Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:5250

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
16-09-2022
Zaaknummer
C/13/714827 / FA RK 22-1462
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/714827 / FA RK 22-1462

Beschikking van 3 augustus 2022 betreffende een verzoek beëindiging gezag

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Amsterdam, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de Raad.

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] (Oostenrijk),

hierna te noemen de moeder,

en

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] (Oostenrijk),

hierna te noemen de vader,

Als belanghebbende is aangemerkt:

Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen JBRA.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 7 maart 2022.

1.2.

De mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op

11 juli 2022. Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    mevrouw [naam 1] namens de Raad,

  • -

    mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] namens JBRA,

  • -

    de ouders, bijgestaan door een tolk in de Engelse taal voor de vader.

1.3.

De ouders waren vergezeld door de heer [naam 4] , advocaat, gevestigd in Duitsland en verbonden aan de balie in Straatsburg. Hij heeft verklaard dat hij niet als gemachtigd advocaat van de ouders aanwezig was, maar slechts als toehoorder in verband met een eventueel te voeren procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Raad en JBRA zijn akkoord met zijn aanwezigheid. Mede vanwege de expliciete wens van de ouders, heeft de rechtbank geen bezwaar. De ouders hebben verklaard tijdens de mondelinge behandeling geen rechtsbijstand te behoeven van een Nederlandse advocaat en dat de zaak daarom niet hoeft te worden aangehouden.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn op 20 mei 2017 getrouwd in Padua, Italië. Uit dit huwelijk is geboren

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2020, hierna te noemen [minderjarige] . [minderjarige] is in 2020 met een machtiging van de kinderrechter onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Deze kinderbeschermingsmaatregelen duren tot 11 september 2022. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin op een geheim adres.

2.2.

De moeder heeft nog twee andere kinderen, een meerderjarige zoon van 21 jaar en een dochter van bijna tien jaar. Van deze dochter is bij beschikking van 22 juni 2022 het gezag van de moeder beëindigd.

3 Het verzoek van de Raad

De Raad heeft verzocht het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen en JBRA tot voogd over haar te benoemen. JBRA heeft zich bij brief van 30 maart 2022 bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

4 De standpunten

De Raad

4.1.

[minderjarige] kent een belaste voorgeschiedenis. In juni 2020 is [minderjarige] , in verband met ernstige zorgen over de moeder en [minderjarige] , onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een crisispleeggezin. In juli 2020 is [minderjarige] weer teruggekeerd naar haar moeder. In het kader van de ondertoezichtstelling is hulpverlening door Families First ingezet, maar die stagneert omdat moeder uit contact raakt. Een paar weken later wordt [minderjarige] dan ook met een spoedmachtiging weer uit huis geplaatst. Een plaatsing op een moeder- en kindplek bij Sterk Huis wordt vroegtijdig beëindigd, omdat Sterk Huis grote zorgen heeft over de moeder-kind interactie en de beperkte leerbaarheid van de moeder. Daarnaast zijn tijdens het observatietraject zorgen ontstaan over de psychische gesteldheid van de moeder. Sinds oktober 2020 verblijft [minderjarige] in een perspectief biedend pleeggezin. Daar gaat het goed met haar. Ze lijkt veilig gehecht te zijn aan haar pleegouders.

4.2.

[minderjarige] heeft gedurende haar leven geen structureel contact met de ouders gehad. Tot december 2021 / januari 2022 heeft de vader haar nooit fysiek ontmoet en ook de moeder heeft periodes geen contact met haar gehad. De omgang met [minderjarige] is vaak stroef verlopen, ook vanwege de moeizame samenwerking tussen de ouders en hulpverlening. Het lukt de ouders niet om zich aan afspraken te houden bij de begeleide omgang en ze staan beperkt open voor aanwijzingen en feedback van de hulpverlening. De moeder heeft moeite om te voldoen aan de behoeften van

[minderjarige] en reageert onvoldoende sensitief op haar. Daarnaast kunnen de ouders negatief zijn richting, en over, de pleegouders. De ouders willen dat [minderjarige] nu bij hen in Oostenrijk opgroeit, terwijl dat niet in het belang is van [minderjarige] . De Raad acht verder zorgelijk dat de moeder de zorgen over bijvoorbeeld haar alcoholgebruik en psychisch functioneren niet herkent. Een onderzoek is daarom niet van de grond gekomen.

4.3.

Het is de ouders niet gelukt om binnen de aanvaardbare termijn de zorgen weg te nemen en weer de zorg en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Het opvoedperspectief ligt niet meer bij de ouders. Het gezag van de ouders dient daarom te worden beëindigd. Het is wel van belang dat de ouders een rol in het leven van [minderjarige] krijgen en er moet een vorm van blijvende omgang of contact worden georganiseerd die niet belastend is voor [minderjarige] .

JBRA

5. JBRA heeft zich aangesloten bij het verzoek van de Raad en verder naar voren gebracht dat de samenwerking met de ouders – ondanks inzet van JBRA – niet goed is. Per 7 juni 2022 is aan de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven, omdat zij zich niet houden aan de afspraken. De omgang is voor [minderjarige] op de huidige wijze te belastend.

De ouders

6.1.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat toen hij [minderjarige] voor het laatst zag, het contact met haar heel leuk was. De vader ziet de noodzaak van de gezagsbeëindiging niet in, omdat daarvoor geen reden is aangevoerd door de Raad en JBRA. Hij wil wel meewerken met hulpverlening, maar vindt ook dat [minderjarige] in Oostenrijk bij haar ouders moet wonen.

6.2.

De moeder heeft verklaard dat in het rapport van de Raad veel onjuistheden en onterechte beschuldigingen staan. Voor de moeder is de reden van de gezagsbeëindiging niet duidelijk en is de Raad daar niet duidelijk over geweest. De moeder heeft juist haar best gedaan om mee te werken met hulpverlening. De moeder heeft erkend dat er wel eens wat problemen met de hulpverlening zijn geweest, maar dat werd ook veroorzaakt door haar ingewikkelde familieachtergrond. Verder is de situatie lastig, omdat zij sinds 2019 niet meer in Nederland woont en vanwege Covid-19 een tijd lang niet meer mocht reizen naar Nederland. Daarnaast helpt het ook niet dat al heel veel verschillende hulpverleners betrokken zijn geweest. De moeder heeft geen psychische problemen, dat is de reden dat nooit een onderzoek daarnaar van de grond is gekomen.

7 De beoordeling

7.1.

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de

rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder

niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247,

tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige

aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

7.2.

Het is niet de bedoeling van de wetgever dat minderjarigen jarenlang onder toezicht staan en

met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst zijn. Als niet te verwachten is dat

gezagsdragers binnen een aanvaardbare termijn zelf de verzorging en opvoeding op zich kunnen

nemen, ligt gezagsbeëindiging in de rede. Het verzoek van de Raad is daarop gebaseerd. De vraag die

moet worden beantwoord is of de ouders binnen een aanvaardbare termijn de zorg voor [minderjarige]

kunnen dragen. Die aanvaardbare termijn is de periode waarin de kinderen kunnen omgaan

met onzekerheid over hun toekomstige opvoedsituatie, zonder daar ernstige schade door op te lopen.

Deze termijn is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind.

Andere factoren die van belang zijn, zijn bijvoorbeeld persoonlijke kenmerken, draagkracht en

gehechtheid bij de hoofdopvoeder.

7.3.

Artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) stelt zware eisen aan inmenging in het gezinsleven. Het EVRM vereist dat moet worden gekozen voor een zo licht mogelijke maatregel waarmee het doel kan worden bereikt. Inmenging moet bovendien in redelijke verhouding staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit). De rechtbank heeft bij de beoordeling van het verzoek van de Raad deze vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit betrokken.

7.4.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders duidelijk gemaakt dat zij het ouderlijk gezag willen behouden en [minderjarige] zelf willen opvoeden in Oostenrijk. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is als het gezag van de ouders wordt beëindigd en overweegt daartoe als volgt.

7.5.

Duidelijk is dat [minderjarige] een belaste voorgeschiedenis kent. Voordat zij zes maanden oud was, is ze al viermaal van gezin gewisseld: van moeder naar crisispleeggezin – van crisispleeggezin terug naar moeder – van moeder naar wederom een crisispleeggezin – van crisispleeggezin naar huidig perspectief biedend pleeggezin. In dit laatste pleeggezin woont [minderjarige] sinds oktober 2020, nu dus alweer bijna twee jaar. Hoewel de moeder het anders ziet, blijkt uit het verzoek van de Raad en wat op de zitting naar voren is gekomen, voldoende duidelijk dat bij de moeder sprake is van problematiek, waaronder een sterk vermoeden van problematisch alcoholgebruik en dat er terechte zorgen zijn over haar psychische gesteldheid. Het lukt de moeder daarnaast niet om aanwijzingen van de hulpverlening op te volgen en ze houdt zich vaak niet aan gemaakte afspraken. De moeder is een periode onbereikbaar geweest voor hulpverlening, waardoor zij ook een periode uit het leven van [minderjarige] is geweest. De moeder is daarmee niet een beschikbare opvoeder voor [minderjarige] geweest. De vader is pas laat in beeld gekomen bij de Raad en JBRA en heeft [minderjarige] rond december 2021 / januari 2022 voor het eerst gezien. Ook tussen de vader en JBRA is de communicatie en samenwerking stroef, zoals ook op de zitting is gebleken.

7.6.

Sinds december 2021 bestaat weer contact en omgang tussen de ouders en [minderjarige] . Uit het verzoek van de Raad blijkt echter dat de omgangsmomenten niet volgens de gemaakte afspraken gaan. De ouders richten zich op de strijd met de hulpverlening en sluiten onvoldoende aan bij [minderjarige] . Daarnaast maakt de vader belastende opmerkingen naar [minderjarige] zoals “ik zie dat het niet goed met je gaat”, “ik kom je binnenkort halen” en “je hoort hier niet thuis”. Ook op de zitting laten de ouders blijken dat zij niet inzien dat dergelijke opmerkingen niet in het belang van [minderjarige] zijn. Vanaf

20 december 2021 heeft de moeder alle bezoeken afgezegd, omdat ze aangaf ziek te zijn en in

februari 2022 gaf de moeder aan weer in Oostenrijk te zijn, zonder dat zij dit vooraf had gecommuniceerd met de hulpverlening. In april 2022 hebben de ouders [minderjarige] weer gezien.

7.7.

Ook tijdens de mondelinge behandeling ziet de rechtbank ouders waarbij de strijd tegen hulpverlening de boventoon voert. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit komt doordat de ouders zich onbegrepen en onheus bejegend voelen. Het is echter aan de ouders om in te zien dat het voeren van deze strijd niet in het belang van [minderjarige] is. Omdat de ouders zich nog in deze “vecht modus” bevinden, gaan de omgangsmomenten tussen de ouders en [minderjarige] niet goed en hetzelfde geldt voor de samenwerking met de hulpverlening. Pas als de ouders uit de strijd stappen en mét de hulpverlening samenwerken, kan ruimte gecreëerd worden om in het belang van [minderjarige] te handelen.

7.8.

[minderjarige] woont ondertussen al bijna twee jaar veilig gehecht in een pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. De ouders gaan hieraan voorbij en willen [minderjarige] , terwijl ze in het leven van [minderjarige] nog helemaal geen opvoedersrol hebben gehad, nu meenemen naar Oostenrijk en haar daar grootbrengen. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] hiermee ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Duidelijk is voor de rechtbank ook dat de ouders niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn voor haar zullen kunnen zorgen. Bij afweging van de belangen van [minderjarige] en die van de ouders is de rechtbank dan ook van oordeel dat het belang van

[minderjarige] bij continuïteit en een ongestoord hechtingsproces zwaarder weegt dan het belang van de ouders.

7.9.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan het criterium van artikel

1:266, eerste lid, sub a van het BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen. Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over haar te benoemen. Mede gelet op de zienswijze van de pleegouders in het verzoek van de Raad, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [minderjarige] door een neutrale instantie dienen te worden behartigd. JBRA heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat JBRA moet worden belast met de voogdij.

7.10.

De rechtbank benadrukt dat gezagsbeëindiging niet wegneemt dat de ouders, de ouders van [minderjarige] blijven en de hoop is dat zij op een positieve manier betrokken zullen kunnen worden in het leven van [minderjarige] en dat zij op een positieve wijze invulling kunnen geven aan hun rol van ouders op afstand. JBRA zal moeten blijven onderzoeken of het mogelijk is om veilige contactmomenten tussen de ouders en [minderjarige] te laten plaatsvinden.

7.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

8 De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] , Suriname en [de vader], geboren op [geboortedatum 3] 1980 te [geboorteplaats 3] , Nigeria over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2020;

benoemt tot voogd over [minderjarige] ; Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A.K. Mireku, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren griffier, op 3 augustus 2022.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.