Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:791

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2022
Datum publicatie
01-03-2022
Zaaknummer
81/178146-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor belastingfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-3-2022
FutD 2022-0721
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 81/178146-20

Datum uitspraak: 23 februari 2022

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.R. van Roomen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. de Haas, naar voren hebben gebracht.

2 Beschuldiging

Verdachte wordt – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – beschuldigd van betrokkenheid bij het opzettelijk onjuist/onvolledig doen van aangiften omzetbelasting en loonbelasting met als doel dat er te weinig belasting werd geheven, in de periodes van, respectievelijk, 1 januari 2014 tot en met 30 november 2019 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019. Onder 1 op de tenlastelegging is de beschuldiging opgenomen ten aanzien van de aangiften omzetbelasting en onder 2 de beschuldiging ten aanzien van de aangiften loonbelasting. Verdachte is telkens het verwijt gemaakt dat hij opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [naam bedrijf BV] al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen doen van de onjuiste/onvolledige aangiften en/of dat hij dit alleen of tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Ontvankelijkheidverweer verworpen en verzoek horen getuigen afgewezen

De raadsvrouw heeft als preliminair verweer en bij pleidooi betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Er zou sprake zijn van onrechtmatigheden en onregelmatigheden die zijn begaan in het kader van het vooronderzoek en het verdere onderzoek. Kort samengevat, ziet het verweer op het verkrijgen van informatie van verdachte door de Belastingdienst tijdens het controle-onderzoek nadat hem ten onrechte geen cautie is gegeven en het vervolgens verstrekken van die informatie aan de FIOD voor strafrechtelijk onderzoek en het gebruiken van die informatie door de FIOD. De procedure als geheel kan daardoor niet meer als eerlijk proces worden aangemerkt in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dan wel er zou daardoor in strijd zijn gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarbij heeft de raadsvrouw verwezen naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1890).

Voor het geval de rechtbank niet van oordeel is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is, heeft de raadsvrouw verzocht om de controle- en FIOD-ambtenaren als getuigen te horen om de gang van zaken nader in kaart te brengen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het preliminaire verweer en zich verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het horen van getuigen.

De rechtbank heeft op de zitting geoordeeld op dat moment geen grond te zien voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie en evenmin voor toewijzing van het verzoek tot het horen van getuigen.

De raadsvrouw heeft het ontvankelijkheidsverweer en (subsidiaire) verzoek tot horen van getuigen vervolgens gehandhaafd bij pleidooi en de officier van justitie heeft daarop wederom geconcludeerd tot verwerping van het verweer en afwijzing van het verzoek tot horen van getuigen.

De rechtbank komt bij vonnis tot het oordeel dat het verweer moet worden verworpen en licht dit als volgt toe.

Met de raadsvrouw en de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat tijdens het controle-onderzoek, in ieder geval na zijn verklaring dat de aansluitingsverschillen in zijn administratie het gevolg waren van financiële problemen, verdachte had moeten worden gewezen op zijn zwijgrecht. Op dat moment kwam immers oplegging van een bestuurlijke boete in beeld en was sprake van een overgang van de controlesfeer naar de opsporingssfeer; er was sprake van een situatie die kan worden aangemerkt als ‘criminal charge’. Verdachte heeft vervolgens, desgevraagd door de Belastingdienst, zonder dat hem de cautie was gegeven, usb-sticks met informatie verstrekt, welke sticks vervolgens aan de FIOD zijn verstrekt. Dit levert een vormverzuim op. De rechtbank verbindt daar echter geen gevolgen aan. Niet gebleken is namelijk dat verdachte hierdoor nadeel heeft geleden of anderszins in zijn (verdedigings)belangen is geschaad. Nog daargelaten dat het openbaar ministerie heeft onderkend dat de cautie ten onrechte niet was gegeven en daarover in overleg is getreden met verdachte en zijn advocaat, is niet gebleken dat de informatie op de usb-sticks van doorslaggevend belang is geweest voor het onderzoek en de bewijsvoering in deze zaak. De Belastingdienst had op basis van gegevens in haar systemen al opgemerkt dat sprake was van aansluitingsverschillen. De daarop gebaseerde doorzoeking in het strafrechtelijk onderzoek was dus – ook los van de informatie op de usb-sticks – rechtmatig. Verdachte is vervolgens in het strafrechtelijk onderzoek verhoord over zijn administratie, aangetroffen bij de doorzoeking, en heeft een bekennende verklaring afgelegd. Het voorgaande maakt dat van de door de raadsvrouw gestelde schending van het recht op een eerlijk proces dan wel handelen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, geen sprake is.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank ook het verzoek tot horen van getuigen af, omdat de noodzaak tot het horen van die getuigen ontbreekt.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het onder 1 en 2 als eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feitelijke leiding geven door verdachte aan het door [naam bedrijf BV] opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzet- en loonbelasting bewezen te achten. Ten aanzien van het onder 1 en 2 als tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde (mede)plegen van het door verdachte doen van onjuiste aangiften heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd.

4.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd. Zij heeft zich aangesloten bij de conclusies van de officier van justitie ten aanzien van de tenlastelegging.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 als tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde (mede)plegen van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en loonbelasting. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [naam bedrijf BV] doen van onjuiste aangiften. De rechtbank komt daarbij tot een bewezenverklaring ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde aangiften, met uitzondering van de onder 1 genoemde aangifte omzetbelasting over het tijdvak november 2019. Uit de stukken (DOC-116) blijkt dat die aangifte is gedaan op 31 december 2019. Die aangifte valt daarmee buiten de tenlastegelegde periode die loopt tot 30 november 2019.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

1.

[naam bedrijf BV] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 november 2019 te Amsterdam en Apeldoorn opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [naam bedrijf BV] over:

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2014 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met april van het jaar 2015 en juni tot en met december van het jaar 2015 en

- de aangiftetijdvakken van januari, februari en april tot en met december van het jaar 2016 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met augustus, oktober en november van het jaar 2017 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2018 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met mei, juli en oktober van het jaar 2019,

telkens onjuist heeft gedaan,

immers heeft [naam bedrijf BV] telkens in de ingeleverde/ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam bedrijf BV] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019 te Amsterdam en Apeldoorn opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de loonbelasting ten name van [naam bedrijf BV] over:

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2014 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2015 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2016 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2017 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met december van het jaar 2018 en

- de aangiftetijdvakken van januari tot en met juni van het jaar 2019,

telkens onjuist heeft gedaan,

immers heeft [naam bedrijf BV] telkens in de ingeleverde/ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde loonheffing opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. In dit vonnis heeft de rechtbank die bewijsmiddelen niet opgenomen, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de bewezen geachte feiten. Daarom wordt dit vonnis een ‘verkort vonnis’ genoemd. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezengeachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Bij het bepalen van haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten en een benadelingsbedrag van € 567.569, -. Daarbij geeft zij aan dat de bij dat bedrag behorende oriëntatiepunten voor strafoplegging van de rechtbank en gerechtshoven een gevangenisstraf van tussen de 18 en 24 maanden vermelden. Het baart de officier van justitie zorgen dat verdachte heeft verklaard dat ‘de gelegenheid de dief maakte’ en dat het wellicht niet zover was gekomen als de Belastingdienst er scherper op had gezeten. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte, zijn meewerkende proceshouding, de omstandigheid dat de belastingfraude is ingegeven door zakelijke financiële problemen en niet door persoonlijk financieel gewin en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Tot slot vindt de officier van justitie dat de redelijke termijn niet is overschreden. Die termijn vangt volgens haar aan met het uitbrengen van de concept-tenlastelegging op 26 november 2020 ten behoeve van mogelijke onderzoekshandelingen te verrichten door de rechter-commissaris.

8.2

Standpunt van de raadsvrouw

Voor het geval de rechtbank het ontvankelijkheidsverweer zou verwerpen, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht met de in dat kader aangevoerde onrechtmatigheden en onregelmatigheden wel in strafmatigende zin rekening te houden. Verder heeft zij de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die zij uitgebreid heeft toegelicht. Ook heeft zij gewezen op de meewerkende proceshouding van verdachte, zijn blanco strafblad en zijn inspanningen om zijn schulden te minimaliseren. De raadsvrouw gaat uit van een benadelingsbedrag van € 518.962, -, waarbij zij heeft opgemerkt dat geen sprake is van zelfverrijking. Tot slot vindt de raadsvrouw dat de redelijke termijn is overschreden. Die termijn is volgens haar aangevangen op 10 oktober 2019, het moment waarop verdachte is meegedeeld dat hem ten onrechte niet de cautie is gegeven en dat de wens bestond hem verder te verhoren. Mocht de rechtbank dat moment niet als aanvang van de redelijke termijn aanmerken, dan geldt in ieder geval het eerste verhoor op 26 november 2019 als aanvang van de redelijke termijn, aldus de raadsvrouw.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Wat betreft de ernst van de feiten geldt dat verdachte door de belastingfraude de belangen van de Staat en eerlijke belastingbetalers heeft benadeeld en dat hij heeft bijgedragen aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Hij heeft misbruik gemaakt van het systeem van belastingheffing dat is gebaseerd op het vertrouwen dat belastingplichtigen correct aangiften doen. Ook heeft verdachte de belastingcontrole en -heffing ernstig bemoeilijkt. Uiteindelijk is sprake van een zeer fors benadelingsbedrag van ruim € 500.000, - euro.

Bij voormeld benadelingsbedrag geldt volgens de oriëntatiepunten voor strafoplegging bij fraudezaken van de rechtbanken en gerechtshoven dat oplegging van een gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden passend is. Bij deze oriëntatiepunten zijn strafvermeerderende en strafver-minderende factoren vermeld. In deze zaak kunnen de lange duur van de fraude en de omstandigheid dat verdachte de fraude pas heeft beëindigd nadat die fraude was ontdekt als strafvermeerderende factoren worden aangemerkt. Daartegenover staan de volgende strafverminderende factoren. Verdachte heeft de fraude gepleegd vanwege financiële problemen van zijn onderneming en heeft er zelf geen voordeel door verkregen. Verdachte heeft in de afgelopen periode de nodige inspanningen verricht om het nadeel ongedaan te maken, onder meer door zijn bedrijf te verkopen, de opbrengst van die verkoop ter beschikking te houden voor de Belastingdienst en met behulp van zijn advocaat contact te zoeken met de Belastingdienst om met privé middelen de schuldenpositie te minimaliseren. Verder heeft hij medewerking verleend aan het onderzoek. Ook heeft hij inzicht gegeven in zijn handelen en stappen ondernomen om te voorkomen dat hij weer in de positie zou kunnen komen om fraude te plegen, door te stoppen met ondernemen en in loondienst te gaan werken. Dit maakt dat het recidivegevaar beperkt is. Tot slot is zijn financiële draagkracht beperkt vanwege zijn schulden en heeft hij een blanco strafblad.

In deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Als aanvang van die termijn merkt de rechtbank de doorzoeking op 9 december 2019 aan. Dat is de eerste handeling jegens verdachte waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Uitgangspunt is dat in een strafzaak twee jaar na aanvang van het hiervoor bedoelde moment – in deze zaak dus op 9 december 2021 – een vonnis moet volgen. Nu het vonnis op 23 februari 2022 zal worden uitgesproken, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met tweeëneenhalve maand.

Al het voorgaande afwegend en gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder de broze gezondheidssituatie van hem en van zijn vrouw, zal de rechtbank verdachte in afwijking van de oriëntatiepunten geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Oplegging van de maximale werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden vindt de rechtbank passend en geboden. Die voorwaardelijke gevangenisstraf is onder meer bedoeld om verdachte ervan te weerhouden opnieuw (vergelijkbare) strafbare feiten te plegen. Hoewel de rechtbank heeft overwogen dat het recidivegevaar beperkt is, heeft de rechtbank oog voor zijn, ook door de officier van justitie aangehaalde, verklaring dat ‘de gelegenheid de dief maakte’ en dat het wellicht niet zover was gekomen als de Belastingdienst er scherper op had gezeten. De rechtbank stelt daarbij vast dat verdachte ook nadat hij was benaderd door de Belastingdienst nog enige tijd is doorgegaan met het plegen van fraude. Dat maakt dat de rechtbank er toch niet helemaal gerust op is dat verdachte niet weer de fout in zal gaan. De forse voorwaardelijke gevangenisstraf drukt bovendien de ernst van de feiten uit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 2 als tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 telkens als eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. B. Vogel en C.P. Bleeker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 februari 2022.

[...]