Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:802

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
04-03-2022
Zaaknummer
C/13/692100 / HA ZA 20-1086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Val van leerling in trapgat op school. School niet aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2022/17
PS-Updates.nl 2022-0201
RAV 2022/37
JA 2022/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/692100 / HA ZA 20-1086

Vonnis van 26 januari 2022

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ASR BASIS ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,

2. de naamloze vennootschap

ASR AANVULLENDE ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,

beide gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

advocaat mr. J.A.M. Broeders te Etten-Leur,

tegen

de stichting

AMSTELWIJS, STICHTING VOOR OPENBAAR PRIMAIR ONDERWIJS,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

Partijen zullen hierna Ditzo (eiseressen 1 en 2 gezamenlijk) en Amstelwijs worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 oktober 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 7 juli 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, en

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 december 2021 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De basisschool [naam school] maakt onderdeel uit van Amstelwijs (hierna ook aan te duiden als: [naam school] of de school). [naam school] bood ten tijde van de voor deze zaak relevante periode onderwijs aan op drie locaties, waaronder in een schoolgebouw gelegen aan de [adres] (hierna: het schoolgebouw). Op deze locatie waren vijf groepen gevestigd, drie op de begane grond en twee op de eerste verdieping.

2.2.

In het schooljaar 2017/2018 zat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011, in groep 3 van [naam school] .

2.3.

De groep van [minderjarige] bevond zich op de eerste verdieping van het schoolgebouw. In de hal van de begane grond ging een trap van dertien treden omhoog naar een vide met een kapstok waar de jassen en tassen van een aantal van de leerlingen uit de groep van [minderjarige] hingen. Vanaf de vide ging een korte trap van zes treden omhoog naar de eerste verdieping waar het lokaal van de groep van [minderjarige] zich bevond. Hieronder een foto, genomen vanaf de vide.

2.4.

Op 5 februari 2018 rond 12.00 uur mochten de leerlingen van de groep van [minderjarige] de klas verlaten om uit hun tas hun lunch te pakken. De tas van [minderjarige] hing op de kapstok op de vide. [minderjarige] moest de korte trap af om haar tas te pakken. [minderjarige] stapte twee treden naar beneden en klom daarna over de leuning van de trap. Zij is naar beneden gevallen (4 tot 6 meter).

2.5.

[minderjarige] is naar het ziekenhuis (VUmc) gebracht. Zij heeft tien dagen op de Intensive Care gelegen. Als gevolg van de val heeft [minderjarige] letsel opgelopen: een gescheurde milt, letsel aan een nier, een scheur bij de oogkas, een breuk in de linkerpols en een hersenkneuzing. [minderjarige] is vijf keer geopereerd en verbleef in totaal zeven weken in het ziekenhuis.

2.6.

Ditzo is de ziektekostenverzekeraar van (de ouders van) [minderjarige] . Ditzo heeft uitkeringen gedaan in verband met het ongeval van [minderjarige] .

2.7.

Op verzoek van Ditzo en Reaal (de aansprakelijkheidsverzekeraar van Amstelwijs) heeft onderzoeksbureau Sedgwick onderzoek uitgevoerd naar de toedracht van het ongeval. Sedgwick heeft twee rapporten uitgebracht. In het eerste rapport van 1 mei 2020 staat onder meer:

“(…)

Verklaring verzekerde

Op 16 april 2020 sprak ik met de heer [naam 1] , directeur op de betreffende basisschool, mevrouw [naam 2] , ten tijde van het ongeval leerkracht van [minderjarige] en mevrouw [naam 3] , ten tijde van het ongeval leerkracht van groep 1/2.

Mevrouw [naam 2] verklaarde mij het volgende, of in woorden van gelijke strekking:

(…) [minderjarige] was in het schooljaar 2017/2018 bij ons op school gekomen. Zij is een vrolijk en enthousiast kind. Het is ook een impulsief meisje (…).

Op de dag van het voorval stond ik alleen voor de klas. Om 12 uur mogen de kinderen in groepjes de klas uit om de lunch te halen. (…)

Het halen van de lunch gebeurt in groepjes van zes. (…) Op het moment dat [minderjarige] met haar groepje de lunch ging halen, was ik in gesprek met een andere leerling. Nadat [minderjarige] gevallen was, werd ik gehaald door [naam 4] . (…)

Na het voorval heeft [naam 5] (klasgenoot van [minderjarige] , rb.) verteld dat [minderjarige] van de leuning af wilde glijden. (…)

De regels omtrent hoe je, je tas en jas pakt en hoe je naar de kapstok gaat is een terugkerend thema welke in de klas steeds herhaald wordt. Kinderen weten dat zij op de trappen niet mogen rennen en spelen en dat zij voorzichtig moeten zijn.

Op het moment van het voorval was ik in de klas in gesprek met een leerling. De ideale situatie is dat ik in de deuropening sta, maar met een klas van 30 leerlingen gaat dat niet altijd.

De heer [naam 1] verklaarde mij het volgende, of in woorden van gelijke strekking;

(…) Van het eerdere voorval waarbij een leerling van de trap af wilde glijden, is geen incidentenformulier opgesteld. Dit vanwege de omstandigheid dat er geen sprake was van een (bijna) incident, omdat voordat hij of zij actie wilde uitvoeren, hij of zij al gestopt werd. (…)”

2.8.

In het tweede rapport van Sedgwick van 19 mei 2020 staat onder meer:

“(…)

Verklaring moeder belanghebbende

Zij gaf aan dat haar dochter ten aanzien van de toedracht van het voorval het volgende verklaarde, of in woorden van gelijke strekking:

Na het voorval in het ziekenhuis heeft [minderjarige] (…) aangegeven dat zij aan de andere kant van de leuning wilde lopen. Dit was op het moment dat zij net in het ziekenhuis was. (…)

Later heb ik [minderjarige] nog gevraagd hoe het ongeval gebeurd is. Zij vertelde mij dat zij samen met [naam 5] wat fruit / te eten mocht pakken uit haar tas. (…) [minderjarige] gaf aan dat zij meerdere kinderen van de trapleuning had zien glijden. Zij wilde dit ook proberen.”

3 Het geschil

3.1.

Ditzo vordert na wijziging van eis bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht te verklaren dat Amstelwijs aansprakelijk is voor de schade van Ditzo, betaalde en toekomstige uitkeringen op grond van de ziektekostenverzekering(en) als gevolg van het ongeval dat [minderjarige] is overkomen op 5 februari 2018;

II. voor recht te verklaren dat Amstelwijs over de vorderingen van Ditzo gehouden is de wettelijke rente ex artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vergoeden vanaf de datum dat de kosten zijn gemaakt, althans vanaf 16 oktober 2020;

III. Amstelwijs te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 59.532,21, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat de kosten zijn gemaakt, althans vanaf 16 oktober 2020;

IV. Amstelwijs te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 5.523,31, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat de kosten zijn gemaakt, althans vanaf 16 oktober 2020; en

V. Amstelwijs te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Aan de vorderingen legt Ditzo ten grondslag dat Amstelwijs een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Een groep 3 had niet op de eerste verdieping van het schoolgebouw gevestigd mogen worden. Amstelwijs heeft onvoldoende preventieve maatregelen getroffen en nagelaten adequaat toezicht te houden. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld. Ditzo heeft uitkeringen gedaan ten behoeve van [minderjarige] in verband met het ongeval op grond van de basisverzekering en de aanvullende verzekering. Amstelwijs dient deze uikeringen, toekomstige uitkeringen en de buitengerechtelijke kosten te vergoeden aan Ditzo. De vordering onder III dient aldus te worden gelezen dat Ditzo geen voorschot vordert, maar vergoeding van (een deel van de) schade.

3.3.

Amstelwijs voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Ditzo in haar vorderingen, althans afwijzing daarvan, althans vermindering, met veroordeling van Ditzo in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil van partijen ziet met name op de vraag of het vestigen van een groep 3 op de eerste verdieping van het schoolgebouw onzorgvuldig was gezien de aanwezigheid van een trap met een trapleuning en een trapgat. Volgens Ditzo levert het inrichten van de school op die wijze reeds onrechtmatigheid op.

4.2.

Ditzo stelt kort weergegeven dat de trap met trapleuning en het aanwezige trapgat een onverantwoord risico met zich brengt. De aantrekkingskracht van het afglijden van de leuning van de trap op 6-7 jarige kinderen is algemeen bekend. Een groep 3 had niet op de eerste verdieping van het schoolgebouw gehuisvest mogen worden. De leerlingen van de school met een kapstok op de vide moeten de trap vaak betreden, hetgeen extra uitnodigt om van de trapleuning te glijden. Relevant is daarbij dat het aanwezige trapgat een val van 4 tot 6 meter mogelijk maakt. Een dergelijke val kan tot ernstige gevolgen leiden. De school had daarmee rekening moeten houden.

4.3.

Volgens Amstelwijs is het gebruikelijk dat basisscholen worden gehuisvest in gebouwen met meerdere verdiepingen en ook dat een groep 3 op de eerste verdieping is gevestigd. De school heeft diverse schoolregels waaronder het niet rennen op de trap en het niet glijden van de trapleuning. Die regels zijn bekend bij de leerlingen. Van leerlingen in de leeftijd van [minderjarige] mag je verwachten dat zij op normale wijze de trap afgaan en dat zij niet op of over de leuning klimmen. Het ongeval was niet voorzienbaar. Van een situatie waarin leerlingen vaker probeerden van de trapleuning te glijden, was evenmin sprake.

4.4.

Ter beoordeling ligt voor of de school heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een school mag worden verwacht en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). Daarbij gaat het om de vraag of sprake is van gevaarzetting, ofwel of sprake is van de situatie dat iemand voor een ander een gevaar in het leven roept wat in de gegeven omstandigheid onrechtmatig is jegens die ander. De enkele mogelijkheid dat een gedraging tot schade leidt, maakt die gedraging nog niet onrechtmatig. Dat is enkel zo indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate van waarschijnlijkheid dat de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht wordt genomen, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen (de zogeheten Kelderluik-criteria).

4.5.

Het gaat aldus om de vraag of Amstelwijs in strijd met genoemde zorgvuldigheid heeft gehandeld door een groep 3 van [naam school] , met leerlingen van 6/7 jaar oud, op de eerste verdieping van het schoolgebouw te huisvesten waardoor deze leerlingen gebruik moesten maken van de trap. Daarbij is van belang in hoeverre voorzienbaar was dat een leerling van groep 3 op de trapleuning zou klimmen. De aanwezigheid van een trap met een trapleuning en een trapgat brengt in zijn algemeenheid niet mee dat van een gevaarzettende situatie sprake is. Trappen komen veelvuldig voor in woningen en (openbare) gebouwen, waaronder gebouwen waarin scholen zijn gehuisvest. Kinderen zijn doorgaans al op jonge leeftijd goed bekend met (het gebruik van) trappen. Kinderen van 6/7 jaar kunnen zelfstandig een trap op en af gaan. Van kinderen met die leeftijd kan en mag worden verwacht dat zij weten waarvoor een trapleuning is bedoeld, dat zij inzien dat zij niet mogen klimmen op een trapleuning en dat dit gevaarlijk is. De aanwezigheid van een trapgat maakt dat niet anders. Niet is gesteld of gebleken dat de trap in het schoolgebouw wezenlijk anders was dan andere trappen of dat leerdelingen op enige wijze werden uitgenodigd om op de trapleuning te klimmen. Verder is niet concreet weersproken dat de door de school uitgedragen schoolregels leerlingen aansporen tot voorzichtigheid. Dit alles maakt dat voor Amstelwijs niet in zodanige mate voorzienbaar was dat een leerling op de trapleuning zou klimmen dat van een gevaarzettende situatie sprake was als in de hierboven bedoelde zin. Dat leerlingen toch de trapleuning beklimmen is niet uitgesloten, maar een school hoeft een leerling niet te behoeden voor elk risico. Het enkele feit dat een risico bestaat, leidt aldus nog niet tot onrechtmatigheid. Dit alles betekent dat Amstelwijs met het vestigen van een groep 3 op de eerste verdieping van het schoolgebouw op zichzelf niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ditzo.

4.6.

Het voorgaande zou anders zijn als de school signalen zou hebben ontvangen van een gevaarlijke situatie. Niet is gesteld of gebleken dat uitlatingen of gedragingen van [minderjarige] daartoe enige aanleiding gaven. Indien door (andere) leerlingen van de trapleuning werd gegleden of bekend was dat zij dat van plan waren, had van de school verwacht mogen worden dat zij daarop zou hebben gehandeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de directeur van de school echter toegelicht dat nog nooit een leerling de trapleuning had beklommen. Het klimmen op de leuning was ook geen onderwerp dat speelde: leerlingen wisten dat dat niet mocht, aldus de directeur. Ditzo heeft daartegenover niet concreet toegelicht dat vaker op de trapleuning werd geklommen. De verklaring van de moeder van [minderjarige] dat [minderjarige] tegen haar heeft gezegd dat het vaker voorkwam dat leerlingen van de trapleuning wilden glijden, is onvoldoende specifiek en wordt niet ondersteund door andere verklaringen. Wel staat vast dat één leerling, vóór de val van [minderjarige] , een keer van de trapleuning wilde gaan glijden maar dat hij tijdig is tegengehouden. Dit ene incident is onvoldoende om te concluderen dat de school vanaf dat moment ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat de trapleuning zou worden beklommen door een leerling zodat de school maatregelen had moeten nemen.

4.7.

De aansprakelijkheid van Amstelwijs stuit op het voorgaande af. Ditzo heeft aan de vordering ook ten grondslag gelegd dat onzorgvuldig is gehandeld doordat op het moment van het ongeval door de leerkracht van de groep van [minderjarige] geen toezicht is gehouden op de kinderen die de trap af moesten gaan om hun spullen te pakken. De wijze waarop de school het houden van toezicht heeft vormgegeven, acht de rechtbank niet onzorgvuldig. Daarbij speelt mee dat een ongeval zoals dat met [minderjarige] heeft plaatsgevonden niet in die mate voorzienbaar was dat de leerkracht ten allen tijde hoefde te letten op de leerlingen die op de trap waren.

4.8.

De vorderingen worden afgewezen.

4.9.

Ditzo wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Amstelwijs tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 2.042,00

  • -

    salaris advocaat € 2.228,00 (2 punten x tarief € 1.114,-)

Totaal € 4.270,00

4.10.

De nakosten worden ambtshalve toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Ditzo in de proceskosten, aan de zijde van Amstelwijs tot op heden begroot op € 4.270,00;

5.3.

veroordeelt Ditzo in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Ditzo niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak; en

5.4.

verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.1

1 type: CEPH coll: