Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:71

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
13/240256-21 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 18-jarige man is veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie waarvan 125 dagen voorwaardelijk omdat hij op 22 augustus 2021 in De Pijp een man met een mes in zijn borst stak toen die een ruzie probeerde te sussen. Ook moet hij ruim 2.500 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/240256-21 (Promis)

Datum uitspraak: 11 januari 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 december 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Casteleijns en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.A.Th. Lemmers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

poging tot doodslag op [slachtoffer] op 22 augustus 2021 te Amsterdam;

subsidiair ten laste gelegd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel;

meer subsidiair ten laste gelegd als mishandeling.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 22 augustus 2021 zag [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) verdachte en een meisje ruzie maken in de Schipbeekstraat. Hij heeft geprobeerd de ruzie te sussen en is daarbij door verdachte met een mes in zijn borststreek geraakt, waarbij hij een steekverwonding heeft opgelopen. Verdachte is in beeld gekomen, nadat hij door twee verbalisanten was herkend op de camerabeelden van het incident.

4.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezen. Vastgesteld kan worden dat verdachte in ieder geval één stekende beweging met een mes heeft gemaakt en daarmee [slachtoffer] in de borst heeft geraakt. De kans dat [slachtoffer] door dit incident dodelijk verwond zou worden, is aanmerkelijk te noemen en die kans heeft verdachte bewust aanvaard.

4.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte uit paniek heeft gehandeld en een verkeerde keuze heeft gemaakt. Verdachte is in de kern een angstige jongen. Hij was op het bewuste moment bang dat hij door [slachtoffer] in elkaar zou worden geslagen en heeft een verkeerde beslissing genomen. Hij heeft niet de intentie gehad om [slachtoffer] met het mes te raken. Het handelen van verdachte moet niet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Verdachte heeft, gelet op het door [slachtoffer] opgelopen letsel, niet met kracht gestoken. Verdachte heeft [slachtoffer] op afstand willen houden en daarom zijn arm waarmee hij het relatief kleine mesje vasthield uitgestrekt. Dat is geen beweging waarbij er een aanmerkelijke kans bestaat dat iemand dodelijk wordt geraakt.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen. De rechtbank overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de intentie heeft gehad [slachtoffer] in de borst te raken. Hij heeft een verkeerde beslissing genomen door het mes tevoorschijn te halen en heeft nooit de bedoeling gehad [slachtoffer] met het mes te raken. Hij was in paniek en heeft alleen gewild dat [slachtoffer] op afstand zou blijven.

Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte niet slechts het mes heeft getoond, maar dat hij met het mes in de hand een stekende beweging richting de borst van [slachtoffer] heeft gemaakt. Dit blijkt uit de verklaringen van aangever en van alle bij het incident aanwezige getuigen. Ook getuige [getuige 1] heeft laatstelijk bij de politie nog verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] had geraakt, waarna er bloed op het shirt van [slachtoffer] te zien was.

De rechtbank moet beoordelen hoe de daad van verdachte te kwalificeren valt. Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen, moet bewezen kunnen worden dat bij verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] aanwezig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen bewijs voor vol opzet op de dood. De vraag resteert of verdachte hier voorwaardelijk opzet op had.

Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood teweeg heeft gebracht, verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en die kans ook heeft aanvaard. Met een aanmerkelijke kans op de dood wordt, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak, een niet verwaarloosbare, reële kans bedoeld, dat iemand komt te overlijden. In deze zaak is één steekwond toegebracht met een puntig mesje met een lemmet van een paar centimeter. Uit de letselverklaring volgt dat verdachte met het mes een oppervlakkige wond in de borst heeft veroorzaakt. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat door tijdens een emotionele confrontatie met een ander die vlakbij staat met een dergelijk mes een stekende beweging in de richting van de borst van die ander te maken, een aanmerkelijke kans op de dood ontstaat. Degene met het mes heeft immers niet de volledige controle over zijn eigen en andermans handelen en zo kan een potentieel dodelijke steekverwonding worden toegebracht. Dat in deze zaak slechts sprake is geweest van een oppervlakkige wond, maakt dit niet anders. De rechtbank acht daarom bewezen dat, door met een mes in de richting van de borst van [slachtoffer] te steken, verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] teweeg heeft gebracht.

De gedragingen van verdachte – het mes pakken en daarmee een stekende beweging maken in de richting van de borst – kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat verdachte de kans op de dood van [slachtoffer] dan ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 22 augustus 2021 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, rondom de linker borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte moet worden berecht volgens het jeugdstrafrecht en gevorderd dat hij voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 125 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Verder is gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafeis geen verweer gevoerd.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een mes in de borststreek van [slachtoffer] te steken. De omstandigheid dat [slachtoffer] slechts een kleine verwonding heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid, die niet aan het handelen van verdachte is te danken. Dit soort feiten brengen angst en leed toe aan slachtoffers. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer] tot op heden psychische klachten ervaart als gevolg van het gebeurde. Doordat het geweld plaatsvond op de openbare weg heeft verdachte ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde gemaakt en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 22 december 2021 volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet op een recente veroordeling voor een andersoortig feit houdt de rechtbank bij de straftoemeting wel rekening met hetgeen bepaald is in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 8 december 2021. Omdat er sprake was van enige doorwerking van de problematiek van verdachte (ADHD en gedragsstoornis) in het vermogen tot gedragsregulatie, is door de psycholoog geadviseerd om verdachte het feit verminderd toe te rekenen. Op basis van de gesignaleerde problematiek, ter bevordering van de ontwikkeling van verdachte en om de kans op recidive te verlagen, wordt door de psycholoog zowel individuele behandeling voor verdachte als systemische behandeling geadviseerd. Geadviseerd wordt om aan verdachte een jeugdreclasseringsmaatregel met toezicht en begeleiding op te leggen, met als bijzondere voorwaarden meewerken aan behandeling en het volgen van een opleiding. De reclassering heeft in haar rapport van 10 december 2021 een gelijkluidend advies gegeven en daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht geadviseerd. De rechtbank neemt de conclusies en de motiveringen uit genoemde rapportages over en maakt die tot de hare.

Toepasselijk recht

Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 18 jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.

De psycholoog heeft beschreven dat de handelingsvaardigheden van verdachte minder goed ontwikkeld zijn dan verwacht wordt op basis van zijn kalenderleeftijd. Ook met betrekking tot de pedagogische beïnvloeding lijkt een aanpak volgens het jeugdstrafrecht volgens de psycholoog passend en potentieel vruchtbaar. Ook door de reclassering wordt geadviseerd tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Wel zou het toezicht uitgevoerd moeten worden door de volwassenenreclassering, omdat verdachte daar al is gestart met een meldplicht en gebaat is bij een stevig kader waarin hij aangesproken wordt op zijn eigen verantwoordelijkheid. De rechtbank maakt zich deze conclusies eigen en ziet aldus in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen.

De op te leggen straf

Gezien de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de keuze voor toepassing van het jeugdstrafrecht en het gegeven dat het feit aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, acht de rechtbank de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht een toereikende bestraffing in onvoorwaardelijke zin.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank zal daarom een jeugddetentie opleggen voor de duur van 200 dagen, waarvan 125 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering, een verplichting om mee te werken aan een (systemische) behandeling en een verplichting tot het volgen van een opleiding, noodzakelijk. Deze verplichtingen zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie worden verbonden. De rechtbank bepaalt dat toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de volwassenenreclassering wordt uitgevoerd.

Gelet op de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Het voorhanden hebben van een wapen op straat tijdens een ruzie levert gevaar op voor de onaantastbaarheid van het lichaam van anderen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 Beslag

Onder verdachte is volgens de beslaglijst het volgende voorwerp in beslag genomen: 1 STK Steekwapen.

Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

10 De benadeelde partij

10.1.

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 1.004,35 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 50,- aan reis- en parkeerkosten, € 369,35 aan eigen risico voor de zorgverzekering voor het jaar 2021, € 385,- aan eigen risico voor de zorgverzekering voor het jaar 2022, € 150,- aan kosten voor littekencrème en € 50,- aan kosten voor vernielde kleding. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 6.000,- aan vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij vordert het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering ten aanzien van de gestelde materiële schade aanzienlijk te matigen. Gesteld is dat de benadeelde partij in 2021 en 2022 behandelingen zal krijgen voor PTSS en trauma. Dit is echter niet onderbouwd met facturen. Bovendien is niet duidelijk waaruit blijkt dat de benadeelde partij ook in 2022 onder behandeling zal zijn. Er is geen bonnetje bijgevoegd van de littekencrème. Bovendien heeft het slachtoffer een relatief kleine verwonding opgelopen, waardoor de gevorderde kosten bovenmatig voorkomen.

Volgens de raadsvrouw is het gevorderde bedrag ten aanzien van de immateriële schade buitenproportioneel en staat dit niet in verhouding tot toegekende vergoedingen in vergelijkbare zaken. Ook dit deel van de vordering dient aanzienlijk te worden gematigd.

10.4.

Oordeel van de rechtbank

10.4.1.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 544,35 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit.

Voor vergoeding komt geheel in aanmerking:

- € 50,- reis- en parkeerkosten;

- € 369,35 eigen risico ziektekostenverzekering 2021;

- € 50,- kleding.

Deze kosten zijn door de verdediging niet met zoveel woorden betwist.

Voor vergoeding komt gedeeltelijk in aanmerking:

- € 75,- littekencrème

De rechtbank overweegt dat uit het dossier voldoende naar voren komt dat het slachtoffer een litteken heeft opgelopen. De hoogte van kosten voor de littekencrème acht de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. Zo zijn geen bonnen of betalingsbewijzen overgelegd. De rechtbank schat derhalve de kosten van de littekencrème op € 75,-. Dit deel van de vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de eigen bijdrage voor de ziektekostenverzekering voor het jaar 2022 ziet op vergoeding van nog niet geleden schade. Het betreft dus toekomstige schade en is daarom onvoldoende bepaald. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

10.4.2.

Immateriële schade

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Op grond van de door de benadeelde partij naar voren gebrachte omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen. De rechtbank komt een vergoeding van de immateriële schade billijk voor tot een bedrag van € 2.000,-. Dit deel van de vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.

10.4.3.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De vordering zal derhalve in totaal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.544,35.

De rechtbank bepaalt dat de toegewezen vergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 63, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 200 (tweehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 125 (honderdvijfentwintig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig

vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen door polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling richt zich op het verbeteren van de emotieregulatie, omgaan met impulsiviteit en vaardigheden voor probleemoplossing. Indien mogelijk worden binnen de behandeling ook systeemgesprekken gevoerd. De behandeling start zo snel mogelijk na het vonnis. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Volgen van onderwijs

Verdachte volgt een opleiding op MBO niveau, voor de duur van twee jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 STK Steekwapen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 544,35 (zegge: vijfhonderdvierenveertig euro en vijfendertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 augustus 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.544,35 (zegge: tweeduizendvijfhonderdvierenveertig euro en vijfendertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 augustus 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en I. Timmermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 januari 2022.