Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:780

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2022
Datum publicatie
24-02-2022
Zaaknummer
13/752230-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB, executie, België, verzetgarantie, verweer genoegzaamheid, detentieomstandigheden, OL toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752230-21

RK nummer: 21/6161

Datum uitspraak: 25 januari 2022

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 november 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 augustus 2018 door het hof van beroep Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 januari 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is door middel van een videoverbinding gehoord en is bijgestaan door haar raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam


Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het hof van beroep Antwerpen, van 20 juni 2018 (griffienummer: 682/18). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren. Van deze straf resteren nog 1546 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW kan de overlevering van een Nederlander onder de nader in die bepaling omschreven voorwaarde worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

Deze bepaling is echter niet van toepassing, indien het arrest nog niet onherroepelijk is, omdat daartegen nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld of daartegen een rechtsmiddel is ingesteld waarop nog niet onherroepelijk is beslist.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat
- kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) het volgende verklaard:

X 3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan betrokkene betekend, maar werd op 21/6/2018 betekend op het onbekende woonst volgens de Belgische wetsbepalingen.

- de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en

- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, en

- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk 15 dagen.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft daarnaast bij e-mail van 10 december 2021 het volgende verklaard:

“Zij kan steeds verzet aantekenen tegen het verstekarrest.”

Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 10 december 2021 bij e-mail nog het volgende verklaard:

“ Betreffende het aantekenen van verzet: zie tevens punt d.3.4 van het EAB (hetgeen door mijn ambt was aangekruist én ingevuld !) waaronder de uitleg ter zake al stond”

Standpunten van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet voldoende duidelijk is of er sprake is van een onvoorwaardelijke afdoende verzetgarantie. Ook is de garantie niet afgegeven door een daartoe bevoegde persoon nu uit de e-mail blijkt dat het om een secretaris gaat. Daarnaast wordt in het EAB gesproken over een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest. Er is nog geen sprake van een tenuitvoerlegging vatbaar arrest en het EAB had als grondslag een nationaal aanhoudingsbevel moeten bevatten. Nu dit ontbreekt dient er nagevraagd te worden of er een nationaal aanhoudingsbevel aan het EAB ten grondslag ligt. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten nadere vragen te stellen over de afgegeven verzetgarantie en het nationale aanhoudingsbevel.

Standpunten van de officier van justitie

De verzetsgarantie dient te worden gegeven door de uitvaardigende lidstaat, zoals eerder is bepaald in de uitspraak van deze rechtbank van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3792). Daarnaast hoeft er geen nadere informatie te worden opgevraagd over een eventueel aanhoudingsbevel nu de Belgische autoriteiten hebben aangekruist dat het om een tenuitvoerlegging vatbaar arrest gaat. Er had niet ingevuld hoeven worden dat het om een nationaal aanhoudingsbevel ging.

Oordeel van de rechtbank

Het EAB is uitgevaardigd door het hof van beroep van Antwerpen (België) op grond van een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest van het hof van 20 juni 2018. Hieruit volgt dat sprake is van een executie-EAB. Dat de opgeëiste persoon nog de mogelijkheid heeft om verzet tegen dit arrest aan te tekenen betekent niet dat thans sprake is van een vervolgings-EAB en dat de Belgische autoriteiten een nationaal aanhoudingsbevel aan het EAB ten grondslag zouden moeten leggen. De rechtbank ziet geen reden voor aanhouding en verwerpt het verweer.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval sprake is van een onvoorwaardelijke verzetsgarantie. Onder 3.4 van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon na de betekening van de beslissing verzet zal kunnen aantekenen waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, en wat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Aan het recht op verzet zijn volgens deze garantie geen voorwaarden verbonden. Nu deze garantie ondubbelzinnig is geformuleerd mag, gelet op het wederzijdse vertrouwen vertrouwen waarop het systeem van het EAB berust, van deze verklaring worden uitgegaan.

Nu de verzetgarantie in het EAB zelf is vervat en mitsdien door de uitvaardigende justitiële autoriteit zelf is afgegeven, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de verzetgarantie niet door de bevoegde autoriteit is afgegeven. Dit verweer wordt eveneens verworpen. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding nadere vragen te stellen omtrent de verzetgarantie.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet.

3.2

Genoegzaamheid

Standpunt van de verdediging

De feitenzijn niet genoegzaam omschreven zodat de overlevering dient te worden geweigerd. De verdenking is niet duidelijk. In het EAB worden 54 feiten genoemd, maar uit het EAB is niet af te leiden wat de 54 feiten daadwerkelijk zijn en wat de opgeëiste persoon wordt verweten. De zaak dient te worden aangehouden zodat aan de Belgische autoriteiten gevraagd kan worden voor welke concrete feiten de opgeëiste persoon vervolgd wordt.

Standpunt van de officier van justitie

Het EAB is genoegzaam. Er is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon verdacht wordt en de datum en plaats van de strafbare feiten worden genoemd. Het is niet nodig de behandeling van de zaak aan te houden als bepaalde feiten onduidelijk zijn, er kan eventueel partieel geweigerd worden.

Oordeel van de rechtbank

Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk is voor de opgeëiste persoon om af te leiden waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk verschillende vormen van oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte, witwassen en faillissementsdelicten in de periode van 27 september 2006 tot 25 september april 2014 in Wellen en elders in België. In het EAB is daarnaast een uiteenzetting van de feiten gegeven waarbij de rol en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon nader zijn toegelicht. De opgeëiste persoon zou onder meer als bestuurder van de Nederlandse vennootschappen [naam NV 1] en [naam NV 2] en als zaakvoerder van [naam Holding] en [naam vennootschap] dan wel middels strofiguren betrokken zijn bij het plegen van voormelde strafbare feiten.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. Het EAB voldoet dan ook aan de eisen die de OLW in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e stelt. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding nadere vragen te stellen omtrent de genoegzaamheid.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, met uitzondering van de in onderdeel E2 vermelde feiten, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 9 en 20, te weten:

witwassen van opbrengsten van misdrijven;

oplichting.


Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten in onderdeel E2 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

valsheid in geschrift;

poging tot valsheid in geschrift;

verduistering;

oplichting;

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

het als degene die in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel hebben onttrokken terwijl hij weet dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Het IRC heeft in dat verband bij e-mail van 7 december 2021 de volgende vraag gesteld aan de Belgische autoriteiten:

“Gebleken is dat [opgeëiste persoon] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 5 lid 3 van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 6 lid 1 van de Nederlandse Overleveringswet de overlevering slechts kan worden toegestaan nadat van u de garantie is ontvangen dat, in het geval de opgeëiste persoon na overlevering in Belgie onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, hij / zij deze straf in Nederland mag ondergaan op grond van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Ik verzoek u vriendelijk deze garantie tot teruglevering te verlenen.”

In antwoord daarop heeft de secretaris van het Parket bij het hof van Beroep Antwerpen (België) op 10 december 2021 de volgende garantie gegeven:

“Hierbij bevestig ik dat aan betrokkene terugkeergarantie wordt verleend.”

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Artikel 11; detentieomstandigheden in België

Bij uitspraak van 22 juni 20211 heeft de rechtbank geconcludeerd dat in België een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waarvan hier sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.

De General Counsellor bij het Directorate General Legislation, Fundamental Rights and Freedoms heeft bij brief van 9 september 2021, die in het dossier van de opgeëiste persoon is gevoegd, de volgende algemene garantie gegeven:

“Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel:

- De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon.

- De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.”

Eerder in deze brief wordt ten aanzien van gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt:

“Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken.”

In haar uitspraak van 7 oktober 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5759) heeft deze rechtbank overwogen dat de hiervoor genoemde brief van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021 in elke overleveringszaak geldig is, zoals de Belgische autoriteiten in bedoelde brief hebben bevestigd, en dat het om die reden niet noodzakelijk is dat voor elke individuele opgeëiste persoon een detentiegarantie wordt opgevraagd.

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de hiervoor genoemde garantie.2 De rechtbank is, gelet op deze toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. De detentieomstandigheden staan niet aan overlevering in de weg.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 225, 321, 326 en 340 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het hof van beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en C.M. Delstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2022.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2021:3243.

2 Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.