Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
19-08-2022
Zaaknummer
C/13/686831 / HA ZA 20-724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheidszaak tandartsen, behandeling diepe beet, rapport deskundige niet bruikbaar, inschakeling nieuwe deskundige noodzakelijk, vraagstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2022-0204
PS-Updates.nl 2022-0538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 3 augustus 2022

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/686831 / HA ZA 20-724 van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. E.H.J.M. Dohmen te Roermond,

tegen

1. de maatschap

MAATSCHAP [gedaagde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. van de Wint te Amsterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. van de Wint te Amsterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. van de Wint te Amsterdam,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 4] (Turkije),

gedaagde,

advocaat mr. J.E. van de Wint te Amsterdam,

5. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.W. Gijsbers te 's-Gravenhage,

en in de vrijwaringzaak met zaaknummer / rolnummer C/13/692374 / HA ZA 20-1102 van

1. de maatschap

MAATSCHAP [gedaagde 1],

gevestigd te [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 4] (Turkije),

eisers,

advocaat mr. J.E. van de Wint te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.W. Gijsbers te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagden] , en NN genoemd worden. Voor zover gedaagden in de hoofdzaak tevens eisers in vrijwaring afzonderlijk worden bedoeld zullen zij hierna de maatschap, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden genoemd.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 14 en van 21 april 2020 met bewijsstukken,

  • -

    de incidentele conclusie van [gedaagden] houdende verzoek tot toestemming tot het dagvaarden in vrijwaring van NN,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van [eiseres] ,

  • -

    extract uit de minuten van 14 oktober 2020 waarbij het [gedaagden] is gegund om NN in vrijwaring te doen dagvaarden,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden] met één bewijsstuk,

  • -

    de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid, tevens conclusie van antwoord met bewijstukken van NN,

  • -

    het tussenvonnis van 23 september 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de op 13 december 2021 gehouden mondelinge behandeling met de daarin genoemde stukken, waaronder de akte ter rectificatie van de dagvaarding van [eiseres] ,

  • -

    email van mr. R.M.T.A. Saes, namens [eiseres] , van 4 februari 2022 met opmerkingen op het proces-verbaal,

  • -

    de akte met bewijsstukken van [eiseres] van 3 maart 2022,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] van 1 juni 2022,

  • -

    de antwoordakte van NN van 1 juni 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in vrijwaring van 27 oktober 2020,

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagden] , met bewijsstukken,

  • -

    de conclusie van antwoord in vrijwaring van NN met bewijsstukken,

  • -

    het tussenvonnis van 7 juli 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de op 13 december 2021 gehouden mondelinge behandeling met de daarin genoemde stukken.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3 De feiten

3.1.

[gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] waren de behandeld tandartsen van [eiseres] in de periode van 13 februari 1998 tot 13 februari 2008. In genoemde periode waren zij alle drie ook maat van de maatschap.

3.2.

NN is de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagden] Op de tussen [gedaagden] en NN gesloten verzekeringsovereenkomst zijn polisvoorwaarden van toepassing die, voor zover hier relevant, als volgt luiden:

“3.4 Geleverde zaken/verrichte werkzaamheden

Ongeacht wie de schade heeft geleden of de kosten heeft gemaakt, is niet gedekt de aansprakelijkheid voor:

- schade aan zaken die door of onder verantwoordelijkheid van verzekeringnemer zijn geleverd;

- schade en kosten die verband houden met het terugroepen, vervangen, verbeteren of herstellen van de zaken die door of onder verantwoordelijkheid van verzekeringnemer zijn geleverd;

- schade en kosten die verband houden met het geheel of gedeeltelijk opnieuw verrichten van de werkzaamheden die door of onder verantwoordelijkheid van de verzekeringnemer zijn verricht.”

3.3.

Een door [gedaagde 3] opgesteld en door [eiseres] ondertekend behandelplan, gedateerd 21 augustus 2002, luidt als volgt:

“Diagnose: disto occlusie

crowding onder- en bovenfront

steilstand 11/21

agenesie 12/22

binnenbeet 34/35

diverse rotaties

diepe beet

Doel van behandeling: corrigeren diepe beet (o.a. door kronen (pre)molaren onderkaak)

corrigeren stand 34/35

verwijderen dummy 23

corrigeren stand bovenfront

Apparatuur: vast boven- en onderkaak

Tijdsduur: bovenkaak ± 1,5 jaar

onderkaak ± 1 jaar

Kosten: ± 1.850,- euro”

3.4.

Vervolgens is [eiseres] haar orthodontische behandeling gestart bij [gedaagde 3] .

3.5.

Omstreeks 2004, nog tijdens de lopende orthodontische behandeling, heeft [gedaagde 4] kronen in de zijdelingse delen van de onderkaak van [eiseres] geplaatst.

3.6.

Omstreeks 2006/2007 heeft [gedaagde 2] , eveneens tijdens de lopende orthodontische behandeling, implantaten (ter plaatse van de elementen 12 en 22) geplaatst in de bovenkaak van [eiseres] .

3.7.

Op 23 november 2007 heeft [eiseres] een second opinion aangevraagd bij het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Orthodontist dr. F.R. de Winter schrijft in dit verband op 23 november 2007 het volgende:

“het bereikte orthodontische resultaat (de orthodontische apparatuur zal morgen worden verwijderd waarna retentie apparatuur zal worden geplaatst) is inderdaad zeer onbevredigend, omdat nog sprake is van een traumatische diepe beet waardoor het bovenfront, inclusief de pas geplaatste implantaten, ernstig risico lopen.

De behandeling heeft inderdaad lang geduurd (volgens uw opgave 5 jaar) en dat is hoogstens slechts ten dele te wijten aan uw verzoek van indertijd om eerst met de onderkaak te beginnen en pas later met de bovenkaak. […]

Zoals wij hebben besproken zou een dergelijke beetdiepte ons inziens slechts verholpen kunnen worden met een gecombineerde ortho-chirurgische behandeling.[…]”

3.8.

Bij brieven van Arag Rechtsbijstand namens [eiseres] van 19 maart 2008 respectievelijk 29 juli 2008 zijn [gedaagden] respectievelijk NN aansprakelijk gesteld voor volgens [eiseres] door [gedaagden] gemaakte beroepsfouten en de daaruit voortvloeiende schade.

3.9.

Op 19 januari 2010 schrijft orthodontist dr. B. Bokhout (op dat moment de behandelend orthodontist van [eiseres] ) aan prof. dr. M.A.J. Eijkman (optredend als medisch adviseur van Arag Rechtsbijstand/ [eiseres] ) het volgende, voor zover hier relevant:

“[…] de second opinion van collega Winter is helder. Er is sprake van een zeer slecht uitgevoerde orthodontische behandeling met slecht geplaatste implantaten en lelijke suprastructuren.”

3.10.

Prof. Dr. M.A.J. Eijkman schrijft op 15 juni 2012 als volgt:

“[…] uit het uitgebreide dossier kan […] worden opgemaakt dat de tandartsen van praktijk TPG, als het gaat om de diagnose en behandelingen van uw cliënte, niet hebben gehandeld zoals van gemiddeld bekwame beroepsgenoten mag worden verwacht. Mede afgaande op de constatering van mw. dr. B. Bokhout in haar brief van 19 januari 2010 betreft het dan het niet indiceren van een chirurgische ingreep voor de correctie van een ernstige orthodontische afwijking, het langer behandelen van haar orthodontische afwijking dan 2 jaar, alsmede het slecht plaatsen van enkele implantaten en sommige kronen. […] ”

3.11.

Een aanvullende memo van Prof. Eijkman van 30 mei 2013 luidt als volgt:

“[…] Een en ander overziend heb ik thans een enigszins gewijzigde mening over het gestelde in de tweede alinea van mijn memo dd. van 15- 06- 2012 met name als het de behandelingen van tandarts

[gedaagde 4] betreft. Hij lijkt mevrouw [eiseres] behandeld te hebben als van een gemiddeld bekwame

beroepsgenoot mag worden verwacht. Uit de gegevens blijkt dat hij mw. [eiseres] na 15-09-2004 vrijwel niet meer bij hem op consult heeft gezien. Voor wat betreft de orthodontische behandeling van

mevrouw [eiseres] ben ik van mening dat het er op lijkt dat tandarts [gedaagde 3] de ernst van de

orthodontische afwijking van haar heeft onderschat maar dat hij haar uiteindelijk toch heeft verwezen.

Uit het behandeldossier blijkt voorts dat tandarts [gedaagde 3] de orthodontische behandeling van haar

bovenkaak op 19-11-2007 heeft beëindigd. Over de geplaatste implantaten door tandarts [gedaagde 2] heb ik mij geen mening kunnen vormen. Tot slot stel ik vast dat er in dit dossier geen gegevens

bekend zijn welke (eventuele) tandartsbehandelingen bij mevrouw na 19-11-2007 zijn uitgevoerd.

Deze gegevens zijn noodzakelijk om een indruk te krijgen of, vooral, tandarts [gedaagde 3] al dan niet

gehandeld heeft zoals van een gemiddeld bekwame beroepsgenoot zou mogen worden verwacht.[…]”

3.12.

Op verzoek van Arag is in overleg met [eiseres] en [gedaagden] tandarts Dr. W.M.M. Fennis (hierna: Fennis) geconsulteerd die op 6 november 2017 een rapport heeft uitgebracht.

3.13.

[eiseres] heeft inmiddels een kaakoperatie ondergaan (in 2009) welke operatie vooraf werd gegaan en werd gevolgd door orthodontie. Oude implantaten werden daarbij verwijderd onder plaatsing van nieuwe implantaten.

4 Het geschil

In de hoofdzaak

4.1.

[eiseres] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

I. voor recht te verklaren dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige schade ten gevolge van de schending van de verbintenissen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst;

II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om de volledige materiële- en immateriële schade van [eiseres] ten gevolge van de toerekenbare tekortkomingen te vergoeden, nader op te maken bij staat;

III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot aan [eiseres] van € 10.000,-;

IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[eiseres] grondt haar vordering op het door [gedaagden] jegens haar toerekenbaar tekortschieten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Daarbij hebben zij zowel de informed consentverplichting geschonden (artikel 7:448 van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW), door [eiseres] niet op duidelijke wijze te informeren over de voorgestelde behandelingen en de te verwachten risico’s van de behandeling voor de gezondheid van [eiseres] alsook de lege artis verplichting. De tandartsen hebben volgens [eiseres] medisch onzorgvuldig gehandeld (artikel 7:453 BW). Als gevolg van de gemaakte beroepsfouten stelt [eiseres] voor vergoeding in aanmerking komende materiële- en immateriële schade te hebben geleden. Zij stelt daarbij dat zij van de behandelingen zou hebben afgezien indien zij op voorhand juist zou zijn geadviseerd. Ook heeft zij diverse herstelbehandelingen moeten ondergaan.

De vordering jegens NN wordt gegrond op artikel 7:954 BW.

4.3.

[gedaagden] en NN voeren ieder afzonderlijk gemotiveerd verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In de vrijwaringszaak

4.5.

[gedaagden] vordert - samengevat - dat NN wordt veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagden] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van NN in de kosten van de vrijwaring.

4.6.

NN voert gemotiveerd verweer.

4.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In de hoofdzaak

De ontvankelijk van [eiseres] in haar vordering jegens NN

5.1.

NN stelt zich voor alle weren op het standpunt dat [eiseres] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering jegens NN, nu zij in de dagvaarding de verkeerde rechtspersoon heeft gedagvaard, te weten Nationale Nederlanden B.V. in plaats van Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

[eiseres] geeft aan haar vergissing inmiddels te hebben gerectificeerd.

5.2.

De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van NN op niet-ontvankelijkheid. [eiseres] wordt geacht haar vergissing met haar (tijdige) akte tot rectificatie te hebben hersteld. Daarbij is relevant dat sprake is geweest van een vergissing in de naam van gedaagde, welke vergissing voor de juiste gedaagde kenbaar was en de juiste rechtspersoon ook in deze procedure is verschenen en verweer heeft gevoerd. Het moet voor een ieder duidelijk zijn geweest dat [eiseres] heeft bedoeld de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagden] in rechte te betrekken, NN heeft dat zelf ook zo opgevat en heeft vervolgens ook namens de juiste rechtspersoon verweer gevoerd en is door de vergissing van [eiseres] niet benadeeld en/of niet onredelijk in haar verdediging of belangen geschaad. De vordering in de hoofdzaak wordt daarmee geacht mede te zijn ingesteld jegens Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

Het medisch dossier

5.3.

NN heeft verder aangevoerd dat zij nog niet goed kan ingaan op de aansprakelijkheidsvraag bij gebrek aan (volledig) medisch dossier. Nu gelet op het hierna volgende eerst een deskundigenonderzoek moet plaatsvinden waarbij ook NN zal worden betrokken, zal de aansprakelijkheidsvraag nog niet kunnen worden beantwoord. Partijen zullen, na het deskundigenbericht, ieder bij conclusie/akte nog op de bevindingen van de deskundige en op de aansprakelijkheidsvraag mogen reageren. Daarbij dienen, in het kader van het te verrichten deskundigenbericht, alle relevante medische stukken aan zowel de deskundige als aan de (medisch adviseur van) partijen te worden verstrekt door [eiseres] . Daarmee zal NN alsnog de (volledige) beschikking krijgen over alle relevante (nog niet in haar bezit zijnde) medische stukken en zal zij desgewenst alsnog aanvullend verweer kunnen voeren.

Het toetsingskader

5.4.

[eiseres] baseert haar vorderingen op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een medische behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW.

Ingevolge de maatstaf van artikel 7:453 BW dient een medisch hulpverlener bij zijn/haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. De hulpverlener moet die zorg betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Artikel 7:448 BW legt op de hulpverlener verder de plicht om de patiënt op duidelijke wijze in te lichten over de voorgestelde behandeling. Artikel 7:450 BW bepaalt, kort weergegeven, dat voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst de toestemming van de patiënt is vereist. Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming geven voor een behandeling indien hij daarover adequaat is geïnformeerd (de zogenoemde ‘informed consent’). Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijs dient te weten ten aanzien van de aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en de risico’s daarvan, over eventuele alternatieven en over de vooruitzichten. De hulpverlener hoeft de patiënt niet in te lichten over alle denkbare risico’s. Gebreken in de voorlichting door de hulpverlener brengen niet zonder meer mee dat de hulpverlener vervolgens jegens de patiënt aansprakelijk is voor eventuele schade die voortvloeit uit de behandeling. De informatieplicht van de hulpverlener strekt ertoe de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor het al dan niet ondergaan van de behandeling. Dat een patiënt niet voor een behandeling zou hebben gekozen indien de hulpverlener niet zou zijn tekortgeschoten bij het informeren van de patiënt, kan niet zonder meer worden aangenomen. Het is aan de patiënt om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij, indien hij op een voldoende duidelijke wijze was geïnformeerd over het aan de behandeling verbonden risico, als redelijke patiënt niet zou hebben gekozen voor de behandeling, of dat hij om redenen van persoonlijke aard niet voor deze behandeling zou hebben gekozen.

De verwijten die [eiseres] [gedaagden] maakt

5.5.

[eiseres] maakt [gedaagden] de volgende verwijten.

5.5.1.

[eiseres] verwijt [gedaagde 3] het inzetten van een onjuiste, inadequate behandeling.

Alleen orthodontische behandeling was voor de gebitsafwijking van [eiseres] ongeschikt. Hieraan ging het stellen van een onjuiste diagnose vooraf, althans de ernst van de diepe beet is door [gedaagde 3] onvoldoende onderkend en voorafgaand aan de behandeling werd niet met [eiseres] besproken dat voor het door haar gewenste resultaat eigenlijk een operatie noodzakelijk was. Voorafgaand is niet gesproken over alternatieven of chirurgische behandeling en is zij onvoldoende geïnformeerd over de in te zetten orthodontische behandeling, aldus steeds [eiseres] .

5.5.2.

Ook verwijt [eiseres] [gedaagde 3] dat de behandeling in totaal veel te lang heeft geduurd en dat het tegenvallend beloop wat betreft resultaat en duur ervan niet met haar is besproken. Er is geen regie gehouden wat betreft het verloop van de behandeling.

5.5.3.

[eiseres] verwijt [gedaagde 4] dat hij al definitieve kronen heeft geplaatst in de zijdelingse delen van haar mond nog voordat de orthodontische behandeling was afgerond. Daarmee is geen correctie achteraf aan de veranderde occlusie meer mogelijk en dit is bovendien onvoldoende met [eiseres] besproken.

5.5.4.

[eiseres] verwijt [gedaagde 2] dat hij implantaten in bovenkaak/front heeft geplaatst nog voordat de orthodontische behandeling was afgerond, waarmee achteraf geen correctie aan de veranderde occlusie mogelijk was, en het hierover niet deugdelijk informeren van [eiseres] . Daarnaast zijn de implantaten volgens [eiseres] slecht geplaatst, deze staan te ver af van de elementen 11 en 21, met als gevolg dat er bij de tweede orthodontische behandeling (gestart door dr. Bokhout) te grote suprastructuren aanwezig waren, zowel in de breedte als in de lengte.

5.6.

[eiseres] onderbouwt deze verwijten met een verwijzing naar de bevindingen van Drs. De Winter, Bokhout, Prof. Eijkman en Fennis.

5.7.

[gedaagden] en NN betwisten de verwijten die [eiseres] [gedaagden] maakt.

5.7.1.

[gedaagden] betwisten toerekenbaar tekort te zijn geschoten jegens [eiseres] waarbij volgens hen voorop moet worden gesteld dat op hen slechts een inspanningsverbintenis rustte. De medisch adviseur van [gedaagden] onderschrijft de vermeende tekortkomingen niet en evenmin de bevindingen van Fennis. Prof. Eijkman, die twee petten op had en eerst optrad als adviseur voor [eiseres] en later voor [gedaagden] , heeft zijn mening later bijgesteld in het voordeel van [gedaagden]

De behandeling heeft in totaal vier en niet vijf jaar geduurd vanwege de pauze tussendoor van één jaar. De Winter heeft [eiseres] beoordeelt op een moment dat de behandeling nog niet klaar was. Als de hele behandeling zou zijn gevolgd, zou er geen sprake meer zijn geweest van een diepe beet en zou het beoogde resultaat van het behandelplan wel zijn bereikt. Er zouden bijvoorbeeld ook nog kronen in de bovenkaak worden geplaatst, waaraan nog niet was toegekomen. Het was de keuze van [eiseres] om de behandeling niet af te maken.

Daarnaast vragen Quom c.s. zich af of de later ondergane herbehandeling/nieuwe orthodontisch/chirurgische behandeling wel medisch noodzakelijk was en zo ja, of die noodzaak voortkwam uit hun handelwijze.

[gedaagden] voeren verder aan dat zij [eiseres] op voorhand wel degelijk erop hebben gewezen dat een operatieve behandeling eigenlijk de eerste keuze was, ook al is dat niet met zoveel woorden in het medisch dossier vermeld. Dat neemt niet weg dat in de visie van [gedaagden] een diepe beet wel ook op te lossen is met kronen. [eiseres] is wel degelijk gewezen op de risico’s van de door haar gewenste behandeling en ook de voortgang van de behandeling werd besproken.

Ook wordt betwist dat sprake was van ondeugdelijke plaatsing van implantaten. Daarvoor is aan beide kanten ruimte nodig omdat anders het gat in de kaak te klein is. Verder kunnen implantaten juist ook gebruikt worden als ankerpunten om de orthodontische behandeling te faciliteren, waarvan ook uitdrukkelijk bewijs wordt aangeboden.

Daarbij komt dat [gedaagden] nooit in de gelegenheid is gesteld om te trachten de in de visie van [eiseres] onbevredigende resultaten te verbeteren. Er is geen sprake van verzuim en de gesloten behandelovereenkomst is nooit door [eiseres] ontbonden.

5.7.2.

NN voert - samengevat- als verweer aan dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van de vermeende beroepsfouten. NN betwist dat hier sprake van is geweest. [eiseres] is op voorhand wel degelijk correct geïnformeerd en er bestaat geen (algemene) norm om adviezen schriftelijk te moeten vastleggen. Indien [eiseres] wel onjuist zou zijn geïnformeerd, betwist NN dat [eiseres] van de second best behandeling zou hebben afgezien. Daarnaast is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende, onder de verzekering gedekte (gevolg)schade. NN kan alleen rechtstreeks worden aangesproken voor onder de verzekering gedekte schade.

[eiseres] maakt daarnaast ten onrechte aanspraak op een hoofdelijke veroordeling.

5.7.3.

Zowel [gedaagden] als NN maken verder bezwaar tegen het gebruik door de rechtbank, en het bindend zijn van het rapport van Fennis.

[gedaagden] stelt dat zij niet dan wel onvoldoende is gehoord door Fennis en dat sprake is geweest van schending van het beginsel van hoor en wederhoor door Fennis. De uitgebreide opmerkingen van [gedaagden] op het rapport van Fennis zijn niet meegenomen en bij de bevindingen van Fennis betrokken.

NN voert aan dat zij in het geheel niet betrokken was bij het deskundigenbericht van Fennis. Zij heeft daarom geen invloed kunnen uitoefenen op de aan Fennis voorgelegde vragen en ook heeft zij naar aanleiding van zijn rapport geen opmerkingen kunnen maken of (aanvullende) vragen kunnen stellen. NN kan niet gebonden worden geacht aan het deskundigenrapport van Fennis.

Overwegingen rechtbank

5.8.

Ter onderbouwing van haar stellingen en de verwijten die zij [gedaagden] maakt, verwijst [eiseres] in de eerste plaats naar het rapport van Fennis.

5.9.

De rechtbank stelt voorop dat de bevindingen van een door partijen gezamenlijk ingeschakelde medisch deskundige in beginsel tussen deze partijen leidend is. Dat neemt echter niet weg dat het rapport van een dergelijk medisch deskundige op zorgvuldige wijze tot stand moet zijn gekomen. De motivering en conclusies van de deskundige moeten deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens. Het uitgangspunt, dat dat rapport voor de verdere beoordeling leidend is, kan uitzondering leiden indien voornoemde motivering ondeugdelijk is of indien er sprake is van andere zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht.

5.10.

Van dergelijke zwaarwegende steekhoudende bezwaren is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Met NN constateert de rechtbank dat zij ten onrechte niet bij het onderzoek door Fennis is betrokken. In zoverre is in ieder geval geen sprake van een voor NN bindend deskundigenoordeel.

Verder stelt de rechtbank vast dat zich ook ten opzichte [gedaagden] ernstige onvolkomenheden hebben voorgedaan rondom de totstandkoming van het deskundigenrapport van Fennis. [gedaagden] verwijt Fennis in dit verband niet door hem te zijn gehoord. Ter gelegenheid van de gehouden mondelinge behandeling heeft [gedaagden] onbetwist toegelicht dat Arag enige tijd zowel voor [eiseres] als voor [gedaagden] is opgetreden en dat Arag heeft verhinderd dat een uitgebreid commentaar van [gedaagden] op het rapport van Fennis aan Fennis is doorgegeven en voorgelegd. Daarnaast had ook Prof. Eijkman twee petten op en is Eijkman later enigszins teruggekomen van zijn aanvankelijke conclusies. Ook deze (gewijzigde) bevindingen van Eijkman zijn niet aan Fennis doorgegeven.

5.11.

Gelet op het voorgaande kleven er zodanig vele en ernstige bezwaren aan (de totstandkoming van) het rapport van Fennis, dat zijn rapport niet als uitgangspunt kan dienen voor de verdere beoordeling van deze zaak en de voorliggende aansprakelijkheidsvraag en/of ten aanzien van het medisch causaal verband.

5.12.

[eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar stellingen daarnaast naar de bevindingen van haar medisch adviseur en van drs. De Winter, Bokhout en Prof. Eijkman. Het gaat hierbij echter om partij-deskundigen en/of om verklaringen van (voormalige) behandelaars van [eiseres] . Bovendien heeft [gedaagden] gemotiveerd aangegeven dat de betreffende artsen onvoldoende in hun beoordeling hebben betrokken dat de behandeling op het moment van consultatie van deze artsen nog niet was afgerond, dat de situatie is beoordeeld op momenten dat er al wijzigingen door derden waren aangebracht en bovendien gaan zij uit van een onjuiste stand van zaken rondom het door [gedaagde 4] plaatsen van kronen. Een aantal kronen was namelijk al wel gefactureerd maar nog niet daadwerkelijk geplaatst.

Het bewijs van de gestelde tekortkomingen, die gemotiveerd worden betwist, kan daarmee evenmin al geleverd worden geacht met de bevindingen van deze artsen en/of de overige beschikbare dossierstukken.

5.13.

Gelet op het hiervoor overwogene en het niet kunnen gebruiken van het rapport van Fennis, heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een nieuw in te schakelen deskundige.

5.14.

De rechtbank is verder voornemens de navolgende vragen aan de in te schakelen deskundige voor te leggen:

Inleiding

In deze zaak staat het handelen van de tandartsen [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] , verbonden aan tandartsenpraktijk Qyom ter discussie. Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat de rechter over het handelen van de betrokken tandartsen kan oordelen; is er juist gehandeld door de tandartsen? Het handelen van de betrokken tandartsen moet de rechter toetsen aan een norm die geduid wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medisch professionele standaard en de manier waarop de betrokken tandartsen de geneeskundige behandeling hebben verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat de rechter door u als medische deskundige wordt voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de medische praktijk en het handelen van de betrokken tandartsen. U wordt als medisch deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uit gaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de tandartsen zijn voor de toets niet van belang.

In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de geneeskundige behandeling plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur.

Het begrip ‘medisch professionele standaard’ moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de hulpverlener is gehouden, die blijken uit de opleiding(s-eisen) voor medici, inzichten en ervaring uit de geneeskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.

Diagnose/aandoening

Bij [eiseres] heeft [gedaagde 3] in ieder geval op 21 augustus 2002 een diepe beet vastgesteld naast de diagnoses disto occlusie, crowding onder- en bovenfront, steilstand 11/2, agenesie 12/22, binnenbeet 34/35 en diverse rotaties.

Hoe hoort het in het algemeen te gaan?

Vraag 1

a. Kunt u voor de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling waar het hier over gaat, aangeven waaruit de behandeling van een diepe beet, in de mate waarin die bij [eiseres] aanwezig was, moet bestaan volgens de binnen de beroepsgroep bestaande professionele standaard en hoe lang een dergelijke behandeling doorgaans duurt?

b. Wilt u daarbij zoveel mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur, en de (digitale) vindplaats daarvan vermelden?

c. Kunt u bij de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling aangeven of met de bepaalde handelwijze beoogd wordt een specifiek omschreven medisch doel te bereiken?

d. Zo ja, welk doel?

e. Zijn er meerdere mogelijkheden van behandeling? Zo ja, wat was de meest aangewezen behandelmethode?

f. Zo ja, voor welke mogelijke behandeling is in dit geval gekozen?

g. Kunt u aangeven of er binnen de beroepsgroep bestaande medisch professionele standaard iets bekend is over het verschil in resultaat van de behandelingen?

Vraag 2

a. Kunt u aangeven hoe betrokkene had moeten worden geïnformeerd over de behandelopties, de behandelduur, de voortgang van de behandeling en het te verwachten resultaat?

b. Zou een redelijk handelend patiënt hebben afgezien van de behandeling indien de patiënt vooraf op juiste wijze zou zijn geïnformeerd?

Vraag 3

Is het overeenkomstig de op dat moment geldende professionele standaard om een diepe beet, zoals die heeft bestaan bij [eiseres] , te behandelen zonder operatieve ingreep maar door middel van de behandeling die is ingezet?

Hoe is het in dit geval gegaan?

Vraag 4

a. Kunt u op basis van de beschrijving in het medisch dossier en uw bevindingen bij eventueel lichamelijk onderzoek, voor zover verricht, een beschrijving geven van de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling, zoveel mogelijk uitgesplitst per tandarts, zoals verricht bij betrokkene?

b. Voor zover een handeling niet duidelijk is, wilt u dit dan aangeven onder opgave van redenen?

c. Is het voor u mogelijk aan te geven hoe betrokkene geïnformeerd is over de behandelopties, de behandelduur, de voortgang van de behandeling en het te verwachten resultaat?

Vraag 5 U moet deze vraag zo feitelijk mogelijk beantwoorden. U hoeft niet aan te geven in hoeverre een eventuele afwijking aanvaardbaar, redelijk of verwijtbaar is.

a. Kunt u aangeven of naar uw oordeel de behandelend tandartsen, zoveel mogelijk uitgesplitst per tandarts, hebben gehandeld volgens de op dat moment voor hen geldende professionele standaard? Dit betreft zowel de orthodontische behandeling, de plaatsing van de implantaten 12 en 22 door [gedaagde 2] , als de door [gedaagde 4] geplaatste kronen in de zijlingse delen.
b. Zo nee, wat is hiervan het (medische) gevolg?

c. Als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten en kunnen worden gehandeld?

Vraag 6

a. Kunt u aangeven of het later verwijderen en opnieuw plaatsen van implantaten 12 en 22 medisch noodzakelijk was, en, zo ja, in hoeverre die noodzaak is toe te schrijven aan de wijze van behandelen door [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en/of [gedaagde 2] dan wel ook zonder behandeling door deze tandartsen geïndiceerd zou zijn geweest?

b. Kunt u aangeven of het laten vervangen van de kronen 17 en 15 medisch noodzakelijk was en, zo ja, in hoeverre die noodzaak is toe te schrijven aan de wijze van behandelen door [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en/of [gedaagde 2] dan wel dat deze ook zonder behandeling door deze tandartsen geïndiceerd zou zijn geweest?

c. Kunt u aangeven of het verlies van element 16 is toe te schrijven aan de behandelwijze van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en/of [gedaagde 2] dan wel dat dit ook zonder handelen van deze tandartsen zou zijn gebeurd?

d. Zullen in uw optiek de elementen 11 en 21 alsnog verwijderd en vervangen moeten worden? Zo ja, is dat toe te schrijven aan de behandelwijze van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en/of [gedaagde 2] of staat het moeten vervangen van deze elementen los van de behandeling van deze tandartsen?

Slotvraag

Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak door de rechter?

5.15.

Partijen zullen bij akte in de gelegenheid worden gesteld om, liefst zoveel mogelijk eensluidend, een voorstel te doen ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige alsmede de aan deze voor te leggen vragen zoals hiervoor onder 5.14 geformuleerd.

Ten aanzien van de schade

5.16.

Indien komt vast te staan dat sprake is geweest van door [gedaagden] gemaakte beroepsfouten en dat sprake is van medisch causaal verband met door [eiseres] geleden schade, wordt ten aanzien van de schade in algemene zin alvast het navolgende overwogen.

5.17.

Gevorderd wordt, naast een voorschot, schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Voor zover aan het begroten van schade zal worden toegekomen, dan is de rechtbank van oordeel dat de schade al in deze procedure kan worden begroot en dat verwijzing naar de schadestaat procedure niet geïndiceerd is.

5.18.

Bij akte na comparitie stelt [eiseres] dat zij bij [gedaagden] een jarenlange behandeling heeft ondergaan die geen positieve bijdrage heeft geleverd aan haar gebitsafwijking. Er is volgens haar sprake geweest van een geheel zinloze behandeling die geen enkel doel heeft gediend. Indien zij voldoende zou zijn ingelicht, dat voor wat zij wilde een operatieve ingreep nodig was, hetgeen voor [eiseres] een absolute no go was, dan zou zij als redelijk handelend patiënt nooit de ongeschikte behandeling bij [gedaagden] hebben gevolgd. De volledige kosten voor orthodontie, die worden begroot op € 3.692,- zijn daarom te kwalificeren als voor vergoeding in aanmerking komende vermogensschade.

Verder zijn als gevolg van de ondeugdelijke behandeling de implantaten 12 en 22 verwijderd en opnieuw geplaatst en zijn de kronen 15 en 17 vervangen. De elementen 11 en 21 zullen nog verwijderd en vervangen moeten worden. Ook element 16 is verloren gegaan als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagden] en heeft extra behandelkosten tot gevolg. [eiseres] maakt derhalve aanspraak op vergoeding van extra gemaakte, of nog te maken behandelkosten die kwalificeren als gevolgschade en die worden begroot op

€ 11.623,44. Daarnaast was door het te lang in standhouden van de diepe beet extra paradontale behandeling nodig, begroot op € 676,07 alsmede orthodontische nabehandeling ad € 676,07.

Daarenboven maakt [eiseres] nog aanspraak op smartengeld (begroot op € 14.347,30), vergoeding van kosten van de second opinion (€ 1.000,-), verlies aan verdienvermogen

(€ 6.000,-) kosten huishoudelijke hulp (€ 1.680,-), kosten zelfwerkzaamheid (€ 864,-) reiskosten (€ 1.000) en porto-, telefoon- en kopieerkosten (€ 100,-). De totale schade wordt daarmee door [eiseres] begroot op € 41.632,81.

5.19.

[gedaagden] en NN hebben ieder afzonderlijk bij antwoordakte gereageerd.

[gedaagden] betwist dat de behandeling geen enkel nut heeft gehad. De crowding in de onderkaak werd opgeheven, stand 34/35 gecorrigeerd en in een langdurig proces is ruimte gemaakt voor 2 implantaten. Deze resultaten zijn nog steeds aanwezig. [gedaagden] voert verder gemotiveerd verweer tegen de schadeposten en het vermeende causaal verband.

NN merkt daarnaast nog op dat [eiseres] nalaat haar schade te onderbouwen aan de hand van facturen en/of bankafschriften. Ook had [eiseres] meer inzicht dienen te geven in wat is vergoed door haar zorgverzekering. Verder heeft [eiseres] niet toegelicht welke schadeposten wel of niet onder de verzekeringsovereenkomst tussen NN en [gedaagden] zijn gedekt. Een directe actie is slechts mogelijk voor gedekte gevolgschade.

5.20.

De rechtbank stelt voorop dat voor het begroten van de schade de (financiële) situatie van [eiseres] met beroepsfouten (voor zover deze komen vast te staan) dient te worden vergeleken met de hypothetische situatie waarbij geen beroepsfouten zouden hebben plaatsgevonden en zij van begin af aan juist zou zijn geadviseerd en zou zijn behandeld.

5.21.

Dat betekent ook dat niet voor vergoeding in aanmerking komen kosten van (operatieve) behandelingen die later (alsnog) hebben plaatsgevonden en die ook gemaakt hadden moeten worden indien [eiseres] van aanvang aan goed zou zijn geadviseerd en zou zijn behandeld. Wel komen eventueel voor vergoeding in aanmerking niet vergoede behandelkosten die puur zijn gemaakt om eventuele ondeugdelijk door [gedaagden] uitgevoerde behandelingen te herstellen alsmede eventueel voor deze behandelingen aan de zorgverzekeraar betaald eigen risico.

5.22.

Verder dient bij het vaststellen van eventuele ten onrechte of te lang/te veel gefactureerde behandelingen van [gedaagden] , indien deze voor terugbetaling in aanmerking komen, te worden uitgegaan van de daadwerkelijk in rekening gebrachte facturen (die voor eigen rekening zijn gebleven van [eiseres] ) dan wel in dat verband door [eiseres] betaalde eigen bijdragen aan haar zorgverzekeraar. Dat geldt eveneens voor herstelbehandelingen die al hebben plaatsgevonden. Opgemerkt wordt dat [gedaagden] her en der uitgaat van begrote kosten, en niet van daadwerkelijk gemaakte kosten, en dat zij nog niet alle facturen, betaalbewijzen en gegevens van de zorgverzekeraar omtrent wel/niet vergoede kosten en het betaalde eigen risico heeft overgelegd. Te zijner tijd zullen deze stukken alsnog moeten worden overgelegd indien daaraan wordt toegekomen.

5.23.

Met betrekking tot de vordering jegens NN is verder een nadere uitsplitsing naar soort schade wel degelijk relevant, nu NN alleen (direct) kan worden aangesproken voor schade die onder de dekking van de met [gedaagden] gesloten verzekeringsovereenkomst valt.

In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

5.24.

De zaak zal voor het in rechtsoverweging 5.15 weergegeven doel naar de rol worden verwezen voor een door partijen te nemen akte (daarna antwoordakte).

5.25.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

6.1.

verwijst de zaak naar de rol van 31 augustus 2022 voor een door alle partijen te nemen akte (daarna antwoordakte) voor het onder 5.15 weergegeven doel;

In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.