Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4833

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2022
Datum publicatie
18-08-2022
Zaaknummer
C/13/710246 / FA RK 21-7420
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming erkenning, DNA onderzoek, bijzondere curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/710246 / FA RK 21-7420 (LH / MG)

Beschikking van 10 augustus 2022 betreffende vervangende toestemming tot erkenning

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: ‘de man’,

advocaat mr. W.P.A. Vos te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: ‘de vrouw’,

advocaat mr. T.A. Bouman te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. [curator],

kantoorhoudende te Amsterdam,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over na te noemen minderjarige,
hierna te noemen de bijzondere curator,
als advocaat voor zichzelf verschijnende.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2022 is mr. [curator] als bijzondere curator over de minderjarige benoemd. Bepaald is dat de bijzondere curator de rechtbank en partijen uiterlijk 9 maart 2022 schriftelijk dient te berichten over de bevindingen en dat partijen binnen twee weken nadien dienen te reageren op de bevindingen van de bijzondere curator.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het rapport van de bijzondere curator, ingekomen op 9 februari 2022;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 15 februari 2022;

  • -

    e-mail van de advocaat van de man, ingekomen op 5 juli 2022.

1.3.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juli 2022.

Verschenen zijn:

  • -

    de man (telefonisch) en diens advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator.

2 De verdere beoordeling

Vervangende toestemming tot erkenning

2.1.

De man heeft verzocht een bijzondere curator te benoemen om te beoordelen of het in het belang is van de minderjarige om namens deze een afstammingsverzoek in te dienen. De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat het contact tussen partijen moeizaam verloopt en de vrouw aan de man heeft aangegeven te twijfelen aan het feit dat de man de verwekker zou zijn van de minderjarige. De man wil duidelijkheid over de door hem te nemen verantwoordelijkheid ten aanzien van de minderjarige en heeft de rechtbank verzocht een DNA onderzoek te gelasten.

2.2.

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat voor de vrouw duidelijk is dat de man de verwekker is van de minderjarige. De vrouw stelt dat een DNA onderzoek niet noodzakelijk is omdat de vrouw instemt met het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning.

2.3.

De bijzondere curator verzoekt de rechtbank een DNA onderzoek te gelasten. Indien uit DNA onderzoek blijkt dat de man de verwekker is, verzoekt de bijzondere curator voorts het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige toe te wijzen. De bijzondere curator acht het in het belang van de minderjarige dat er duidelijkheid zal bestaan over haar afstamming. De bijzondere curator stelt dat – voor zover uit DNA onderzoek blijkt dat de man de verwekker is – de sociale en emotionele werkelijkheid (waarin de man de verwekker is van de minderjarige en een vaderrol in haar leven heeft) in overeenstemming dient te worden gebracht met de juridische werkelijkheid en dat er een familierechtelijke betrekking tussen de man en de minderjarige tot stand dient wordt gebracht. Volgens de bijzondere curator zal erkenning van de minderjarige door de man niet de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de minderjarige zal schaden en dat de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige niet in het gedrang zullen komen.

DNA onderzoek

2.4.

De rechtbank oordeelt dat het in het belang van de minderjarige is dat haar afstamming komt vast te staan. Nu zowel de man als de vrouw hebben verklaard bereid te zijn medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag of de man de biologische vader is van de minderjarige, zal de rechtbank een deskundigenonderzoek bevelen als bedoeld in artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Partijen zijn verplicht aan dit onderzoek medewerking te verlenen. Indien zij aan deze verplichting niet voldoen, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

2.5.

De rechtbank zal de behandeling van de zaak pro forma aanhouden tot 3 oktober 2022 in afwachting van het deskundigenrapport. Partijen dienen binnen twee weken na het rapport daar schriftelijk op te reageren.

2.6.

Ten aanzien van de kosten van het DNA onderzoek (€ 685,- inclusief BTW) dienen partijen in beginsel ieder de helft (te weten € 342,50) van het door Verilabs op te geven voorschot te betalen. Aangezien partijen beiden op basis van een toevoeging procederen zal dit voorschot in afwachting van de eindbeslissing in de afstammingszaak door de griffier in debet worden gesteld. De rechtbank zal bij latere beschikking tevens een beslissing nemen omtrent de aan het deskundigenonderzoek verbonden kosten.

Omgangsregeling

2.7.

De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarige één weekend per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de man zal verblijven. De man stelt dat een minderjarige recht heeft op omgang met de ouders en dat een niet met het gezag belaste ouder recht heeft op ende verplichting tot omgang met een minderjarige. De man wenst na de vaststelling van zijn verwekkerschap de verplichting tot omgang met de minderjarige na te komen.

2.8.

De vrouw voert verweer en stelt dat de door de man verzochte omgangsregeling niet in het belang is van de minderjarige. Volgens de vrouw wil de minderjarige zelf geen omgang met de man.

2.9.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij ondersteuning krijgt van Altra. Mocht uit DNA onderzoek blijken dat de man de vader is van de minderjarige, moet worden gekeken hoe er een stabiele en vooral bestendige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige tot stand komt, die door partijen wordt nagekomen. Dit is belangrijk omdat de man tot op heden in het leven van de minderjarige aanwezig is geweest, maar ook weer is verdwenen. De rechtbank oordeelt dat dit niet in het belang van de minderjarige is en merkt op dat – voor zover blijkt dat de man de vader is van de minderjarige – partijen voor het vormgeven en de uitvoering van de omgangsregeling mogelijk ook een beroep kunnen doen op Altra, omdat deze organisatie nu al bij de vrouw en de minderjarige betrokken is. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling aanhouden in afwachting van de uitkomst van voornoemd DNA-onderzoek.

2.10.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt een DNA-onderzoek door de deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

welke conclusies kunnen worden getrokken uit de resultaten van het DNA-onderzoek aangaande de minderjarige:

[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013,

met betrekking tot de mogelijkheid dat de man de biologische vader is van voornoemde minderjarige;

- benoemt tot deskundige:

een geautoriseerde deskundige van Verilabs,

adres : [adres] ,

telefoonnummer : [telefoonnummer] ,

emailadres : [e-mailadres] ;

het voorschot:

- bepaalt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 685,-, inclusief BTW;

- bepaalt dat het voorschot ten laste van partijen door de griffier in afwachting van de eindbeslissing in debet zal worden gesteld zodat de deskundige direct met het onderzoek kan aanvangen;

het onderzoek:

- bepaalt dat de benoemde deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige in overleg met de vrouw en man te bepalen tijdstip en plaats;

wijst de deskundige erop dat:

- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);

- bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken, indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven voor het verrichten van onderzoek;

- bepaalt dat partijen met het oog op het maken van een afspraak met de deskundige hun gegevens waaronder telefoonnummer en emailadres, zo spoedig mogelijk aan de deskundige zullen opgeven;

het schriftelijk rapport:

- draagt de deskundige op om uiterlijk twee manen na ontvangst van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van deze rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

- wijst de deskundige erop dat uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

de verdere procedure

- bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma wordt voorgezet op 3 oktober 2022, in afwachting van de ontvangst van het deskundigenbericht;

- bepaalt dat partijen binnen twee weken aldus voor 17 oktober 2022 dienen te reageren op het rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden, en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het rapport te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.T.W. Gerritsen, griffier, op 10 augustus 2022.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.