jaar ontvangt als ook inkomen uit verhuur van het vakantiehuis te Kroatië ter hoogte van € 22.000,- netto per jaar. De man heeft betwist dat hij jaarlijks een dividenduitkering ontvangt. Ook heeft de man betwist dat hij huurinkomsten heeft. Tegenover de huuropbrengsten staan ook kosten aldus de man. Bovendien is het huis de afgelopen jaren minder verhuurd, omdat er reisbeperkingen waren als gevolg van Covid19. Met inkomsten uit verhuur moet daarom geen rekening worden gehouden. De man stelt dat wel rekening gehouden kan worden met de onbelaste bonus van € 800,- die hij in 2021 heeft ontvangen.

2.8.8.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde jaarstukken van [naam bedrijf 1] BV blijkt dat er een overige reserve is van € 112.929,-. Daartegenover staan echter twee schulden van de man aan de BV van € 32.500,- respectievelijk € 91.571,-. Nu de schulden van de man aan de BV hoger zijn dan de overige reserve, kan er naar het oordeel van de rechtbank geen rekening gehouden worden met een dividenduitkering. De BV heeft, tenzij de man aflost op zijn schulden, simpelweg geen geld om tot een uitkering over te gaan.

2.8.9.

Ten aanzien van de huuropbrengsten overweegt de rechtbank dat de man een overzicht heeft overgelegd, welke niet dan wel onvoldoende door de vrouw is weersproken, waaruit blijkt dat hij na aftrek van de kosten in 2018 € 6.106,-, in 2019 € 6.543,- en in 2020 € 2.515,- aan de verhuur van het vakantiehuis heeft overgehouden. De verwachting is dat de beperkingen veroorzaakt door Covid19 steeds minder zullen worden, zodat er naar het oordeel van de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de gemiddelde winst over voornoemde drie jaar. Dit betekent dat de rechtbank aan de zijde van de man rekening houdt met een netto inkomen uit verhuur van € 5.055,- per jaar.

2.8.10.

Rekening houdend met een bruto jaarinkomen van € 60.000,- , een onbelaste bonus van € 800,- en een jaarlijks netto inkomen van € 5.055,- uit verhuur berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.922,- per maand. Daarbij hoort een draagkracht van € 1.208,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening.

Draagkracht van de vrouw

2.8.11.

Niet in geschil is dat aan de zijde van de vrouw van een bruto jaarinkomen van € 33.856,- kan worden uitgegaan. Uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening volgt dat daarbij een NBI hoort van € 2.302,-. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 577,-.

2.8.12.

In de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening gaat zij ervan uit dat haar draagkracht gelijkelijk wordt verdeeld over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] . Hoewel de man in eerste instantie de behoefte van [jongmeerderjarige] heeft gesteld op € 500,- per maand en heeft gesteld dat de vrouw € 276,- van de vader van [jongmeerderjarige] ontvangt, heeft de man tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de vrouw gegevens ten aanzien van [jongmeerderjarige] over had moeten leggen. De rechtbank overweegt dat [jongmeerderjarige] in juni 2021 achttien jaar oud is geworden en dat zij thans nog studeert. De vrouw is onderhoudsplichtig jegens [jongmeerderjarige] . De rechtbank houdt daarom rekening met een onderhoudsverplichting van de vrouw jegens [jongmeerderjarige] . Voor wat betreft de behoefte van [jongmeerderjarige] gaat de rechtbank in haar berekening uit van het in eerste instantie door de man gestelde bedrag van € 500,- per maand.

Zorgkorting

2.8.13.

De vrouw heeft gerekend met een zorgkorting van 5% en de man met een zorgkorting van 25%. Gelet op de overeengekomen zorgregeling is de rechtbank van oordeel dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 168,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

2.8.14.

Uit de aan deze beschikking gehechte berekening en verdeling kosten van kinderen volgt dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] € 526,- per maand bedraagt en het aandeel van de vrouw € 144,- per maand. De vrouw heeft dan nog voldoende draagkracht om ook in de kosten van [jongmeerderjarige] bij te dragen. Rekening houdend met de zorgkorting van € 168,- dient de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te betalen van € 358,- per maand. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toe onder afwijzing van het meer verzochte.

2.9.

Partnerbijdrage

2.9.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.049,- per maand vast te stellen.

2.9.2.

De man heeft betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage, nu de vrouw haar verzoek op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Subsidiair heeft de man betwist dat hij draagkracht heeft om een bijdrage te kunnen betalen.

Behoefte/behoeftigheid

2.9.3.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat partijen tijdens het huwelijk in een hoge mate van welstand leefden en dat haar behoefte daarop dient te worden gebaseerd.

2.9.4.

De man betwist dat de vrouw een (aanvullende) behoefte heeft. Volgens de man heeft de vrouw haar verzoek niet onderbouwd en dient het verzoek om die reden te worden afgewezen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld met de overgelegde productie 20 een behoeftelijstje over te leggen, wordt deze door de man betwist. Dit lijstje is niet met stukken onderbouwd en ook zijn in deze lijst kosten van [minderjarige] en de man verwerkt.

2.9.5.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van de vrouw had gelegen om haar behoefte aan de hand van concrete, actuele gegevens betreffende haar reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud te onderbouwen. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Zij heeft niet eens gesteld op welke wijze haar behoefte vastgesteld zou moeten worden. Op basis van een behoeftelijst dan wel op basis van de zogenoemde Hof-norm. De vrouw heeft nagelaten te stellen wat het NBI van partijen was ten tijde van het huwelijk. Voor zover zij bedoeld heeft met het overgelegde overzicht gezinsbudget haar behoefte te onderbouwen is dit volstrekt onvoldoende. Een toelichting op deze lijst alsmede onderliggende stukken ontbreken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vrouw met haar eigen inkomsten kan voorzien in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen afwijzen.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de draagkracht van de man.

2.10.

Gebruiksvergoeding

2.10.1.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen om aan de man een gebruiksvergoeding te voldoen van 2,5% van het aandeel van de man in de overwaarde met ingang van januari 2020 althans een zodanige gebruiksvergoeding met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. De man heeft daartoe aangevoerd dat de woning op zijn naam staat, maar op grond van de huwelijkse voorwaarden tot de beperkte gemeenschap behoort. De vrouw woont al ruim een jaar alleen in de woning. De woning heeft een aanzienlijke overwaarde en de man wil de woning zo snel mogelijk verkopen. De vrouw werkt daar echter niet aan mee, terwijl zij niet bijdraagt aan de lasten. Nu partijen ver uiteen liggen in hun standpunten kan de procedure nog heel lang gaan duren. Daarom vindt de man het redelijk dat de vrouw de man een gebruiksvergoeding betaalt voor gederfd woongenot. De hoogte van de vergoeding kan worden berekend aan de hand van 2,5 % van zijn aandeel in de overwaarde.

2.10.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat zij de woning mag gebruiken. De man betaalt ook geen voorlopige onderhoudsbijdragen. Een gebruiksvergoeding vindt de vrouw dan ook niet op zijn plaats. De vrouw heeft verder aangevoerd dat het verzoek te onbepaald is, omdat deze onvoldoende concreet is omschreven. De waarde van de woning staat ook niet vast. Mocht de rechtbank wel een gebruiksvergoeding op willen leggen, dan kan deze hooguit 0,5% bedragen gelet op de rentevergoeding bij de banken.

2.10.3.

De rechtbank stelt voorop dat de woning behoort tot de bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen beperkte gemeenschap tussen partijen. Artikel 3:169 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat

behoudens andersluidende regeling – iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zie recent ECLI:NL:HR:2017:156).

2.10.4.

In dit geval staat vast dat de vrouw de woning na het vertrek van de man met uitsluiting van de man heeft gebruikt. Dat betekent dat de man in beginsel aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding, tenzij partijen een andere afspraak hebben gemaakt of het toekennen van een gebruiksvergoeding in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid die tussen deelgenoten geldt (zie artikel 3: 166 lid 3 BW jo. artikel 6:2 BW). Dat partijen hebben afgesproken dat de woning bewoond zou moeten blijven en dat de vrouw om die reden in de woning is blijven wonen, zoals zij heeft gesteld, is door de man betwist. Tijdens de mondelinge behandeling is immers door de man verklaard dat hij de woning wilde verlaten na gesprekken met Veilig Thuis met als voorwaarde dat de woning in januari 2021 in de verkoop zou gaan. De door de vrouw gestelde afspraak is daarom niet vast komen te staan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding en dat de redelijkheid en billijkheid niet aan toekenning daarvan in de weg staan. Ook de omstandigheid dat de waarde van de woning nog niet bekend is, leidt niet tot een ander oordeel.

2.10.5.

Partijen verschillen van mening over met welk percentage de gebruiksvergoeding moet worden berekend. De man hanteert een percentage van 2,5%, terwijl de vrouw uitgaat van 0,5%. Naar het oordeel van de rechtbank is in de huidige tijd waarin vrijwel geen rente over spaartegoeden wordt ontvangen en zelfs een negatieve rente in rekening wordt gebracht bij een spaarsaldo boven € 100.000,- een rendementspercentage van 2,5% over de overwaarde niet realistisch. De rechtbank betrekt verder hierbij dat de minderjarige dochter van partijen haar hoofdverblijf heeft in de woning. De rechtbank zal daarom de aan de man toe te kennen gebruiksvergoeding in alle redelijkheid vaststellen op 0,5% van de helft van de (over)waarde van de woning.

2.10.6.

Ten aanzien van de datum waarop de vrouw de gebruiksvergoeding verschuldigd is overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 1:81 BW zijn partijen gehouden elkaar tijdens het huwelijk het nodige te verschaffen. Vast staat dat de man geen voorlopige onderhoudsbijdrage(n) aan de vrouw heeft betaald. Ook staat vast dat de man tot op heden de lasten van de woning heeft betaald. De man heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de verplichting ex artikel 1:81 BW. Een gebruiksvergoeding met terugwerkende kracht is daarom niet aan de orde. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw de gebruiksvergoeding verschuldigd is met ingang van de datum van de echtscheiding

2.10.7.

De overwaarde is niet bekend omdat de woning nog niet is getaxeerd. Partijen dienen ter bepaling daarvan uit te gaan van de taxatie die de ten behoeve van de verkoop in te schakelen makelaar zal geven.

2.11.

Beperkte gemeenschap

2.11.1.

In artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat tussen hen een beperkte gemeenschap bestaat ten aanzien van de woning [adres] (hierna de woning) en de inboedel.

De woning

2.11.2.

Niet in geschil is dat de woning verkocht zal moeten worden. Het lukt partijen echter niet daar samen afspraken over te maken. De rechtbank zal daarom de wijze van verkoop bepalen. Partijen zullen binnen vier weken na de datum van deze beschikking de woning laten taxeren door twee makelaars, waarvan ieder van partijen één zal aanwijzen, waarna zij de woning in de verkoop zullen zetten via de makelaar met de hoogste taxatie. Partijen zullen dit binnen twee weken na afloop van de hiervoor genoemde termijn van vier weken in werking zetten.

2.11.3.

Voornoemde verkoop zal dienen te geschieden door een gezamenlijke opdracht van partijen binnen twee weken na afloop van genoemde termijn van vier weken aan één van de onder 2.11.2 bedoelde makelaars en wel aan de makelaar met de hoogste taxatiewaarde. Ieder van partijen is bevoegd de makelaar daartoe opdracht te geven.

2.11.4.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.

2.11.5.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zo ver die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen.

2.11.6.

Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken.

2.11.7.

Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

2.11.8.

Na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning wordt de verkoopopbrengst en de waarde van de spaarrekening eigen woning, na aflossing van de hypothecaire schulden, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en betalen.

2.11.9.

De overige stellingen van partijen behoeven, gelet op het vorenstaande, geen nadere bespreking meer nu zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De inboedel

2.11.10.De verdeling van de inboedel is tussen partijen in geschil. Ook is in geschil of de inboedel van het vakantiehuis te Kroatië tot de beperkte gemeenschap behoort. De vrouw heeft gesteld dat dit zo is, terwijl de man dit heeft betwist.

2.11.11.Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat ten aanzien van het begrip inboedel in de huwelijkse voorwaarden wordt aangesloten bij het begrip inboedel bedoeld in artikel 3:5 BW. Uit de toelichting bij artikel 3:5 BW volgt dat met inboedel bedoeld wordt de inboedel als bedoeld in artikel 1:88 BW. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de inboedel van het vakantiehuis buiten de beperkte gemeenschap valt, omdat artikel 1:88 BW ziet op de door partijen bewoonde woning. Dat partijen beoogd hebben iets anders af te spreken acht de rechtbank niet aannemelijk. Het vakantiehuis staat immers op de staat van aanbrengsten van de man vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank mag hieruit worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen is geweest het vakantiehuis er als geheel, derhalve pand en inboedel, buiten te laten. De rechtbank overweegt daarbij nog dat door de man onweersproken is gesteld dat van een losse inboedel geen sprake is, omdat alles nagelvast zit. De rechtbank overweegt daarom ten overvloede dat ook al zou haar oordeel ten aanzien van het inboedelbegrip en de bedoeling van partijen anders hebben geluid, de inboedel van het vakantiehuis nog niet voor verdeling in aanmerking zou komen, omdat de inboedel in dat geval door natrekking tot de woning is gaan behoren.

2.11.12.

Zoals reeds tijdens de mondelinge behandeling besproken zal de rechtbank de wijze van verdeling van de inboedel gelasten en wel aldus dat partijen inboedellijsten zullen opstellen aan de hand waarvan de inboedel van de woning zal worden verdeeld. Door middel van kop of munt dient bepaald te worden wie als eerste een inboedelgoed mag kiezen waarna vervolgens om en om een keuze voor een inboedelgoed zal worden gemaakt. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat ieder van partijen een even grote waarde krijgt toegedeeld, zodat ter zake van de inboedel geen verrekening meer hoeft plaats te vinden.

2.12.

Finaal verrekenbeding

2.12.1.

Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden in artikel 6 een finaal verrekenbeding overeengekomen. Daarbij is overeengekomen dat het vermogen van ieder van partijen bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden op het moment van indienen van het echtscheidingsverzoek. Buiten de verrekening blijft wat aan ieder van partijen bij aanvang van het huwelijk toebehoorde, wat op de staat van aanbrengsten staat vermeld en wat door erfrecht/schenking was verkregen of tijdens het huwelijk is verkregen, alsmede de vruchten daarvan. Ook blijft buiten de verrekening de eigen onderneming zijnde een bedrijf of zelfstandig beroep van één van partijen, zomede de aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid evenwel slechts die tot het eigen vermogen behorende activa die voor de bedrijfsvoering en continuïteit van de onderneming van wezenlijk belang zijn.

Peildatum

2.12.2.

Op grond van de huwelijkse voorwaarden heeft als peildatum voor de omvang en samenstelling alsmede de waardering te gelden de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is geregistreerd. In dit geval is dat 30 september 2020.

2.12.3.

Tussen partijen bestaat er verschil van mening over de verrekening van de volgende vermogensbestanddelen, die hierna afzonderlijk zullen worden besproken.

Vermogen aan de zijde van de man

Letselschade uitkering

2.12.4.

De man heeft tijdens het huwelijk voor de peildatum een letselschade uitkering ontvangen van in totaal € 215.895,-. Daarvan had hij als voorschotten € 29.520,- ontvangen. Op 28 september 2020 heeft hij het resterende bedrag van € 186.375,- ontvangen op een daarvoor geopende bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 2] . De man heeft gesteld dat uit de door hem overgelegde schadestaat blijkt dat een bedrag van € 29.969,27 betrekking heeft op verleden schade. Het verlies aan zelfredzaamheid ter hoogte van € 13.846,- betreft volgens de man geen verleden schade en het door hem ontvangen smartengeld ter hoogte van € 16.000,- is aan de man verknocht. Dan resteert volgens de man een verlies aan arbeidsvermogen van € 141.000,- welke deels ziet op verleden schade en deels op toekomstige schade. Uit de schadestaat blijkt volgens de man dat € 49.488,- betrekking heeft op verleden schade en daarom in beginsel voor verrekening in aanmerking komt. Echter, een deel van dit bedrag ziet op verleden schade van de zakenpartners van de man. Uit de door de man overgelegde rapportages, waarvan één enkel rekening houdt met verlies aan arbeidsvermogen van de man en één ook rekening houdt met het verlies aan dividend van de zakenpartners, blijkt dat het verlies aan dividend wel degelijk een afzonderlijke vergoedingscomponent betreft. De man vindt het redelijk dat alleen het verlies aan dividend van zijn zakenpartners voor zover dit betrekking heeft op het verleden wordt doorgerekend. Hij stelt daarom ook niet voor om de gehele schuld van € 50.000,- op het te verrekenen bedrag in mindering te brengen, maar een percentage van 35,4%. Een bedrag van € 17.518,75 dient daarom niet te worden verrekend. Concreet betekent dit volgens de man dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 16.209,25.

De man komt tot dit bedrag door de volgende berekening:

- schadestaat € 29.969,27

- eigen verlies arbeidsvermogen € 31.969,24 +

- voorschotten en uitgegeven € 29.520,- -/-

€ 32.418,52 : 2 = € 16.209,25

2.12.5.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de volledige uitkering in de verrekening moet worden betrokken. In beginsel zou het smartengeld van € 16.000,- buiten de verrekening vallen, maar dit heeft ook betrekking op door de vrouw gederfde levensvreugde. Daarom vindt de vrouw dat ook het smartengeld verrekend moet worden. De vrouw heeft verder aangevoerd dat de man niet verplicht was afspraken met zijn partners te maken over een vergoeding voor gederfd dividend. Deze onverplichte afspraak mag niet ten nadele van de vrouw strekken, te meer daar zij niet in deze afspraak is gekend.

2.12.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde schadestaat blijkt afdoende dat het smartengeld puur voor de man zelf is geweest en dat daar niet een component in is begrepen voor gederfde levensvreugde voor de vrouw. De rechtbank ziet in dezen dan ook geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat smartengeld in beginsel is verknocht aan de ontvanger. Dit betekent dat een bedrag van € 16.000,- in ieder geval buiten de verrekening dient te blijven.

Ook het bedrag dat aan voorschot is ontvangen, te weten € 29.520,- blijft buiten de verrekening nu dit bedrag is gebruikt voor het voldoen van kosten die man als gevolg van het ongeval heeft moeten maken. Dit betekent dat in ieder geval € 45.520,- buiten de verrekening blijft. Resteert een bedrag van € 170.375,-, waarvan de vrouw vindt dat dit geheel moet worden verrekend en waarvan de man vindt dat slechts € 32.418,52 in de verrekening moet worden betrokken.

2.12.7.

Uit de door de man overlegde schadestaat blijkt dat een bedrag van € 120.974,- betrekking heeft op toekomstige (derhalve na de peildatum ontstane) schade. Dit betreft de posten toekomstige huishoudelijke hulp (€ 15.616,-), toekomstige verlies zelfredzaamheid (€ 13.846,-) en toekomstig verlies arbeidsvermogen (€ 91.512,-). Nu dit bedrag ziet op na de peildatum door de man te lijden schade dient dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank niet in de verrekening te worden betrokken. Resteert nog een bedrag van € 49.401,-.

2.12.8.

De rechtbank volgt de man in zijn standpunt dat een deel van het door hem al geleden verlies arbeidsvermogen ten goede is gekomen aan zijn partners. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft een rapport inzake verlies arbeidsvermogen overgelegd. Uit dit rapport is de rechtbank afdoende gebleken dat door Just Architects extra loonkosten zijn gemaakt in verband met de arbeidsbeperkingen van de man. Eveneens blijkt daar uit dat de extra loonkosten invloed hebben gehad op het winstaandeel van de partners (en ook op dat van de man). De man heeft dit vervolgens als schadecomponent opgenomen in zijn afspraken met de voor zijn ongeval aansprakelijke partij die dit heeft geaccepteerd. Uit de overgelegde berekening personenschade blijkt immers dat de man, zonder vergoeding van de door de partners geleden schade, een uitkering zou hebben ontvangen van € 72.466,-. Hij heeft uiteindelijk € 141.000,- ontvangen. De man houdt rekening met een percentage van 35,4% ten aanzien van de reeds door de partners geleden schade, zodat de rechtbank dit ook zal doen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de man volgt en zal bepalen dat ten aanzien van de letselschade een bedrag van € 32.428,52 in de verrekening moet worden betrokken.

Bankrekeningen

2.12.9.

De man had op de peildatum de volgende bankrekeningen met als saldo:

a. Rabobank [rekeningnummer 1] t.n.v. de man € 1.662,77

b. Rabobank [rekeningnummer 2] t.n.v. de man € 136.372,03

c. George Erste Bank [rekeningnummer 3] t.n.v. de man € 15,34

d. George Erste Bank [rekeningnummer 4] t.n.v. de man € 145,00

2.12.10.

De bankrekening genoemd onder b. is de rekening waarde letselschade uitkering is uitgekeerd. Ten aanzien van deze bankrekening geldt dat enkel een saldo van € 32.428,52 in de verrekening dient te worden betrokken. Dit leidt ertoe dat de man in totaal € 34.251,63 aan banksaldi dient te verrekenen.

Lening Directa

2.12.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat tot de schulden aan de zijde van de man behoort een persoonlijke lening die de man op 5 oktober 2017 is aangegaan bij Directa. Op de peildatum bedroeg deze schuld nog € 10.808,-. Dit bedrag dient in de verrekening te worden betrokken.

Lening [naam bedrijf 1] BV

2.12.12.

De man stelt dat hij in verband met de verbouwing van de woning een bedrag van € 32.500,- heeft geleend van zijn BV. Dit bedrag staat nog open en dient daarom in de verrekening te worden betrokken. De vrouw heeft het bestaan van deze lening niet weersproken, zodat deze schuld in de verrekening dient te worden betrokken.

Lening [naam 1]

2.12.13.De man heeft gesteld dat op de peildatum nog een schuld aan [naam 1] bestond van € 2.000,-. De vrouw heeft dit weersproken. De rechtbank overweegt dat de man ter onderbouwing een bankafschrift heeft overgelegd van een onbekende bankrekening waarop een bijschrijving staat op 23 april 2019 van € 2.000,- afkomstig van [naam bedrijf 2] BV. Vervolgens heeft de man een bankafschrift overgelegd waaruit een terugbetaling van € 2.000,- blijkt alsmede een verklaring van de heer [naam 1] van 10 augustus 2021. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man hiermee gelet op de betwisting door de vrouw niet bewezen dat er op de peildatum een lening aan [naam 1] was van € 2.000,-. Dat de man geld heeft ontvangen van deze heer is immers niet gebleken. Deze vermeende schuld blijft daarom buiten de verrekening.

Lening [naam 2]

2.12.14.

De man heeft gesteld tweemaal € 1.000,- te hebben geleend van [naam 2] . Op de peildatum was dit nog niet afgelost, zodat deze bedragen in de verrekening moeten worden betrokken. De vrouw heeft dit betwist. De man heeft als bewijsstuk twee bankafschriften overgelegd waarop staat dat [naam 2] tweemaal € 1.000,- heeft overgemaakt met als omschrijving “private loan”. Daarmee is tegenover de betwisting door de vrouw echter nog niet aangetoond dat deze schulden op 30 september 2020 nog niet waren afgelost. De man legt immers een bankafschrift over waaruit volgt dat de man in januari 2021 een terugbetaling heeft verricht van € 2.000,- aan [naam 3] en niet aan [naam 2] . De rechtbank houdt daarom geen rekening met deze lening.

Rekening-courant [naam bedrijf 1] BV

2.12.15.De man heeft een schuld in rekening-courant aan zijn BV. De man wil niet de volledige schuld in de verrekening betrekken, maar wel voor zover deze ziet op bijschrijving van de rente over de schuld van € 32.500,-. Dit betreft een schuld van € 21.450,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dit onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank rekening houdt met een schuld van € 21.450,- in het kader van de verrekening.

Aandelen [naam bedrijf 1] BV

2.12.16.

De vrouw heeft gesteld dat waarde van de aandelen van de man in [naam bedrijf 1] BV in de verrekening moeten worden betrokken, maar dat niet inzichtelijk is welke waarde aan de onderneming kan worden toegekend.

2.12.17.

De man heeft weersproken dat de waarde van de aandelen in de verrekening moeten worden betrokken. Volgens de huwelijkse voorwaarden kunnen enkel vrij uitkeerbare reserves in de verrekening worden betrokken. De stille reserves worden niet in de verrekening betrokken. Er is geen sprake van vrij uitkeerbare reserves in de BV. Er is ook geen vermogen in de BV. Het vermogen dat er was, is uitgeleend aan de man. De overige reserves worden door deze leningen gevoed.

2.12.18.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde jaarstukken van [naam bedrijf 1] BV uit 2019 blijkt dat er een overige reserve is van € 112.929,-. Daartegenover staan echter twee schulden van de man aan de BV van € 32.500,- respectievelijk 91.571,-. Nu de schulden van de man hoger zijn dan de vrij uitkeerbare reserve kan de waarde van de BV naar het oordeel van de rechtbank op nihil worden gesteld. Er is derhalve geen sprake van een waarde die in de verrekening moet worden betrokken.

Vakantiehuis Kroatië

2.12.19.

De vrouw heeft gesteld dat het vakantiehuis op zich zelf buiten de verrekening blijft, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat de waardevermeerdering en de opbrengsten wel in de verrekening moeten worden betrokken. Volgens de vrouw heeft de man een eenmanszaak opgericht voor de verhuur. De man moet inzage in het te verrekenen vermogen geven.

2.12.20.

De man heeft betwist een eenmanszaak te hebben opgericht. De man heeft ook nimmer de intentie gehad ter zake van de verhuur een onderneming op te richten. De man betwist ook dat er ter zake van het vakantiehuis een verrekening dient plaats te vinden.

2.12.21.

Het vakantiehuis is vermeld op de staat van aanbrengsten en valt als zodanig buiten de verrekening. Ook de vruchten, zijnde de huuropbrengsten, vallen op grond van de huwelijkse voorwaarden buiten de verrekening. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank ter zake van het vakantiehuis geen verrekening dient plaats te vinden.

Vermogen aan de zijde van de vrouw

Bankrekeningen

2.12.22.

De vrouw heeft twee bankrekeningen met saldo, te weten Rabobank [rekeningnummer 5]

met een debetsaldo van € 282,20 en Rabobank [rekeningnummer 6] € 1,67. Partijen zijn het erover eens dat voornoemde bedragen in de verrekening moeten worden betrokken.

Leningen

2.12.23.

De vrouw heeft een drietal leningen opgevoerd. Het betreft een lening bij [naam 4] ter grootte van € 7.500,-, een lening bij [naam 5] ter grootte van € 10.205,- en een in 2018 afgesloten leaseovereenkomst ter grootte van oorspronkelijk € 30.450,-.

2.12.24.

De man erkent de lening aan [naam 4] . Ook is de man akkoord met een restschuld betreffende de leaseovereenkomst van € 2.434,-, De man betwist de lening bij [naam 5] .

2.12.25.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw niet aangetoond dat er op de peildatum sprake was van een schuld bij [naam 5] . De overeenkomst is later opgesteld en er is geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw daadwerkelijk geld heeft ontvangen. Dit betekent dat de rechtbank rekening houdt met een bedrag aan schulden van € 9.934,-.

Conclusie

2.12.26.

Het bovenstaande leidt ertoe dat er aan de zijde van de man sprake is van een negatief vermogen ter grootte van € 30.506,37. Aan de zijde van de vrouw is sprake van een negatief vermogen ter grootte van hoogte van € 10.214,53. Dit leidt ertoe dat de vrouw in het kader van het verrekenbeding € 10.145,92 aan de man moet voldoen.

2.13.

Vergoedingsrechten

SEW rekening

2.13.1.

De man heeft gesteld dat de opbouw van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde SEW rekening door de man vanuit privégelden is gefinancierd, zodat hij jegens de beperkte gemeenschap een vergoedingsrecht heeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gesteld dat hij zijn inleg terug wil. De rechtbank begrijpt dit aldus, dat de man thans een nominale vergoeding vraagt.

2.13.2.

De vrouw betwist dat de man een vergoedingsrecht heeft, maar niet dat de man de inleg heeft betaald. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man kan worden toegewezen. De man heeft onweersproken gesteld dat hij tot en met december 2021 € 30.418,- heeft betaald. De rechtbank zal zoals door de man is verzocht bepalen dat hij jegens de beperkte gemeenschap een vergoedingsrecht heeft ter grootte van zijn nominale inleg tot de datum van verkoop en levering van de woning aan een derde, waarbij de man na aftrek van de hypothecaire schuld en kosten die verband houden met de verkoop eerst zijn nominale inleg toekomt, waarna de resterende opbrengst kan worden verdeeld.

Aflossingen Directa,

2.13.3.

De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk op deze schuld heeft afgelost met privévermogen, waardoor hij een vergoedingsrecht heeft. De rechtbank overweegt dat de man deze schuld op eigen naam is aangegaan. Als gevolg daarvan is ook de man, gelet op de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden, aansprakelijk voor het voldoen van deze schuld. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom af.

Aflossing lening [naam 1]

2.13.4.

De man stelt met privégelden na de peildatum in het kader van het verrekenbeding te hebben afgelost op een lening die hij in 2019 is aangegaan bij [naam 1] . Volgens de man is de lening aangegaan ten behoeve van de woning. Hij heeft daarom gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft gebaseerd op de beleggingsleer.

2.13.5.

Zoals de rechtbank reeds hiervoor heeft overwogen heeft de man onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een lening die op de peildatum aanwezig was. Verder heeft de man niet aangetoond dat er sprake is van een investering in de woning. Uit de verklaring van [naam 1] volgt dat er sprake was een lening voor de tuin. Voor zover er al sprake was van een lening stond deze op naam van de man en was hij daarom, gelet op de huwelijkse voorwaarden, aansprakelijk voor het voldoen van deze schuld. De man komt daarom geen vergoedingsrecht toe.

Lening Just Architects

2.13.6.

De man heeft gesteld dat hij in verband met de verbouwing van de woning een lening is aangegaan bij Just Architects. Inmiddels heeft hij de lening afgelost. Hij heeft recht op een vergoeding naar rato van de aflossingen van de waardestijging van de woning. Het totaal aan aflossingen bedraagt volgens de man € 11.000,-.

2.13.7.

De vrouw heeft niet weersproken dat de man ten behoeve van de verbouwing van de woning een lening is aangegaan bij Just Architects voor een bedrag van € 11.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarom vast dat de man met privévermogen, verkregen door het aangaan van een lening, in de woning heeft geïnvesteerd. De man heeft daarom in ieder geval recht op een bedrag van € 11.000,-. Nu de man zijn vordering verder niet heeft onderbouwd, zo is bijvoorbeeld niet gesteld wat de waarde op het moment van de investering was, is de rechtbank niet in staat een berekening te maken conform de beleggingsleer. Dit komt voor rekening van de man. De rechtbank wijst de vordering van de man toe tot een bedrag van € 11.000,-.

2.14.

Regres

2.14.1.

De man heeft gesteld dat hij nadat de beperkte gemeenschap is ontbonden de rente en aflossing van de hypotheek is blijven voldoen. De hypotheek staat op naam van partijen samen, zodat partijen de kosten ook ieder voor de helft hadden dienen te dragen. Hij vordert nu de helft van deze kosten op grond van artikel 6:10 BW. Er was geen sprake meer van een gemeenschappelijke huishouding op het moment dat de man de woning heeft verlaten.

2.14.2.

De vrouw heeft betwist dat de man een regres vordering heeft. Volgens de vrouw zijn dit kosten van de huishouding die de man moet dragen. Bovendien heeft de man volgens de vrouw de volledige hypotheekrente in zijn belastingaangifte opgevoerd en is hem de volledige hypotheekrenteaftrek toegekomen.

2.14.3.

De rechtbank overweegt dat de man tot op heden geen onderhoudsbijdrage(n) aan de vrouw heeft betaald. Op grond van artikel 1:81 BW zijn partijen verplicht elkaar het nodige te verschaffen. Dit artikel geldt ook nog indien partijen feitelijk niet meer samenwonen en derhalve geen gezamenlijke huishouding meer voeren. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de man afwijst. Na inschrijving van deze beschikking geldt artikel 1:81 BW niet meer en vanaf dat moment zullen partijen ieder voor de helft de vaste lasten van de woning dienen te dragen.

3 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/690818 / FA RK 20-6411:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amstelveen, op 15 november 2010;

3.2.

bepaalt dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- [minderjarige] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot zondag bij de man en de andere week een doordeweekse dag na school tot de volgende dag naar school;

- in de zomervakantie verblijft [minderjarige] drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw;

- in de kerstvakantie en tijdens de kerstdagen verblijft [minderjarige] bij de man;

- op 7 januari verblijft [minderjarige] bij de vrouw;

- [minderjarige] verblijft tijdens de paasdagen bij de man;

- [minderjarige] verblijft in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw;

3.4.

bepaalt dat de man € 358,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking aan de man een gebruiksvergoeding verschuldig zal zijn van 0,5 % van de helft van de overwaarde van de woning, waarbij de overwaarde wordt berekend aan de hand van de taxatie van de makelaar, hieronder genoemd in 3.8.1.;

3.6.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinderbijdrage en de gebruiksvergoeding uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af;

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/706766 / FA RK 21-5504:

3.8.

gelast als wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van woning als volgt:

3.8.1.

bepaalt dat partijen de woning binnen vier weken na datum van deze beschikking door twee makelaars laten taxeren, waarbij ieder van partijen één makelaar aanwijst waarna partijen binnen twee weken na afloop van genoemde termijn van vier weken een keuze zullen maken voor de makelaar met de hoogste taxatie;

3.8.2.

partijen zullen binnen twee weken na afloop van genoemde termijn van vier weken gezamenlijk de in 3.8.1. genoemde makelaar opdracht geven tot verkoop van de woning tegen een door partijen in onderling overleg overeen te komen verkoopprijs;

3.8.3.

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

3.8.4.

bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, partijen aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

3.8.5.

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;

3.8.6.

bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

3.8.7.

bepaalt dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;

3.8.8.

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst, met inachtneming van de beslissing in 3.11. gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

3.9.

gelast de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van inboedel van de woning als volgt:

3.9.1.

bepaalt dat partijen inboedellijsten op gaan stellen van de inboedel van de woning aan de hand waarvan de inboedel verdeeld zal worden;

3.9.2.

bepaalt dat partijen door middel van kop en munt zullen bepalen wie als eerste een inboedelgoed van de inboedellijst mag kiezen;

3.9.3.

bepaalt dat partijen vervolgens om en om een inboedelgoed mogen kiezen totdat de gehele inboedel is verdeeld;

3.9.4.

bepaalt dat partijen gelet op de wijze van verdeling over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben ter zake van de verdeling van de inboedel;

3.10.

bepaalt dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van het finale verrekenbeding € 10.145,92 aan de man dient te betalen;

3.11.

bepaalt dat de vrouw aan de man € 30.418,- dient te betalen, te vermeerderen met de inleg vanaf de maand januari 2022 tot aan de dag dat de woning wordt geleverd aan een derde, in het kader van een vergoedingsrecht ter zake de SEW-rekening;

3.12.

bepaalt dat de vrouw aan de man € 11.000,- moet betalen in verband met een vergoedingsrecht ter zake een investering in de woning;

3.13.

verklaart de beslissing ten aanzien van de verdeling, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de vergoedingsrechten uitvoerbaar bij voorraad;

3.14.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. van der Veen op 9 maart 2022.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.