Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:830

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2022
Datum publicatie
04-03-2022
Zaaknummer
9533470 EA VERZ 21-696
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De arbeidsovereenkomst van een advocaat-stagiair bij een Amsterdams advocatenkantoor mag per 1 april 2022 worden ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0271
RAR 2022/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 9533470 EA VERZ 21-696

beschikking van: 21 februari 2022

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

gevestigd te [vestigingsplaats]

verzoekster

nader te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. H.H.A. Lewin

t e g e n

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder

nader te noemen: [verweerder]

procederend in persoon

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft op 4 november 2021 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 5 januari 2022. [verzoekster] is in persoon verschenen vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] nog nadere producties ingediend. Daar heeft [verweerder] schriftelijk op gereageerd waarbij hij tevens nadere producties in heeft gediend. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. [verweerder] heeft daarbij spreekaantekeningen overhandigd. Na verder debat is de zaak aangehouden in afwachting van het besluit van de Amsterdamse Raad van de orde van advocaten (hierna: de Raad).

Op 18 januari 2022 heeft [verweerder] het besluit van de Raad overgelegd. Vervolgens is datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende.

1.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is sedert 1 september 2020 in dienst van [verzoekster] . Eerst 6 maanden als jurist en vanaf zijn beëdiging als advocaat op 24 februari 2021 als advocaat-stagiair.

1.2.

Het bruto salaris op basis van een werkweek van 40 uren bedraagt € 2.435,00 per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

1.3.

Op 15 juni 2021 heeft [verweerder] een e-mail gestuurd aan de deken van de Amsterdamse Orde van advocaten (hierna :de deken).. In deze e-mail schrijft hij, voor zover relevant: “De onprettige ervaring met mijn patroon deed zich voor op kantoor op vrijdagmorgen 28 mei 2021, mijn laatste werkdag alvorens ik met ouderschapsverlof en vakantieverlof zou zijn. Mijn patroon kwam van haar zitting af in een zaak aangaande een contractueel geschil, waarbij zij de schuldenaar/opdrachtgever bijstond. Zij was zichtbaar gefrustreerd en kwaad. Eenmaal aangekomen op kantoor blafte zij mij af door te zeggen dat ik schuldig ben aan het te laat indienen van een bewijsstuk. Ik vroeg haar om meer uitleg, waarna zij vertelde dat de wederpartij protest had aangetekend tegen het door haar in strijd met het procesreglement in kantonzaken aangebracht bewijsstuk, twee dagen voor de mondelinge behandeling (…). Ik reageerde op dit verwijt van mijn patroon door te zeggen dat zij wel degelijk door mij is geïnformeerd over dit bewijsstuk (…) en dat zij had besloten om het bewijsstuk niet in te brengen (…). Mijn patroon verloochende mij en gaf met klem aan dat ik haar niets had verteld en dat zij daarom had verzuimd om het stuk tijdig aan te leveren. Dit was volgens haar aan mij te verwijten. (…)|
Na dit gesprek hing er een grimmige sfeer op het klein sociaal kantoor, waarin ik de enige advocaat-stagiaire ben. Tegen het einde van de werkdag, kort na 17.30 uur, vond mijn patroon het nog noodzakelijk om vlak voor haar vertrek een aantal zaken nadrukkelijk na te zeggen. Zij haalde allereerst de gebeurtenis op de zitting aan en gaf hierbij te kennen dat zij mogelijk te hard is uitgevallen in mijn richting, maar dat dit allemaal juist, eerlijk en terecht was. Zij gaf aan hard aan haar kantoor en reputatie te hebben gewerkt en zij moest denken aan de toekomst van haar kantoor. (…) Volgens haar was ik de enige die zich moest bewijzen. Zij had zichzelf al bewezen. Verder vond zij dat ik een lakse werkhouding had gekregen. Ik was veel te rustig. Ik pakte haar feedback volgens haar ook niet goed op, (…) In haar afsluitende woorden gaf zij aan dat ik mijn vakantie mocht benutten om goed na te denken of ik nog als advocaat verder wil over het algemeen, maar ook in het bijzonder bij haar op kantoor. Dit herhaalde zij een aantal keren! Hieraan voegde zij in haar laatste zin toe, dat met het einde van mijn advocaat-stageperiode zonder haar positieve stagebeoordeling, nog niet is gezegd dat ik een onafhankelijke en zelfstandige advocaat kan worden. Deze laatste woorden van haar vatte ik op als een dreiging. (…)
Die rust werd evenwel weer verstoord toen ik woensdag 9 juni 2021 afblaffende aantijgende mails van mijn patroon in mijn mailbox zag liggen. Mijn patroon beschuldigde mij op een volstrekt onterechte, ongefundeerde en lichtzinnige wijze van onder andere beroepsfouten. (…) Op deze aantijgingen heb ik gereageerd. Ik was geshockeerd en begreep niet waar deze abrupt gewijzigde houding van mijn patroon jegens mij vandaan kwam. Hierop heb ik contact gelegd met mijn mentor binnen de beroepsopleiding en de Orde. (…)
Een voor mij als advocaat-stagiaire veilige werksfeer lijkt mij onder deze omstandigheden, zonder tussenkomst van de Orde, niet mogelijk! (…)

1.4.

Naar aanleiding van de e-mail van [verweerder] heeft op 21 juni 2021, de eerste dag na het geboorteverlof van [verweerder] , een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden met de deken.

1.5.

Op 28 juni 2021 heeft er een updategesprek plaatsgevonden met de Raad via Zoom.

1.6.

Van 8 juli tot en met 16 augustus 2021 was [verzoekster] met vakantie. [verweerder] was afwezig van 5 juli tot en met 8 augustus 2021.

1.7.

Op 30 augustus 2021 heeft [verweerder] aan [verzoekster] gevraagd of hij die dag aan zijn beroepsopleiding mag werken omdat hij volgende week maandag een cursusdag heeft en opdrachten moet inleveren. [verzoekster] gaf uiteindelijk toestemming om die middag eerder naar huis te gaan om de opdracht af te maken.

1.8.

Op 31 augustus 2021 heeft [verweerder] zich ziekgemeld via WhatsApp nadat hij de hele nacht aan zijn huiswerkopdracht heeft gewerkt, zonder deze tijdig af te krijgen. Hij vroeg daarnaast nogmaals aan haar of hij de ruimte krijgt om de cursusdagen voor te bereiden.

1.9.

Daarop heeft [verzoekster] per WhatsApp gereageerd: “Gisterenochtend heb je mij om 09.19 uur geappt of je op kantoor kan werken aan je huiswerk voor je cursusdag op maandag 6 september as. Ik heb je gezegd dat ik hierover met je zal spreken op kantoor. Tijdens dit gesprek kwam naar voren dat je je huiswerkopdracht al op dezelfde dag moest inleveren en als ik je geen tijd zou geven, dan zou je je huiswerkopdracht te laat inleveren. De huiswerkopdrachten is al (zes) weken bekend en je hebt ervoor gekozen om te wachten tot maandag en mij voor het blok te zetten terwijl wij overlopen van het werk. Het weekend had je ‘privé-dingen’ en heb je ervoor gekozen om niet aan je huiswerkopdracht te werken. Evengoed ben ik je tegemoetgekomen en mocht je vanaf 14.00 uur werken aan je huiswerkopdracht (…)

1.10.

Op 1 september 2021 heeft [verweerder] gereageerd met de woorden, voor zover relevant: “Ik had tot en met vandaagzoveel over jouw doen en nalaten erbij kunnen halen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik vraag me echt af wie er blij van gaat worden als ik die vreemde zaken binnen jouw praktijk erbij haal. Maar jij bent mijn grenzen nu wel aan het provoceren..”

1.11.

Op 2 september heeft [verweerder] per Whatsapp nog een aantal berichten verstuurd aan [verzoekster] met de volgende inhoud:
“Je gaat wel heel erg ver met het wijzigen van het ww van mijn emailaccount.
Volgens mij besef je niet dat dit strafbaar is.
Ik verzoek je vandaag nog mijn wachtwoord vrij te geven.
Zo niet is een klacht en een aangifte tegen jou op de loer.
Je gaat nu echt te ver.
Ik laat het over aan de Politie. Heb contact met ze gehad. Ik zal een aangifte plannen. Kijk maar of je dit wil doorzetten. De Orde zal hier aankomende week op terugkomen.”

1.12.

In reactie daarop heeft [verzoekster] op 7 september 2021 per brief aan [verweerder] laten weten dat zij naar aanleiding van de berichten van 1 en 2 september 2021 een verzoek heeft ingediend bij de deken om medewerking te verlenen aan het beëindigen van de verhouding. In haar brief schrijft ze onder meer: “Gelet op deze reactie met ongefundeerde aantijgingen, intimidatie en brutaliteit, is de maat vol! Duidelijk is dat je hiermee grenzen hebt overschreden. Je dient er goed nota van nemen dat ik absoluut niet ben gediend van de toon die je thans al voor de tweede keer aanslaat. Gelet op deze dreigende, intimiderende en wederom escalerende reactie van woensdag zeg ik mijn vertrouwen in jou op en acht ik het niet verantwoord om jou gevoelige bedrijfsgegevens toe te vertrouwen. Hierdoor zijn de inloggegevens van het softwaresysteem als alle zakelijke e-mailadressen sinds donderdagochtend gewijzigd. (…) Jouw hierboven vermelde gedragingen hebben geleid tot een grote vertrouwensbreuk. Om bovengenoemde redenen heb ik de Deken direct op de hoogte gebracht van de situatie en je berichten overgelegd met het verzoek om medewerking te verlenen tot het beëindigen van de verhouding.
Op maandag 13 september as zal getracht worden om tot een minnelijke regeling te komen. Indien dit niet lukt, zal ik bij de Raad het verzoek neerleggen om tot beëindiging van de stage over te gaan en zal ik na goedkeuring overgaan tot de procedure om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. (…)”

1.13.

Op 8 september 2021 heeft [verweerder] per e-mail gereageerd op de brief van [verzoekster] . Hierin schrijft hij onder meer: “(…) Ik heb een contractueel en daarmee gerechtvaardigd belang bij het eisen van de voorbereidingstijd van mijn cursusdagen binnen kantooruren. Vandaar dat ik het jammer vind dat jij mijn vraag niet op een eenvoudige honorerende wijze beantwoord, maar in plaats daarvan een reactie optuigt waarin je van alles en nog wat erbij haalt om mij mogelijkerwijs ervan te weerhouden om mijn eis door te zetten. (…) Wij hadden samen afspraken gemaakt met de deken en die wilde ik nakomen. Ik heb toentertijd ook niet gesproken over jouw doen en nalaten. (…) Bovendien zou niemand, noch jij, noch ik, er blij van worden als ik dat doen en nalaten van jou op kantoor, wat inderdaad vreemde zaken zijn, in mijn reacties aanhaal. Dan escaleert de situatie onnodig. Dat probeer ik telkens te voorkomen. Maar jij bent klaarblijkelijk uit op escalatie in plaats van het werken aan een veilig en werkbaar werkklimaat. (…) Ik heb jou kortom niet bedreigt. Ik heb daadwerkelijk een aangifte gepland. Dat zij niet inziet dat jij als mens, werkgever en advocaat wel erg ver gaat in jouw gedragingen, kan ik helaas niets aan doen. Dat jij het vervolgens brutaal vind dat ik een aangifte tegen jou zal doen, is geheel aan jou. Ik vind het brutaal van jou dat jij mij geen veilige werksfeer biedt, dat jij mijn gerechtvaardigde belangen niet respecteert, dat jij een conflict uit het niets weet te creëren, dat jij de afspraken met de deken niet nakomt, dat jij een cliënt probeert uit te lokken om een ongefundeerde klacht tegen mij in te dienen, en dat jij selectief een misleidende beeld probeert neer te zetten over de situatie en over mij! (…) Jij bent mijn e-mailaccount opzettelijk en wederrechtelijk binnengedrongen. (…) Mijn aangifte is hiermee dan ook alles behalve ongefundeerd. Mogelijk dat jij het strafrecht nog niet zo goed kent, of jezelf hierover niet hebt laten adviseren.
Hiermee wil ik ook benadrukken dat jij als enige de persoon bent die hier de grenzen van elk maatschappelijk betamelijk en normaal handelen, overschrijdt. Jouw handelingen en reacties, staan op geen enkele wijze in verhouding tot mijn werkelijke reacties, én dus niet die reacties die jij uit de context rukt en waarom jij een verhaal ophangt. Jij bent als enige de persoon die deze onenigheid heeft laten escaleren in een conflict. (…) Dat jij het vertrouwen in mij opzegt begrijp ik dan ook niet. (…) Ik begrijp jou echt niet [verzoekster] ! Is dit wel normaal wat je allemaal aan het doen bent. Waar ben je nou mee bezig?(…)”

1.14.

Op 14 september 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden met de deken.

1.15.

Op 27 september 2021 heeft [verzoekster] middels een brief aan de deken verzocht goedkeuring te verlenen om de stage van [verweerder] op te zeggen.

1.16.

Op 15 oktober 2021 heeft de bedrijfsarts in zijn terugkoppeling de volgende conclusie opgeschreven: “Meneer heeft medische klachten gehad waardoor hij arbeidsongeschikt was. Er is nu een verbetering in zijn medische situatie. Dat maakt dat er niet langer meer sprake is van een medische arbeidsongeschiktheid. De niet – medische factoren die resteren en een rol spelen in de onderlinge relatie

met werkgever kunnen nu opgelost. Medisch is daar geen beletsel meer voor.

1.17.

Naar aanleiding van het oordeel van de bedrijfsarts heeft [verweerder] op 25 oktober 2021 per e-mail contact opgenomen met [verzoekster] en gevraagd hoe zij vorm wil geven aan de oplossing van de situatie. Daarbij verwijst hij naar de mogelijkheid van mediation.

1.18.

Op 5 november 2021 heeft de gemachtigde van [verzoekster] een brief gezonden aan [verweerder] waarin hij aangeeft dat [verzoekster] niet langer zijn werkgeefster en patroon kan zijn als gevolg van het geëscaleerde conflict. Hij zet uiteen dat de situatie tussen partijen niet (meer) voldoet aan de uitgangspunten die noodzakelijk zijn voor een succesvolle patroon-advocaat-stagiaire verhouding en er voorts sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die inmiddels enkele maanden voortduurt. De vertrouwensbreuk kan niet meer gerepareerd worden en mediation zal dit niet veranderen, zodat de gemachtigde vraagt of [verweerder] bereid is in gesprek te gaan over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst via een beëindigingsovereenkomst.

1.19.

Op 10 december 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Raad.

1.20.

Bij brief van 18 januari 2022 heeft de Raad laten weten dat hij zijn goedkeuring verleent de stage met [verweerder] door opzegging te doen eindigen. In het besluit heeft de Raad onder meer vermeld: “Zowel uit de stukken, als uit hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd, blijkt dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde relatie. De (bemiddeling)gesprekken, in juni en september 2021, hebben geen verandering gebracht in de situatie en de bemiddeling is dus tevergeefs geweest. Beider standpunten zijn inmiddels verhard; van enige toenadering en begrip voor het standpunt van de andere partij is geen sprake. Dat betekent dat van een zinvolle invulling van de stade door de patroon, onder meer op het punt van begeleiding, opleiding en toezicht, niet langer sprake kan zijn. Het is bovendien niet aannemelijk dat in deze situatie op korte termijn verandering zal kunnen komen.”

Verzoek

2. [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 3, onderdeel g BW), wegens onmogelijkheid op een zinvolle manier invulling te geven aan de arbeidsovereenkomst als [verweerder] niet meer als advocaat voor [verzoekster] kan werken (artikel 7:669 lid 3, onderdeel h BW), wegens een combinatie van voorgaande gronden (artikel 7:669 lid 3, onderdeel i BW) of wegens ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verweerder] (artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 3, onderdeel e BW)

3. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat voortzetting van het dienstverband van [verweerder] onmogelijk is geworden als gevolg van de vertrouwensbreuk die in de relatie tussen partijen is ontstaan vanaf mei 2021. [verzoekster] stelt in dat kader allereerst dat de werkzaamheden van [verweerder] niet voldeden aan haar verwachtingen van een advocaat-stagiaire. Zij had verwacht dat hij zelfstandiger zou kunnen werken, binnen maar indien nodig ook buiten reguliere werktijden. In mei 2021 heeft zij aan [verweerder] gevraagd na te denken of de advocatuur wel echt bij hem paste. De brief die [verweerder] daarna aan de deken heeft gestuurd waarin hij aangeeft dat er sprake is van een onveilige werksfeer heeft [verzoekster] als erg onprettig ervaren.

4. Na het bemiddelingsgesprek bij de deken is de situatie wat [verzoekster] betreft niet erg verbeterd. De werkhouding van [verweerder] ,bleef, op het op tijd komen na, ongewijzigd en [verweerder] leefde instructies niet na.

5. De situatie escaleerde na het verzoek van [verweerder] om een huiswerkopdracht onder werktijd te maken, vlak voor de deadline, en de ziekmelding van [verweerder] een dag later, op het moment dat [verweerder] Whatsappberichten stuurde die [verzoekster] als dreigend ervaarde. Vanaf dat moment was er sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen partijen.

6. Voorts stelt [verzoekster] dat niet meer is voldaan aan de algemene uitgangspunten die noodzakelijk zijn voor een succesvolle patroon-advocaatstagiaire verhouding, zodat het niet meer mogelijk is een zinvolle invulling te geven aan de arbeidsverhouding omdat de essentiële basis voor deze specifieke leer/werk-arbeidsrelatie ontbreekt. Temeer nu de Raad toestemming heeft gegeven de stage te beëindigen.

7. Als voornoemde gronden op zichzelf onvoldoende zijn om ontbinding te rechtvaardigen, leveren zij in ieder geval in combinatie met elkaar een redelijke grond op voor de beëindiging van het dienstverband van [verweerder] .

8. Tot slot stelt [verzoekster] dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verweerder] die aanleiding geeft de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het verwijtbaar handelen zit wat haar betreft in het lasterlijke en dreigende bericht van 2 september 2021, de daarop gedane dreiging met het doen van aangifte bij de politie, het lasterlijk uiten richting een cliënt, het expliciet weigeren om contact op te nemen na de ziekmelding, en het gegeven dat [verweerder] zijn inschrijving bij de KvK als jurist niet heeft doorgehaald toen hij bij [verzoekster] in dienst trad, en deze inschrijving per 10 augustus 2021 zelfs heeft veranderd alsof hij vanaf die datum zelfstandig gevestigd advocaat is.

Verweer en (voorwaardelijk) tegenverzoek

9. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek. Hij voert daartoe – samengevat – aan dat er geen sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding. Als er al sprake is van een verstoring is dat er een op persoonlijk niveau. In de periode van 1 september 2020 tot en met 2 september 2021 was er sprake van een gezonde, constructieve en vruchtbare samenwerking tussen partijen. Na 2 september 2021 heeft [verweerder] als gevolg van zijn ziekmelding en vervolgens schorsing geen werkzaamheden meer uitgevoerd, zodat in die periode ook geen op arbeid gerichte interactie heeft plaatsgevonden tussen partijen.

10. [verweerder] betwist aldus dat er sprake is van een ernstig duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Ook betwist hij de stellingen van [verzoekster] omtrent de uitoefening van zijn functie. Bovendien heeft [verzoekster] niets gedaan om de verstoring op te lossen, bijvoorbeeld door inzet van mediation. [verweerder] acht de kans dat partijen na de kleine verstoring die heeft plaatsgevonden weer goed kunnen samenwerken dan ook groot.

11. Voorts betwist [verweerder] dat de verhouding tussen partijen niet voldoet aan de algemene uitgangspunten voor een succesvolle patroon-stagiair verhouding. [verweerder] erkent dat hij nog veel te leren heeft, maar dat nergens uit blijkt dat hij in het geheel niet in staat zou zijn het vak van advocaat uit te oefenen.

12. Ten aanzien van zijn Whatsappberichten van 2 september 2021 betwist [verweerder] dat er sprake is van laster, provocatie of dreiging van zijn kant. Hij heeft slechts in een bericht tussen twee mensen, en dus niet in het openbaar, zijn standpunt uiteen gezet. Ten aanzien van de wijziging van zijn handelsnaam voert [verweerder] aan dat hij dat heeft gedaan in het kader van zijn verzoek aan de deken tot een buitenpatronaat en dat dat puur administratief was. [verweerder] betwist aldus dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van zijn zijde en verzoekt de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.

Voorwaardelijk tegenverzoek bij ontbinding arbeidsovereenkomst

13. Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 BW van
€ 224.991,00 (gedeeltelijk) bruto dan wel (gedeeltelijk) netto en de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

13. Aan deze verzoeken legt [verweerder] ten grondslag dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] zodat een billijke vergoeding verschuldigd is. Het ernstig verwijtbaar handelen zit volgens [verweerder] , kort samengevat, in de houding van [verzoekster] jegens hem, de onrechtmatige schorsing vanaf 2 september 2021, het schenden van zijn privacy rechten, het niet willen oplossen van het arbeidsconflict en het niet nakomen van de arbeidsovereenkomst.

15. [verweerder] acht een billijke vergoeding op zijn plaats en legt daaraan een berekening ten grondslag van het salaris dat hij de eerste tien jaar van zijn carrière zal mislopen als hij niet meer als advocaat aan de slag kan door het vroegtijdige afbreken van zijn opleiding. Samen met een immateriële schadevergoeding van € 50.000,00 komt hij dan uit op een vergoeding van € 224.991,00.

Voorwaardelijk tegenverzoek ingeval van afwijzing verzoek [verzoekster]

16. Voor het geval de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] te veroordelen:

  • -

    [verweerder] binnen 48 uur na betekening te werk te stellen in de functie van advocaat-stagiair;

  • -

    binnen 24 uur toegang te verschaffen tot:

o de algemene mail;

o zijn zakelijke mail;

o Zivver;

o Xoip;

o De digitale agenda;

o Overige softwaresystemen;

o Legalsense

o Overige computerfaciliteiten;

  • -

    Nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst;

  • -

    [verweerder] onmiddellijk toegang te verschaffen tot zijn e-mails, softwaresystemen en fysieke dossiers op kantoor;

  • -

    Alles onder verbeurte van een dwangsom met een maximum van € 100.000,00.

17. Aan dit verzoek legt [verweerder] ten grondslag dat de onderhavige situatie de arbeidsrechtelijke schorsing niet rechtvaardigt en hij wenst op grond van de Advocatenwet dan ook weer snel zijn praktijk voort te zetten.

Beoordeling

Ontbinding arbeidsovereenkomst?

18. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:671b lid 1 jo 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub c tot en met h BW en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

19. Aan haar ontbindingsverzoek heeft [verzoekster] onder meer ten grondslag gelegd dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Volgens [verzoekster] heeft, kort samengevat, de houding en gedrag van [verweerder] geleid tot een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, zodanig dat herstel niet (meer) mogelijk is.

20. De kantonrechter stelt voorop dat [verzoekster] en [verweerder] in een klein advocatenkantoor werkzaam zijn. Er zijn geen andere advocaten werkzaam. Deze omstandigheden brengen reeds met zich dat goede verhoudingen essentieel zijn. Dat geldt temeer in de onderhavige situatie waarbij [verzoekster] als patroon optreedt van [verweerder] , hetgeen betekent dat zij verantwoordelijkheden ten aanzien van hem heeft op het gebied van opleiding, begeleiding en toezicht. Partijen hebben uit dien hoofde intensief contact en daarbij is onderling vertrouwen van groot belang.

21. [verweerder] is eind mei 2021 door [verzoekster] aangesproken op zijn functioneren. In vervolg hierop heeft hij zich tot de deken gewend vanwege, kort samengevat , een onveilige werksituatie. De verhouding tussen partijen is daarna in eerste instantie, naar het leek, genormaliseerd, maar naar aanleiding van een conflict over de huiswerkopdracht van [verweerder] , eind augustus 2021, zijn de verhoudingen definitief verstoord. Partijen maken elkaar over en weer verwijten, maar hoe dit ook zij, vastgesteld kan worden dat elk vertrouwen tussen partijen is verdwenen en niet mag worden verwacht dat herstel tot de mogelijkheden behoort. Daarbij is ook van belang dat bemiddelingsgesprekken met de deken niet tot verbetering van de verhoudingen hebben geleid.

22. De kantonrechter heeft hierbij verder acht geslagen op het feit dat de Raad blijkens de beslissing van 18 januari 2022 tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde relatie tussen partijen en dat [verzoekster] daarom goedkeuring wordt verleend om de stage van [verweerder] dor opzegging te doen eindigen met ingang van 1 april 2022.

23. [verweerder] lijkt overigens ook zelf de bakens te hebben verzet, nu hij doende is zijn stage elders te vervolgen en een verzoek daartoe heeft ingediend bij de Raad van de orde Oost-Brabant.

24. Onder deze omstandigheden en gezien de pogingen die partijen in het werk hebben gesteld om tot een oplossing te komen, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig, dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Gezien de aard van de vertrouwensbreuk, ligt herplaatsing niet in de rede.

25. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 april 2022. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van een maand. Bij deze uitkomst behoeven de andere gronden die aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag zijn gelegd geen bespreking meer.

Transitievergoeding

26. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] recht heeft op de transitievergoeding. Deze zal worden toegewezen tot een bedrag berekend op basis van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2022. [verweerder] heeft verzocht de transitievergoeding te verhogen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de onderhavige beschikking. Ingevolge artikel 7:686a lid 1 BW is eerst wettelijke rente verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en het verzoek van [verweerder] zal daarom met in achtneming van deze termijn worden toegewezen.

Billijke vergoeding?

27. [verweerder] heeft om toekenning van een billijke vergoeding ter grootte van
€ 224.991,00 verzocht, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen.

28. Gelet op artikel 7:671b lid 9, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren.

29. Het valt [verzoekster] in haar rol als werkgever aan te rekenen dat zij [verweerder] op of omstreeks 30 mei 2021 tamelijk onverhoeds heeft geconfronteerd met kritiek op zijn functioneren. [verweerder] stond toen op het punt met verlof te gaan. Het staat [verzoekster] in haar rol als werkgever en patroon natuurlijk vrij kritiek te uiten op haar stagiaire, maar dit dient zorgvuldig te gebeuren. Eventuele kritische noten dienen onderbouwd te worden door concrete voorbeelden. Daarnaast is van belang dat de werknemer, zeker een advocaat in opleiding, concrete aanwijzingen en gelegenheid krijgt om tot verbeteringen te komen. Van een en ander is hier onvoldoende gebleken. Daarbij is het [verzoekster] eveneens aan te rekenen dat van enige dossiervorming en een systeem van evaluatiegesprekken ten aanzien van de opleiding van [verweerder] geen sprake is geweest, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd.

30. [verweerder] valt echter ook het nodige te verwijten. De kantonrechter stelt voorop dat een stage in de advocatuur geen zekerheid geeft dat de eindstreep wordt gehaald. Dat vergt flinke inspanningen en iemand zoals [verweerder] die op een klein kantoor gaat werken wist of had kunnen weten dat de onderlinge verhoudingen met de patroon daarvoor van groot belang zijn. Niet goed valt in te zien waarom [verweerder] de problemen die hij kennelijk had met het op tijd uitvoeren van een huiswerkopdracht in het kader van zijn opleiding heeft proberen af te wentelen op zijn werkgeefster door eind augustus 2021 haar op hele korte termijn te vragen dit in werktijd te mogen doen. Daardoor kwam het gewone werk in het gedrang. Het op tijd afronden van een huiswerkopdracht is een belangrijke verantwoordelijkheid van de advocaat in opleiding en het niet op tijd afkrijgen is een probleem dat [verweerder] over zichzelf heeft afgeroepen, ook los van de discussie of een dergelijke huiswerkopdracht geheel in werktijd uitgevoerd mag worden.

31. Vervolgens heeft [verweerder] een stevige bijdrage aan de verdere escalatie van de verhoudingen geleverd, door teksten in zijn Whatsapp bericht [verzoekster] op te nemen als “Ik vraag me echt af wie er blij van gaat worden als ik die vreemde zaken binnen jouw praktijk erbij haal” en “Zo niet is een klacht en een aangifte tegen jou op de loer”. [verweerder] verliest daarbij de verhoudingen tussen de patroon en de advocaat in opleiding uit het oog. Verder heeft [verweerder] weinig transparant gehandeld door de naam van een kennelijk op zijn naam gesteld bedrijf in Oss bij de Kamer van koophandel reeds per 10 augustus 2021 te veranderen in Advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] , zonder dat hij hier een adequate verklaring voor heeft gegeven. Kennelijk bestonden bij [verweerder] toen al andere plannen dan door te gaan bij [verzoekster] .

32. Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [verzoekster] wel verwijtbaar maar niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Voorwaardelijke zelfstandige tegenverzoeken

33. Nu aan de daaraan gestelde voorwaarde, te weten afwijzing van het verzoek tot ontbinding, niet is voldaan, behoeven deze verzoeken geen verdere bespreking.

Proceskosten

34. De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

Op de verzoeken en de tegenverzoeken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2022;

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen die is berekend met in achtneming van voormelde datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welk bedrag bij niet tijdige betaling wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 1 mei 2022;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2022 door mr. A. Sissing, in tegenwoordigheid van mr. S.D. van Leeuwen, griffier.