Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:529

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2022
Datum publicatie
11-02-2022
Zaaknummer
13/320205-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 52-jarige man is veroordeeld tot 120 uur taakstraf omdat hij op 6 december 2019 samen met twee anderen een man mishandelde tijdens het uitgaan in een club aan het Rembrandtplein in Amsterdam. Ook moet hij 450 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/320205-20 (Promis)

Datum uitspraak: 11 februari 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1969,

wonende op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op
28 januari 2022.

De zaak tegen de verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13-320196-20) en [medeverdachte 2] (13-320218-20).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. R. Korver, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 6 december 2019 te Amsterdam (in club Olivia, gelegen aan het Rembrandtplein 17) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) een of meermalen die [slachtoffer] vast te pakken en/of die [slachtoffer] tegen het (onder)lichaam te schoppen en/of te trappen en/of die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer] (naar achteren) te duwen en/of (nadat die [slachtoffer] was komen te vallen) tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 6 december 2019 bevonden aangever en een vriend, [naam ] , zich op het openingsfeest van Club Oliva in Amsterdam. Ook verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en zijn vriendin waren daar aanwezig. Op enig moment passeerde aangever de groep van verdachte in zaal 2 van de club (hierna: de zaal), waarbij hij in de richting van de vriendin van [medeverdachte 1] bewoog. Vervolgens werd hij door [medeverdachte 1] aangesproken en ontstond onenigheid, waarbij door verdachte en zijn medeverdachten geweld op aangever werd toegepast. Het geweld verplaatste zich daarna richting de uitgang van de zaal en ging verder in de gang naar en in de kluisjesruimte. Aangever is geschopt, geslagen en hij is op de grond terecht gekomen, waarna hij nogmaals is geschopt.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde mishandeling bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat de aangifte wordt ondersteund door zowel de verklaring van getuige [naam ] als door de camerabeelden. Op grond van deze bewijsmiddelen kan bewezen worden dat de verdachte aangever meermaals met de vuist tegen het lichaam en het gezicht heeft geslagen, te weten in de zaal en bij de uitgang van de zaal. Ook heeft verdachte aangever in de kluisjesruimte tegen het lichaam geschopt. [medeverdachte 2] heeft aangever in de zaal een keer met de vlakke hand in het gezicht geslagen. [medeverdachte 1] heeft aangever vastgepakt, geduwd en meermaals tegen het lichaam geschopt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van afstemming tussen verdachte en zijn medeverdachten en dat zij nauw hebben samengewerkt, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie stelt dat geen sprake is van noodweer, nu aangever het glas op de beelden nog vast had op het moment dat hij op de eerste beelden wegloopt en dus na de eerste confrontatie. Vervolgens heeft verdachte zelf de confrontatie weer opgezocht door achter aangever aan richting de kluisjesruimte te lopen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft geen geweld tegen aangever gebruikt. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte niet de eerste klap heeft uitgedeeld. Verdachte heeft geprobeerd het incident te sussen en de partijen uit elkaar te houden. Aangever heeft zelf bekend dat hij met een glas heeft gegooid. Verdachte heeft, op het moment dat aangever het glas nog vasthad, instinctief gereageerd door een afwerende beweging richting het glas te maken. Verdachte heeft het glas uit de handen van aangever proberen te slaan, maar heeft aangever niet geraakt. Dit verklaart wel de stompende beweging van verdachte met zijn rechterhand naar beneden die op de camerabeelden is te zien. Ook uit de camerabeelden van de gang valt niet op te maken wat zich daar precies heeft afgespeeld. Ook hier heeft verdachte geprobeerd de boel te sussen. Verdachte ontkent aangever te hebben geschopt of geslagen. Daarnaast is geen sprake geweest van medeplegen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake was van noodweer. De ogenblikkelijke aanranding bestond uit het gooien van het glas door aangever. Verdachte heeft al eens een glas in zijn gezicht gehad en heeft om die reden vanuit een automatisme gereageerd. Verdediging hiertegen was vervolgens noodzakelijk. Het was voor verdachte niet mogelijk zich aan de situatie te onttrekken, want hiervoor was geen tijd. Gelet hierop moet verdachte worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen (tezamen en in verenging met een ander of anderen) kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol inde voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op de camerabeelden van zaal 2 is het volgende te zien. Aangever komt met een glas in zijn rechterhand aanlopen en probeert een persoon die langs hem loopt te ontwijken. Aangever raakt enigszins uit balans en beweegt daarbij in de richting van de vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] . Aangever loopt vervolgens door zonder naar verdachte en zijn medeverdachten te kijken, maar wordt dan door [medeverdachte 1] bij zijn arm vastgepakt. [medeverdachte 1] lijkt iets te zeggen tegen aangever. Dan slaat [medeverdachte 2] aangever met de vlakke hand in het gezicht. Verdachte geeft aangever daarop een duw, waarna aangever naar achteren deinst. Er komt een man tussen die met zijn hand een sussend gebaar maakt naar de drie verdachten. [medeverdachte 1] loopt in de richting van aangever en aangever loopt achteruit. Vervolgens geeft [medeverdachte 1] een schop met zijn rechterbeen tegen het rechterbeen van aangever. [medeverdachte 2] trekt [medeverdachte 1] dan weg, gaat voor [medeverdachte 1] staan en loopt in de richting van aangever. Verdachte staat naast [medeverdachte 2] . Aangever loopt achteruit. Eerdergenoemde man loopt in de richting van de drie verdachten, maakt wederom sussende gebaren in hun richting en loopt dan weg bij aangever. Aangever kijkt zoekend om zich heen. [medeverdachte 2] maakt dan met zijn rechterhand een gebaar in de richting van aangever dat lijkt op ‘wegwezen’. Vervolgens geeft [medeverdachte 2] verdachte een duwtje op de schouder en duwt hem vervolgens wat naar voren. [medeverdachte 2] en verdachte kijken richting aangever. Aangever wordt door meergenoemde man meegetrokken. Verdachte loopt in de richting van aangever. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kijken naar hen en verdwijnen dan uit beeld. Vervolgens maakt verdachte een slaande beweging, waarna ook hij uit beeld verdwijnt.

Op de camerabeelden van de kluisjesruimte is te zien dat aangever op de grond valt. Een onbekend gebleven man geeft met kracht meer trappen tegen aangever. Aangever ligt op de grond. [medeverdachte 1] komt dan in beeld en te zien is dat hij aangever met zijn rechterbeen een trap geeft en dan over hem heen stapt. Verdachte staat hier ook bij.

Uit het voorgaande, samen bezien met de aangifte en de letselverklaring, volgt dat alle drie de verdachten geweldshandelingen tegen aangever hebben gepleegd, waarbij verdachte aangever heeft geduwd en geslagen. Op de camerabeelden van de zaal is rechts onderin beeld te zien dat verdachte richting aangever loopt en een slaande beweging maakt. [medeverdachte 1] heeft aangever tweemaal geschopt waarvan eenmaal toen aangever op de grond lag. [medeverdachte 2] heeft aangever in zijn gezicht geslagen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hun geweldshandelingen afgewisseld en elkaar daarbij getalsmatig versterkt. [medeverdachte 1] heeft aangever als eerste vastgepakt, [medeverdachte 2] is direct daarna met het geweld begonnen en [medeverdachte 1] en verdachte hebben het geweld daarna afgewisseld. De handeling waarbij [medeverdachte 2] verdachte naar voren in de richting van aangever duwt, legt de rechtbank uit als een aansporing om geweld tegen aangever te plegen. Het is ook verdachte die aangever vervolgens heeft geslagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten.

Het antwoord op de vraag of verdachte en [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] kende of bevriend met hem waren, is voor de vraag of sprake was van medeplegen niet van belang. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het noodweerverweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gestelde lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden. Daaruit volgt geenszins dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Integendeel, verdachte is zelf een van de agressors geweest. Hij heeft aangever een duw gegeven en vervolgens met de andere verdachten achter aangever aangelopen. Als aangever vervolgens richting de uitgang is gelopen, zou hij in paniek zijn glas naar de groep hebben gegooid. Als aangever het glas al niet meer in zijn handen heeft, loopt verdachte nogmaals richting aangever en past wederom geweld toe. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 6 december 2019 te Amsterdam, in Club Oliva, gelegen aan het Rembrandtplein 17, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] vast te pakken en/of die [slachtoffer] tegen het lichaam te schoppen en/of die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] naar achteren te duwen en/of, nadat die [slachtoffer] was komen te vallen, tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft gesteld dat sprake is van noodweerexces dan wel van putatief noodweer. De sfeer was gespannen en aangever maakte geen aanstalten om weg te lopen. Aangever heeft vervolgens het glas richting het gezicht van verdachte gegooid, waardoor die er vanuit mocht gaan dat hij zou worden aangerand.

Op grond van de onder 4.4 vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het beroep op putatief noodweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft gesteld een trauma te hebben opgelopen doordat hij ooit een glas in zijn gezicht heeft gekregen waardoor hij een litteken heeft, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Niet aannemelijk is dan ook geworden dat dit trauma een redelijke aanleiding zou vormen voor de veronderstelling dat er sprake was van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met de negatieve media-aandacht die er voor deze zaak is geweest. Daarnaast heeft de verdachte een medische aandoening waardoor hij veel zenuwpijn heeft. De raadsman verzoekt om een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, of een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mishandeling door samen met zijn medeverdachten in een volle club het slachtoffer vast te pakken, te slaan en meermalen te schoppen, waaronder een trap terwijl het slachtoffer op de grond lag. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zonder enige aanleiding de confrontatie met aangever heeft gezocht en daarna samen met anderen over is gegaan tot geweld. Dergelijk handelen is niet anders te kwalificeren dan als zinloos geweld. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft blijkens de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen door zijn advocaat niet alleen veel pijn gehad na het incident maar ook emotioneel gezien heeft het voorval veel indruk gemaakt. Het slachtoffer heeft last gehad van gevoelens van angst en onveiligheid en slaapproblemen. Dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Daarnaast zijn veel mensen getuige geweest van het voorval. Dit soort uitgaansgeweld zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid onder de aanwezigen in club Oliva en in de maatschappij. Dat sprake is van uitgaansgeweld weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 augustus 2021 betreffende verdachte blijkt dat verdachte niet eerder voor geweldsfeiten is veroordeeld. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om aan verdachte nog een voorwaardelijke straf op te leggen. In de strafmaat zal de rechtbank echter wel rekening houden met het feit dat hij voor andere feiten is veroordeeld en dat hij eenmaal is veroordeeld na het plegen van onderhavig feit.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een werkstraf voor de duur van 120 uren passend.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 546, 95 aan vergoeding van materiële schade en € 1000, - aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede € 384, - aan proceskosten.

De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:

- pet: € 57,-;

- handschoenen € 89,95;

- pantalon: € 400,-.

9.1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft gesteld dat de gevorderde materiële schade in rechtstreeks verband staat met het strafbare feit. Een eventuele matiging van het materiële deel zou aan de orde kunnen zijn, nu de nieuwwaarde gevraagd is voor kleding van meer dan een jaar oud.

9.2

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair verzocht tot afwijzing van de vordering, dan wel niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht het materiële deel te matigen. Er is geen sprake van causaal verband tussen het feit en het niet terugkrijgen van de pet en handschoenen. Ook is de schadepost van de pet onvoldoende onderbouwd nu enkel een pintransactie is bijgevoegd. Daarnaast is de aanschafprijs van de pet en handschoenen gevorderd en dient dit bedrag te worden gematigd in verband met afschrijving van de goederen. Voor de broek wordt een aanbetaling van € 589,- gevorderd, maar hieruit wordt niet duidelijk wat de kosten zijn geweest voor het pak dat aangever droeg. Deze post is onvoldoende onderbouwd en de vordering tot vergoeding moet worden afgewezen dan wel ernstig worden gematigd.

De immateriële schadepost moet sterk worden gematigd, nu van eventuele psychische schade geen enkele onderbouwing is overgelegd.

De kosten voor rechtsbijstand dienen apart van de materiele schadepost behandeld te worden en er kan maximaal € 187,- toegewezen worden, namelijk het liquidatietarief kantonzaken.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Materiële schade

De pet en de handschoenen zijn niet door toedoen van de verdachten of als rechtstreeks gevolg van de mishandeling kwijtgeraakt. Het slachtoffer heeft na het incident wel zijn jas uit het kluisje teruggekregen maar kennelijk niet de pet en handschoenen uit hetzelfde kluisje. Voor dit deel van de materiele schade bestaat echter geen causaal verband met het bewezenverklaarde feit zodat deze schade niet als rechtstreekse schade kan worden aangemerkt. Voor dit deel zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De schade aan de pantalon van het slachtoffer is wel als rechtstreekse schade aan te merken, nu het slachtoffer tijdens het incident ten val is gekomen en als gevolg daarvan een scheur in zijn pantalon is ontstaan. Het slachtoffer heeft echter geen specificatie voor de prijs van de pantalon overgelegd, maar enkel een aanbetaling voor in totaal twee pakken. De rechtbank zal de schade voor de pantalon schatten op € 200,-.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (6 december 2019).

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in het materiële deel van zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 250, -. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2019.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in het immateriële deel van zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Omdat ook de medeverdachten voor de schade verantwoordelijk en daarmee aansprakelijk zijn, zal de rechtbank bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Kosten rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 187 (1 punt (zoals gevorderd) à € 187,-).

Bij de toepassing van het liquidatietarief dient aansluiting te worden gezocht bij de competentieregels voor de civielrechtelijke procedure. Dat wil zeggen dat voor deze zaak, met een vordering tot en met € 25.000,- aansluiting wordt gezocht bij het liquidatietarief kanton per 1 februari 2021.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c (oud), 22d (oud), 36f (oud), 47, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling

.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot € 450,- (vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 187,- (honderdzevenentachtig euro).

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 450,- (vierhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ch. A. van Dijk, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en D.W. van Putten – de Waard, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2022.