Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:5141

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
09-09-2022
Zaaknummer
C/13/719761 / KG ZA 22-596
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Artikel in Quote waarin zij verslag doet van twee recente civiele rechtszaken hoeft niet te worden verwijderd.

Er is geen sprake van onrechtmatige uitlatingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/719761 / KG ZA 22-596 HH/TF

Vonnis in kort geding van 23 augustus 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres bij concept dagvaarding ,

advocaat mr. A. Taheri-Bhajan te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEARST MAGAZINES NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

vrijwillig verschenen,

advocaat mr. C.F.M. de Vries te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Quote worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 9 augustus 2022 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Quote heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben schriftelijke stukken ingediend en Quote eveneens een pleitnota.

Vonnis is bepaald op heden.

1.2.

Ter zitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de kant van [eiseres] : [naam 1] (bestuurder) met mr. Taheri-Bhajan en mr. M. Taheri (jurist),

aan de kant van Quote: [naam 2] (hoofdredacteur), [naam 3] (adjunct hoofdredacteur) en [naam 4] (redacteur) met mr. De Vries.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] houdt zich (in elk geval) bezig met de groothandel in elektronische en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen.

2.2.

Rabobank had sinds 2009 een bankrelatie met [eiseres] (en haar bestuurder en [naam bedrijf] B.V., (hierna (in enkelvoud) [naam bedrijf] ) en heeft bij brief van 12 maart 2020 aan [naam bedrijf] bericht dat zij een hernieuwd cliëntenonderzoek heeft uitgevoerd op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en heeft vragen aan [naam bedrijf] gesteld.

2.3.

Bij brief van 11 juni 2020 heeft Rabobank aangekondigd de bankrelatie met [naam bedrijf] te beëindigen omdat zij een groot deel van de opgevraagde informatie niet had ontvangen en dat zij in het verlengde daarvan de risico’s die [naam bedrijf] in relatie tot de Wwft meebrengt onvoldoende beheersbaar achtte.

2.4.

Bij brief van 22 januari 2021 heeft Rabobank aan [naam bedrijf] meegedeeld dat zij alle bankrekeningen en producten op 19 februari 2021 zal beëindigen.

2.5.

Op 9 maart 2021 heeft [naam bedrijf] Rabobank in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter te Amsterdam en herstel van de bankrelaties en voortzetting op gebruikelijke wijze gevorderd totdat in de bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van de opzegging is beslist. Bij vonnis van 1 april 2021 heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd.

In het vonnis staat, voor zover van belang bij de beoordeling, het volgende (in het vonnis wordt [naam bedrijf] [eiseres] genoemd):

(…)

4.5.

In de kern komt dit geschil erop neer dat Rabobank in haar cliëntonderzoek naar [eiseres] allerlei ongerijmdheden en indicatoren voor witwassen heeft geconstateerd, zogenaamde red flags, en dat de door [eiseres] gegeven antwoorden de zorgen van Rabobank niet hebben kunnen wegnemen. De bank heeft na alle verstrekte informatie nog steeds geen grip op de onderneming en het verdienmodel van [eiseres] . Het voert te ver om op al de door Rabobank gesignaleerde punten in te gaan, maar de meest in het oog springende zullen hierna worden besproken.

4.6.

Onduidelijk is wat de toegevoegde waarde van [eiseres] in de handelsketen is. Zij koopt van, en verkoopt aan andere groothandelaren. Al die handelaren maken gebruik van dezelfde online platforms. De vraag rijst dan waarom afnemers van [eiseres] niet rechtstreeks inkopen bij haar leveranciers. Het antwoord van [eiseres] , dat één bedrijf niet in alle gevraagde producten in de branche kan voorzien en elke onderneming daarom een verschillend accent legt en voor het overige via zijn contacten probeert gevraagde producten te leveren, laat aan duidelijkheid te wensen over. [eiseres] heeft een rapport van ICT consultancy bureau Strict overgelegd, waarin wordt beschreven hoe wereldwijd wordt gehandeld in mobiele toestellen. Dat rapport gaat echter uit van andere uitgangspunten dan in deze zaak aan de orde zijn. Zo houdt [eiseres] een bedrijfspand en voorraden aan en doet zij geen aanbetalingen op de door haar geplaatste orders, maar betaalt zij die telkens volledig. Het rapport is daarom niet bruikbaar als toelichting op de bedrijfsvoering van [eiseres] . Bij het ontbreken van toegevoegde waarde in de handelsketen hebben de activiteiten van [eiseres] veel weg van het heen en weer pompen (wat lijkt op rondpompen) van geld, wat een indicator is voor witwassen.

(…)

4.8.

In het verleden heeft [eiseres] voor grote bedragen zaken gedaan met zogenoemde ‘ploffers’, zo blijkt uit de door de belastingdienst in maart 2020 gegeven waarschuwing. Ook sindsdien voert [eiseres] een beperkte controle uit op haar zakenrelaties. Zij vraagt hen om een legitimatiebewijs, controleert het btw-nummer via VIES (en na de transactie houdt de belastingdienst het btw-nummer in de gaten), ze controleert het uittreksel uit het handelsregister en heeft contact met de bestuurder. Dat is onvoldoende en zij kán ook meer doen, zoals onderzoek in openbare bronnen zoals de bank heeft gedaan. [eiseres] moet alles doen wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om te voorkomen dat zij onderdeel gaat uitmaken van een keten waarin btw-fraude wordt gepleegd. Dat haar business een snelle handel is, ontslaat haar niet van die verantwoordelijkheid. Anders dan [eiseres] meent, is het niet aan Rabobank om haar voor te schrijven welk onderzoek zij naar haar zakenrelaties moet doen.

(…)

4.12

Uit het voorgaande volgt dat Rabobank zich het afgelopen jaar heeft ingespannen om grip te krijgen op de activiteiten en het verdienmodel van [eiseres] , zoals de Wwft van haar eist, maar daarin niet is geslaagd omdat de gegeven antwoorden de – deels wezenlijke – vragen niet wegnemen en gevraagde stukken niet zijn overgelegd. Er was dan ook voldoende grond voor de bank om de relatie met [eiseres] te beëindigen, ook indien de uiterste consequentie daarvan is dat [eiseres] haar activiteiten moet staken. De gehanteerde opzegtermijn is redelijk.

2.6.

Bij dagvaarding van 29 april 2021 is [naam bedrijf] in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Op 17 mei 2022 heeft het gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan en het vonnis van 1 april 2021 bekrachtigd. In het arrest staat, voor zover van belang, het volgende (in het arrest wordt [naam bedrijf] genoemd):

(…)

4.11

[naam bedrijf] hebben geen bewijsstukken overgelegd van hun aanmeldingen van nieuwe zakenpartners bij de Belastingdienst. Indien al voldoende aannemelijk is dat [naam bedrijf] al haar nieuwe zakenpartners bij de Belastingdienst aanmeldt, kan uit die enkele omstandigheid niet worden afgeleid dat zij een bijna sluitende grip op haar zakenpartners heeft. Voorshands kan niet worden aangenomen dat de Belastingdienst, indien zij de aanmeldingen onderzoekt, meer doet dan controleren dat de aangemelde zakenpartner een btw-nummer heeft. Die enkele controle is onvoldoende om van een bijna sluitende grip te kunnen spreken. [naam bedrijf] hebben onvoldoende met bewijsstukken aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk wijzigingen in hun bedrijfsvoering hebben doorgevoerd waardoor zij hun zakenpartners thans voldoende screenen. De naam van het door hen bedoelde externe kantoor hebben zij niet genoemd. Zij hebben geen schriftelijke verklaring van dat kantoor in het geding gebracht. Mogelijk doelen zij met de gestelde screening op het aanmeldingsproces bij de platforms Handelot en GSM Exchange, maar ten eerste hebben zij onvoldoende duidelijk gemaakt dat deze screening afdoende is (de enkele overlegging van membership requirements van GSM Exchange volstaat niet) en ten tweede verricht [naam bedrijf] naar eigen zeggen slechts een deel van haar transacties via deze platforms. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant sub 3] de gestelde uitvoerige screening niet nader kunnen toelichten. Gelet hierop kon en kan Rabobank zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat zij onvoldoende kon en kan controleren dat de middelen die bij de zakelijke relaties of de transacties gebruikt worden, een legale bron hebben, althans dat Rabobank niet naar voldoende tevredenheid kon en kan vaststellen dat een legale herkomst van die middelen plausibel is (hierna: het standpunt van Rabobank over de herkomst van de middelen). Dit standpunt kon Rabobank in redelijkheid innemen ten tijde van de beëindiging en dit standpunt kan zij ook thans nog in redelijkheid innemen. Bij dit oordeel heeft het hof mede gelet op de omvang van de door de Belastingdienst geconstateerde opgaven van leveringen aan afnemers van wie inmiddels het btw-nummer is afgevoerd (meer dan € 33 miljoen) en op de kenmerken van de acht zakenpartners die genoemd zijn in beëindigingsbrief 2.

(…)

2.7.

Op 26 juni 2022 heeft Quote op haar website www.quotenet.nl, in de rubriek rechtszaken, een artikel over [eiseres] gepubliceerd met de titel:

“Hoe komt die telefoonhandelaar plots aan €35 miljoen omzet, vroeg Rabobank zich af” en met als onderschrift: “Kan niks anders zijn dan foute boel, constateert de boerenleenbank die daarop de relatie met [eiseres] uit [vestigingsplaats] verbreekt.”

Verder luidt het artikel als volgt:

“Ken je klant, oftewel KYC. Een vlieger die in het geval van Rabobank heeeeeeeel erg lang niet opging. Jarenlang kon de Rotterdamse handelaar in mobieltjes [eiseres] er bankieren. Totdat de snuffelaars van de FIOD en Belastingdienst september 2019 het Midi Center in Beverwijk binnenvielen, een verzamelplaats van tientallen telecombedrijfjes. En dat deden ze niet omdat de eigen beltegoeden op waren.

Er bleken allerlei linkjes tussen [eiseres] en de in Beverwijk gevestigde ondernemers, meerdere verdacht van ondergronds bankieren en witwassen. Wakker geschrokken, bleek dit voor Rabobank slechts een van de vele red flags. Genoeg reden om, na diverse aansporingen, zowel het bedrijf als eigenaar [naam 1] (34) (nadien gewijzigd in: [naam 1] , vzr) te wieberen als klant.

Hoog malafide luchtje rond [eiseres]

[naam 1] (nadien gewijzigd in: [naam 1] , vzr) speelde een spelletje vermoorde onschuld, stapte naar de Amsterdamse voorzieningenrechter en kreeg keihard het deksel in z’n porem. Een vonnis waaruit een sterk malafide luchtje opstijgt. Enkele constateringen van de rechtbank, te beginnen met een milde: ‘Onduidelijk is wat de toegevoegde waarde van [eiseres] in de handelsketen is.’ Gevolgd door: ‘De activiteiten hebben veel weg van het heen en weer pompen (wat lijkt op rondpompen) van geld, wat een indicator is voor witwassen.’ ‘In het verleden heeft [eiseres] voor grote bedragen zaken gedaan met zogenoemde ‘ploffers’ (een bedrijf betrokken bij btw-carrouselfraude, red.)’ en ‘voert een beperkte controle uit op haar zakenrelaties’.

Pijlsnel naar € 35 miljoen omzet

En dan was er nog een sloot met vragen die onbeantwoord bleef. Hoe kon de omzet van het bedrijf stijgen van € 6,5 miljoen in 2016 tot bijna € 35 miljoen twee jaar later, terwijl de branche verre van zo hard ging? Hoe zat het met de onverklaarbare waardestijging van een door [naam 1] (nadien gewijzigd in [naam 1] , vzr) aangekocht en weer verkocht Beverwijks pand? Ook bleef onduidelijk hoe de eigenaar samen met een zakenpartner aan de poen kwam waarmee ze een handvol voordeurtjes kochten. Volgens de rechter bracht [eiseres] alleen maar rookgordijnen ten tonele.

Nu blijkt dat het Amsterdamse gerechtshof de door Rabobank opgetrokken verdedigingslinie vrijwel geheel volgt. Ze bekrachtigt het vonnis waartegen [naam 1] (nadien gewijzigd in: [naam 1] , vzr) en zijn bedrijf hoger beroep aantekenden. Dat de krijtstrepen de deur dichttrokken, is geheel terecht. Schrale troost, blijkt uit het arrest dat deze week het levenslicht zag: [eiseres] plus eigenaar bankieren nog altijd bij ABN Amro, Bunq en Knab.”

Onder aan het artikel staat de volgende reclame-uiting:

“Druk de koffers aan het inpakken? Grabbel op weg naar uw vakantiebestemming dan nog snel ons kersverse nummer over de kust mee. Te bestellen (zonder verzendkosten) via onderstaande knop. Of neem een abonnement en mis nooit meer iets!”

2.8.

In een brief van 29 juni 2022 heeft de gemachtigde van [eiseres] Quote namens [eiseres] en [naam 1] meegedeeld dat zij het artikel uiterst misleidend achten en dat zij door het artikel ernstige reputatie- en financiële schade lijden, waarvoor zij Quote aansprakelijk stellen. In de brief wordt daarnaast ook bezwaar gemaakt tegen het vermelden van de naam van [naam 1] en gesteld dat daarmee een ernstige inbreuk op zijn privéleven wordt gemaakt. Tot slot wordt Quote in de brief gesommeerd het artikel van haar website te verwijderen.

2.9.

Bij brief van 30 juni 2022 heeft de advocaat van Quote als reactie op deze brief – samengevat – geschreven dat Quote betwist dat de publicatie onrechtmatig is. Verder staat in de brief dat Quote geen aanleiding ziet het artikel te verwijderen of aan te passen en dat zij onverplicht bereid is de achternaam van de heer [naam 1] te vervangen door een initiaal.

2.10.

Quote heeft het artikel aldus gewijzigd dat de naam [naam 1] is vervangen door [naam 1]

Tekst

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Quote op straffe van een dwangsom:

Primair

I. te gebieden het artikel van de website www.quotenet.nl te verwijderen en verwijderd te houden,

II. te gebieden het artikel evenmin op enige andere wijze, direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, te publiceren en/of te openbaren en/of te vermenigvuldigen,

Subsidiair

III. te gebieden het artikel te wijzigen zodat objectief gezien bij het publiek niet een misleiding en/of misverstand kan ontstaan, althans dat niet geïnsinueerd wordt dat [eiseres] malafide, ondergronds bankier of witwasser is of anderszins (direct) betrokken bij BTW-fraude, alsook te vermelden dat de FIOD en de Belastingdienst geen onderzoek hebben gedaan naar [eiseres] , althans dat de inval in Midi Center te Beverwijk niet met [eiseres] te maken had.

[eiseres] vordert daarnaast Quote te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] stelt dat het door Quote gepubliceerde artikel in zijn geheel bezien misleidend is en onrechtmatig is jegens haar. In het artikel wordt door de toonzetting en schrijfwijze op een misleidende wijze gesuggereerd dat de rechtbank en het gerechtshof hebben geoordeeld dat [eiseres] en haar directeur zich schuldig hebben gemaakt aan ondergronds bankieren en witwassen. Dat is onjuist. [eiseres] is één van de grootste groothandels in mobiele telefonie in Nederland en haar boekhouding wordt gecontroleerd door een registeraccountant.

In een belangenafweging dient het belang van [eiseres] te prevaleren. [eiseres] heeft er belang bij om niet als ‘malafide’ of ‘ondergronds bankier’ of ‘witwasser’ te worden afgeschilderd. Zij is een betrouwbare onderneming die netjes belasting betaalt. De Rabobank, rechtbank of het gerechtshof hebben ook niet geoordeeld dat [eiseres] wist dat zij zaken deed met ondernemingen die BTW regels hadden geschonden. De bank verweet [eiseres] dat zij er niet in is geslaagd om de vele vragen die de bank had in voldoende mate te antwoorden en de rechtbank en het gerechtshof hebben dat gevolgd. Na iedere vraag kwam er echter een nieuwe vraag, dus [eiseres] kon hieraan niet voldoen. [eiseres] is dus slachtoffer van een bancaire heksenjacht.

[eiseres] moet haar geschil met de bank aan een rechter kunnen voorleggen zonder dat zij bevreesd hoeft te zijn dat als zij ongelijk krijgt populistische media, zoals Quote, de rechterlijke uitspraken gebruiken om haar eer en goede naam te schenden.

De persvrijheid mag de toegang tot de rechter niet beperken. De pers dient voorts zorgvuldig met haar maatschappelijke functie en haar vrijheden om te gaan. Zij heeft in die zin een zorgplicht. Publicatie van misstanden is van belang, maar het uitlichten of aandikken van zaken om lezers te trekken behoort niet tot haar taken. Evenmin is het publiekelijk aan de schandpaal nagelen van personen of bedrijven toegestaan.

Quote mag dus niet schrijven dat [eiseres] malafide is of ondergronds bankier of witwasser. De grieven tegen het artikel bestaan uit hierna in de beoordeling genoemde specieke onderdelen die feitelijk onjuist en onnodig grievend zijn, aldus steeds [eiseres] .

3.3.

Quote voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Tekst

Tekst

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] vordert primair het artikel op de website van Quote te verwijderen en subsidiair om aanpassing van het artikel. Zij meent dat publicatie onrechtmatig is omdat het artikel vele feitelijke onjuistheden bevat en misleidend is. Het artikel staat sinds 26 juni 2022 op de website en is na 30 juni, de datum waarop [eiseres] schriftelijk haar bezwaren daartegen bij Quote kenbaar heeft gemaakt, gewijzigd in die zin dat de naam van de directeur van [eiseres] niet meer volledig in het artikel voorkomt. Daarna heeft [eiseres] op 7 juli 2022 dit kort geding aangevraagd. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

4.2.

Nu alleen [eiseres] als eisende partij optreedt en niet ook haar bestuurder, zullen alleen de onderdelen in het artikel die op [eiseres] zien, worden beoordeeld. De door [eiseres] gestelde inbreuk op de privacy van haar bestuurder behoeft dan ook geen bespreking.

4.3.

In deze zaak gaat het om de vraag of het Quote vrijstond een artikel te publiceren waarin zij verslag doet van twee recente door [eiseres] tegen Rabobank aangespannen civiele rechtszaken, waarin [eiseres] in het ongelijk is gesteld.

4.4.

Uitgangspunt is dat het recht van Quote op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM slechts kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een dergelijke beperking is sprake indien de publicatie onrechtmatig zou zijn jegens [eiseres] in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van Quote is er met name in gelegen dat zij zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken, terwijl het belang van [eiseres] met name erin is gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en haar eer en goede naam niet wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen.

4.5.

In deze zaak zijn de volgende omstandigheden van belang

a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b. de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c bedoelde factoren.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van Quote dat het artikel een aantal citaten bevat die letterlijk zijn overgenomen uit het vonnis van de voorzieningenrechter.

Het gaat om de volgende citaten:

- ‘ Onduidelijk is wat de toegevoegde waarde van [eiseres] in de handelsketen is.’

- ‘ De activiteiten hebben veel weg van het heen en weer pompen (wat lijkt op rondpompen) van geld, wat een indicator is voor witwassen.’

- ‘ In het verleden heeft [eiseres] voor grote bedragen zaken gedaan met zogenoemde ‘ploffers’

- ‘ voert een beperkte controle uit op haar zakenrelaties’

Citeren mag en vooralsnog kunnen de citaten dan ook niet als onrechtmatig worden aangemerkt.

4.7.

In deze zaak spelen voorts de omstandigheden onder a, b en d een rol: de aard van de gepubliceerde verdenking, de ernst van de misstand en de wijze van inkleding van de verdenkingen. In de pers wordt regelmatig verslag gedaan van rechtszaken, om het publiek daarover te informeren. De rechtspraak is openbaar, het publiek mag daar dus kennis van nemen en journalisten mogen verslag doen.

Het artikel in Quote betreft geen artikel in een wetenschappelijk tijdschrift, maar een korte bespreking van twee rechterlijke uitspraken in een zaak die een belangrijk actueel onderwerp raakt, namelijk dat banken op grond van de antiwitwaswetgeving bankrelaties opzeggen en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit artikel omvat niet een feitelijk relaas van de rechtszaken. In het artikel wordt op prikkelende wijze verslag gedaan van rechtszaken, waarbij ook enkele oordelende elementen worden gepresenteerd. Op zich is dat geoorloofd. Quote heeft in dit verband ook haar eigen enigszins overdreven en spottende stijl gebruikt. Anders dan [eiseres] stelt was Quote niet gehouden zelf nog extra onderzoek te doen naar de zaak. De uitspraken vormen voldoende basis voor het artikel. Dat, zoals [eiseres] stelt, alleen objectief verslag mag worden gedaan is ook onjuist. Dat zou de persvrijheid immers ernstig beperken. Verder heeft [eiseres] als onderneming niet een recht om buiten de publiciteit te blijven. Uitspraken van rechters zijn openbaar, worden met inachtname van de van toepassing zijnde richtlijnen gepubliceerd op rechtspraak.nl en zijn dan voor iedereen kenbaar. Al deze omstandigheden maken dat het artikel op zich door de beugel kan. Dat zou slechts anders kunnen zijn als de inhoud van de publicatie onvoldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal (omstandigheid c).

4.8.

Voorshands is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat het artikel (ook in zijn geheel bezien) geen onjuiste en misleidende informatie bevat en niet als onrechtmatig is aan te merken. Per specifieke onderdeel in het artikel oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

De ondertitel

4.9.

[eiseres] stelt dat de ondertitel: “Kan niks anders zijn dan foute boel, constateert de boerenleenbank die daarop de relatie met [eiseres] uit [vestigingsplaats] verbreekt” feitelijk onjuiste informatie bevat. Volgens [eiseres] gaat het in de rechtszaken er immers slechts om dat de bank een groot deel van de opgevraagde informatie niet heeft ontvangen en de risico’s die [eiseres] meebrengt in verband met de antiwitwaswetgeving onvoldoende beheersbaar acht. De voorzieningenrechter volgt deze uitleg van de rechtspraak door [eiseres] , maar de tekst van Quote is daarmee niet als onjuist aan te merken. Quote heeft slechts op prikkelende en cynische wijze samengevat wat uit het vonnis kan worden afgeleid. Deze ruimte heeft zij en heeft zij genomen.

Linkjes

4.10.

[eiseres] valt erover dat Quote schrijft: “Er bleken allerlei linkjes te zijn tussen [eiseres] en de in Beverwijk gevestigde ondernemers, meerdere verdacht van ondergronds bankieren en witwassen”

Dat die “links” er waren volgt echter uit de beide rechterlijke uitspraken. In feit 2.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter (één van de feiten die door het gerechtshof ook als uitgangspunt is gebruikt) staat: “Daar komt volgens de bank nog bij dat (eiser sub 3) actief is in een commercieel vastgoed en zakenrelaties onderhoudt met partijen die gevestigd zijn in een gebied in (plaats) waar de invallen zijn gedaan.” Dit duidt op wat Quote schrijft en is dus niet vanuit het niets opgeschreven. Dit onderdeel vindt daarmee voldoende steun in de feiten.

Malafide luchtje

4.11.

In het artikel staat: “Hoog malafide luchtje rond [eiseres] ” en “Een vonnis waaruit een sterk malafide luchtje opstijgt”.

Dit is een eigen waardeoordeel van Quote, en kan bovendien gelet op de beide gerechtelijke uitspraken niet als in strijd met de waarheid worden beoordeeld. In beide uitspraken wordt, zoals Quote stelt, over het handelen van [eiseres] , vérstrekkend geoordeeld. Zie de feiten onder 2.5 en 2.6. Dat in het artikel het woord ‘malafide’ wordt gebruikt, past bij de geoorloofde spottende wijze waarop Quote in haar artikel over de kwestie heeft geschreven. Quote mag daarover haar mening geven.

Rookgordijnen

4.12.

In het artikel wordt in het een na laatste onderdeel geschreven: “Volgens de rechter bracht [eiseres] alleen maar rookgordijnen ten tonele”. Het gaat in deze alinea over het vonnis van de voorzieningenrechter en toegegeven moet worden dat, zoals [eiseres] stelt, daarin niets staat over ‘rookgordijnen’. Wel is door de voorzieningenrechter geoordeeld dat veel vragen van Rabobank onbeantwoord zijn gebleven. Dit oordeel en de constatering in het vonnis dat de bank na alle verstrekte informatie nog steeds geen grip op de onderneming en het verdienmodel van [eiseres] had, maakt dat Quote wel het hiervoor vermelde over rookgordijnen mocht opschrijven. Het gaat om een parafrasering van hetgeen in het vonnis staat en deze zinssnede vindt voldoende steun in de feiten.

Het gerechtshof

4.13.

In de laatste alinea in het artikel staat “Nu blijkt dat het Amsterdamse gerechtshof de door Rabobank opgetrokken verdedigingslinie vrijwel geheel volgt.” en “Dat de krijtstrepen de deur geheel dichttrokken, is geheel terecht.”

Volgens [eiseres] trekt Quote hier onjuiste conclusies. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Ten eerste is in hoger beroep het vonnis bekrachtigd en kreeg de bank in hoger beroep gelijk. Verder staat niets eraan in de weg dat Quote hierover nog een waardeoordeel geeft. Zij mag subjectieve conclusies trekken. Quote kan immers in haar stelling worden gevolgd dat juist het doel van de media is om opiniërend te schrijven. Het gaat om een parafrasering van de beslissing in het arrest en dit onderdeel vindt voldoende steun in de feiten.

4.14.

Tot slot stelt [eiseres] dat in het artikel wordt gesuggereerd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ondergronds bankieren of witwassen en dat dat onjuist is. Het standpunt van Quote wordt gevolgd dat in het artikel [eiseres] niet wordt beschuldigd van ‘ondergronds bankieren’ of ‘witwassen’, maar dat sprake is van linkjes tussen [eiseres] en ondernemers die daarvan worden verdacht. Dat maakt dat het ook deze bewering niet onjuist is.

4.15.

Al met al wordt het artikel niet onrechtmatig geacht en bestaat er geen grond om de vrijheid van meningsuiting van Quote in te perken. De vorderingen worden dan ook afgewezen. Dat Quote [eiseres] niet in de gelegenheid heeft gesteld een weerwoord te voeren, maakt dit niet anders. Dit is immers geen absolute eis en de basis voor het artikel bestaat uit twee openbare rechterlijke uitspraken, waarin ook het standpunt van [eiseres] is meegewogen. Het standpunt van Quote dat het artikel slechts is bedoeld om reclame te maken voor Quote omdat daaronder een reclame-uiting staat, wordt niet gevolgd. Onder 4.7 is overwogen dat het artikel gaat over een actueel onderwerp dat de samenleving raakt. De reclame-uiting heeft bovendien een andere lay out dan het artikel en staat daar los van.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Quote worden begroot op:

- griffierecht € 676,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.692,00

Tekst

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Quote tot op heden begroot op € 1.692,00,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022.1

1 type: GHF coll: LO