Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4357

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
09-09-2022
Zaaknummer
C/13/713766 / HA ZA 22-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(bijzondere) zorgplicht bank jegens een derde – vraag of de bank heeft nagelaten voortvarend op te treden naar aanleiding van door die derde verrichte ongebruikelijke transacties naar een bij de bank aangehouden bankrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2022/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/713766 / HA ZA 22-144

Vonnis van 13 juli 2022

in de zaak van

de gezamenlijke erfgenamen van [erflater],

laatstelijk wonende te [woonplaats] (België),

eisers,

advocaat mr. G.M.M. van Tilborg te Sittard,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. Jagt te Amsterdam.

Partijen worden hierna de erfgenamen en ABN AMRO genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit

- de dagvaarding van 19 januari 2022, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 4 mei 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het verkorte proces-verbaal van de op 30 mei 2022 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde (proces)stukken,

  • -

    het e-mailbericht van mr. E. Meuwissen van 31 mei 2022, met als bijlagen de spreekaantekeningen zoals deze zijn gebruikt op de mondelinge behandeling alsmede de akte voortzetting procedure na overlijden,

  • -

    het e-mailbericht van mr. Jagt van 14 juni 2022, met als bijlage de antwoordakte van ABN AMRO.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De oorspronkelijke eiser in deze zaak, de heer [erflater] (hierna: [erflater] ) is op 15 januari 2022 helaas overleden. Zijn erfgenamen, te weten [erfgenaam 1] ,
[erfgenaam 2] en [erfgenaam 3] , hebben besloten de procedure tegen ABN AMRO voort te zetten.

2.2.

[erflater] was een gepensioneerd zakenman. Begin 2020 heeft hij via internet mevrouw [naam 1] leren kennen. Tussen hen ontstond een affectieve relatie. Zij hebben vaak contact per e-mail en telefoon gehad, maar elkaar nooit fysiek ontmoet. De hierna weergegeven tussen hen gewisselde berichten betreffen telkens e-mailberichten.

2.3.

Op 12 januari 2020 heeft het transactiemonitoringsysteem van ABN AMRO een melding ten aanzien van een transactie op de bankrekening van [naam 2] (hierna ook: de Bankrekening) gegenereerd, die het systeem vervolgens automatisch heeft gesloten, omdat de transactie onder bepaalde tresholds (drempelwaarden) bleef. De melding is daardoor niet door een analist van ABN AMRO onderzocht.

2.4.

In januari 2020 heeft [naam 1] [erflater] bericht dat zij antieke goederen ter waarde van $ 300.000,-- had aangekocht en dat zij deze wenste te exporteren van Canada naar Zuid-Afrika. Op 14 januari 2020 heeft zij [erflater] bericht dat de goederen klaar waren voor verzending maar dat de rederij een extra bedrag vroeg voor de dienstverlening. [naam 1] gaf aan een bedrag van $ 1.200,-- tekort te komen. Op haar verzoek om dit bedrag voor te schieten heeft [erflater] positief gereageerd. [naam 1] heeft [erflater] geïnstrueerd om het bedrag naar de bankrekening van [naam 2] over te maken, met als toelichting dat de accountmanager van de reder een Nederlands account heeft. [erflater] heeft vervolgens een bedrag van € 1.200 naar de Bankrekening overgemaakt.

2.5.

Op 15 januari 2020 heeft [naam 1] [erflater] gemeld dat de rederij haar heeft bericht dat het antiek niet kan worden verzonden zonder verzekerd te zijn, en dat daar een bedrag van 5.260, later door [naam 1] gecorrigeerd naar 15.260, als aanbetaling voor verzekeringskosten mee is gemoeid. Op verzoek van [naam 1] heeft [erflater] een bedrag van € 15.260,-- overgemaakt naar de Bankrekening.

2.6.

Op 18 januari 2020 heeft [naam 1] [erflater] bericht dat er opslag- en douanekosten van 75.711, door [naam 1] later gecorrigeerd naar 91.711, voor het transport van de goederen moeten worden betaald. [erflater] heeft [naam 1] op dezelfde datum onder meer geantwoord: “I’m crazy to help you Sweety, but I trust you and I love you.” en “Ok, this crazy guy is going to transfer 85000 € to the account in Holland for my loved [naam 1] , to solve the incredible bloody situation. In the future we should better be business partners at 50/50% to make money and enjoy trading.(..)”. [erflater] heeft vervolgens een bedrag van € 85.000,-- overgemaakt naar de Bankrekening.

2.7.

[erflater] heeft op 21 januari 2020 een bedrag van € 27.580,-- naar de Bankrekening overgemaakt, en op 24 januari 2020 nog een bedrag van € 10.000,-- nadat [naam 1] hem had bericht onder andere geld nodig te hebben voor een vlucht en verblijf.

2.8.

Op 26 januari 2020 heeft [erflater] aan [naam 1] bericht: “I’m really sorry, but I’m supporting you for more then 120k and it is a never ending story. Now we reached the limit. (..)”

2.9.

Op 28 januari 2020 heeft [erflater] aan [naam 1] bericht: “Do you understand that I have no prove of anything. No prove of your existence. No prove that your voice is corresponding with your picture and your writing. (..) No prove that after paying import duty other problems will not appear. No prove I’ll get my investment back. I have to believe in somebody I never met and who proved having no clou of export. This a 100% risk. I’m not blaming you my love, but just painting the real situation.”

2.10.

Op 29 en 30 januari 2020 en 4 en 6 februari 2020 heeft [erflater] bedragen van respectievelijk € 125.000,-- € 41.000,-- € 170.000,-- en € 75.000,-- naar de Bankrekening overgemaakt. Ter zake het laatstgenoemde bedrag hebben [erflater] en [naam 1] een leningsovereenkomst gesloten. In totaal heeft [erflater] een bedrag van € 550.040,-- naar de Bankrekening overgemaakt.

2.11.

Op of omstreeks 6 februari 2020 heeft [erflater] zich gerealiseerd dat hij werd opgelicht, en heeft hij het recherchebureau RBZ ingeschakeld.

2.12.

Op 9 februari 2020 heeft het transactiemonitoringssysteem van ABN AMRO twee meldingen gegenereerd. Deze meldingen hadden betrekking op overboekingen vanaf de Bankrekening naar bankrekeningen in Nigeria en Zuid-Afrika.

2.13.

Op 28 februari 2020 heeft een analist van ABN AMRO de twee meldingen in onderzoek genomen en de transacties op de Bankrekening van de voorgaande 18 maanden onderzocht.

2.14.

Op 6 maart 2020 heeft ABN AMRO een melding van een Belgische bank van mogelijke fraude op de Bankrekening ontvangen, inclusief een aangifte van een gedupeerde klant van deze bank (hierna: de Fraudemelding). Volgens de Belgische bank zou het gaan om datingfraude. De gedupeerde klant had bedragen overgeboekt ten gunste van de Bankrekening.

2.15.

Vervolgens is de Fraud & Investigation-afdeling van ABN AMRO een onderzoek naar de Bankrekening gestart. Uit het onderzoek is gebleken dat de bedragen die [erflater] in de periode van 15 januari 2020 tot en met 31 januari 2020 naar de Bankrekening heeft overgemaakt (in totaal € 305.040,--), direct na bijschrijving op de rekening door [naam 2] zijn overgeboekt naar een bankrekening in Nigeria.

2.16.

Naar aanleiding van het onderzoek heeft ABN AMRO op 30 maart 2022 de Bankrekening beëindigd.

2.17.

Op 22 mei 2020 heeft RBZ gerapporteerd over een tweetal documenten die [erflater] van [naam 1] had ontvangen, te weten een document van Home affairs Zuid Afrika en van US Customs and Border Protection. RBZ heeft geconcludeerd dat beide documenten - met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - vals zijn.

2.18.

Bij kort gedingvonnis van 19 augustus 2021 is [naam 2] op verzoek van [erflater] veroordeeld om aan [erflater] bankafschriften van de Bankrekening te verstrekken. Aan deze veroordeling heeft [naam 2] voldaan. [erflater] heeft van [naam 2] bankafschriften over de periode vanaf 1 januari 2020 tot en met 28 maart 2020 ontvangen.

2.19.

Uit deze bankafschriften blijkt dat in de periode van medio januari 2020 tot en met 28 februari 2020 door een persoon genaamd [naam 3] een bedrag aan [naam 2] is overgemaakt ter hoogte van € 162.600,--, en dat daarnaast door nog vijf andere personen in totaal een bedrag van € 40.936,66 aan [naam 2] is overgemaakt.

2.20.

Daarnaast blijkt uit de bankafschriften dat sprake is van regelmatige overboekingen naar buitenlandse rekeningen in buitenlandse valuta. Op 2 januari 2020 is tweemaal een bedrag van € 7.500,-- overgeboekt onder vermelding van ‘Adewole Olaoluwe Sunday’, gevolgd door vier overboekingen in de periode tot en met 16 januari 2020, waaronder een bedrag van € 12.100,-- en nog vier overboekingen op 21 januari 2020, waaronder een bedrag van € 20.000,--.

2.21.

Uit de bankafschriften blijkt verder dat in die periode een uitkering van het UWV van € 417,47 per maand op de rekening van [naam 2] is gestort. Op 1 februari 2021 heeft een gerechtsdeurwaarder aan [erflater] bericht dat [naam 2] geen geregistreerd inkomen en geen voertuigen of onroerende zaken op naam heeft.

2.22.

Het Openbaar Ministerie heeft strafrechtelijk onderzoek verricht naar ABN AMRO. Dit onderzoek onder de naam Guardian werd gestart in 2019 en zag op vermoedelijke overtredingen door ABN AMRO van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en een met die overtredingen samenhangend vermoeden van schuldwitwassen. Het OM heeft geconcludeerd dat ABN AMRO in de periode 2014 tot en met 2020 onvoldoende controle op de klantrelatie en transactie heeft uitgevoerd door onder meer tekortkomingen in het transactiemonitoringsysteem en het niet of niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties.

3 Het geschil

3.1.

De erfgenamen vorderen samengevat – dat de rechtbank bij (uitvoerbaar bij voorraad te verklaren) vonnis:

I. verklaart voor recht dat ABN AMRO toerekenbaar tekort is geschoten, alsmede onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld, en ABN AMRO in dat kader veroordeelt tot een schadevergoeding van € 550.040,--, vermeerderd met de wettelijke rente,

II. ABN AMRO veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

De erfgenamen leggen aan hun vordering ten grondslag dat ABN AMRO jegens [erflater] tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd te handelen met haar bijzondere zorgplicht, de wet (Wwft) en met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is als bedoeld in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Concreet heeft dit handelen volgens de erfgenamen bestaan uit het volgende.

3.2.1.

ABN AMRO is blijkens het Guardian-onderzoek in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 - in welke periode de betalingen van [erflater] naar de Bankrekening hebben plaatsgevonden - tekortgeschoten in de naleving van de Wwft, namelijk in de risicoanalyse van de eigen klanten. Deze analyse dient voortdurend plaats te vinden aan de hand van het te verwachten bancaire gedrag van de rekeninghouder, gezien zijn uitgavenpatroon. De systemen van ABN AMRO waren hiervoor ontoereikend. Daarom is reeds sprake van een schending van de bijzondere zorgplicht jegens derden door ABN AMRO.

3.2.2.

Meer in het bijzonder blijkt uit de bankafschriften van de Bankrekening van [naam 2] dat: I) in een tijdsbestek van zes weken een bedrag van meer dan € 750.000,-- op de Bankrekening is gestort, waaronder een totaalbedrag van € 550.040,-- door [erflater] ; II) het bedrag vervolgens gefaseerd is doorgestort naar buitenlandse banken en personen met Afrikaans klinkende namen, III) [naam 2] weinig tot geen inkomsten op zijn bankrekening verkreeg en derhalve minimale bancaire transacties had. Gezien haar bijzondere zorgplicht had ABN AMRO de eerste betalingen en doorstortingen op 1 en 2 januari 2020 al direct moeten signaleren, temeer omdat de personen die de bedragen aan [naam 2] overmaakten niet eerder bedragen aan hem hadden overgemaakt, en omdat meteen vanaf het begin bedragen werden doorgestort aan personen met Afrikaans klinkende namen. De bank had op 1 en 2 januari 2020 - op korte of zeer korte termijn - moeten handelen of verklaringen voor de transacties moeten verlangen, temeer omdat binnen enkele dagen de bedragen meteen opliepen tot tienduizenden euro’s. Door dit niet te doen heeft ABN AMRO onvoldoende voortvarend opgetreden. Subsidiair had ABN AMRO moeten handelen of verklaringen voor de transacties moeten verlangen op 16 januari 2020, toen inmiddels nog vier gelijksoortige overboekingen naar buitenlandse rekeningen hadden plaatsgevonden, waaronder een bedrag van € 12.100,-- althans op 21 januari 2020, nadat op één dag nog vier gelijksoortige overboekingen hadden plaatsgevonden, waaronder een bedrag van € 20.000,--.

3.3.

ABN AMRO voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 4 lid 1 in samenhang met artikel 63 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening rechtsmacht om van de vorderingen van de erfgenamen kennis te nemen, omdat ABN AMRO in Nederland is gevestigd.

Niet-ontvankelijkheid?

4.2.

Mr. Meuwissen heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld, en vervolgens bij akte voortzetting procedure na overlijden bevestigd, dat [erflater] op 15 januari 2022 is overleden, en dat zijn erfgenamen deze procedure wensen voort te zetten op zijn naam. Volgens de erfgenamen zijn zij daartoe bevoegd op grond van het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO1815).

4.3.

ABN AMRO heeft bij antwoordakte - samengevat - betoogd dat [erflater] niet bevoegd was om onderhavige vorderingen tegen ABN AMRO in te stellen, omdat hij is overleden op 15 januari 2022, en dus voor de aanvang van deze procedure die aanhangig is gemaakt met de dagvaarding op 19 januari 2022 aan ABN AMRO. Op die datum waren de erfgenamen (en niet [erflater] ) bevoegd om de vorderingen in te stellen als gevolg van het overlijden van [erflater] . De in de artikelen 225 e.v. Rv neergelegde regeling is volgens ABN AMRO slechts toepasselijk indien [erflater] na de aanvang van deze procedure zou zijn overleden, hetgeen niet het geval is. De beoogde voortzetting van deze procedure door de erfgenamen kan daarmee op geen enkele regel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden gebaseerd, zodat [erflater] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aldus steeds ABN AMRO.

4.4.

Het beroep van ABN AMRO op de niet-ontvankelijkheid van [erflater] slaagt niet. Op de mondelinge behandeling is namens ABN AMRO verklaard dat ABN AMRO zich niet tegen voortzetting van de procedure door de erfgenamen zal verzetten en is ermee ingestemd dat de erfgenamen in de gelegenheid zullen worden gesteld om te bevestigen dat zij de procedure wensen voort te zetten. Niet valt in te zien dat ABN AMRO in haar processuele belangen is geschaad nu is gebleken dat [erflater] niet tijdens het geding, maar kort voor de aanvang van het geding is overleden. Daarbij weegt mee dat de periode tussen het overlijden van [erflater] en de betekening van de dagvaarding zeer kort is geweest.

Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 volgt dat erfgenamen zonder meer, en dus zonder daartoe enige (nadere) handeling te verrichten, bevoegd zijn om na het overlijden van een erflater die partij is in een procedure, die procedure in dezelfde instantie voort te zetten op naam van de erflater maar dat zij ook mogen verschijnen als de gezamenlijke erfgenamen van de erflater zonder bekendmaking van hun namen en woonplaatsen. In de akte van de erfgenamen is vermeld dat zij deze procedure wensen voort te zetten op naam van [erflater] en dat zij mr. Van Tilborg hebben verzocht om de belangenbehartiging voort te zetten. Daarmee is voldoende duidelijk wie als procespartij is verschenen en bestaat voor niet-ontvankelijkheid geen grond.

Schending (bijzondere) zorgplicht?

4.5.

De erfgenamen verwijten ABN AMRO in de kern dat zij de op haar rustende (bijzondere) zorgplicht jegens [erflater] als derde heeft geschonden door na te laten voortvarend op te treden naar aanleiding van de ongebruikelijke transacties op de Bankrekening van [naam 2] , waardoor [naam 1] haar frauduleuze praktijken heeft kunnen voortzetten en verdere schade is veroorzaakt. Volgens de erfgenamen had ABN AMRO op 2 januari 2021 of 16 januari of 21 januari 2021 de Bankrekening moeten blokkeren dan wel een onderzoek naar de Bankrekening moeten instellen. Volgens de erfgenamen heeft ABN AMRO de ongebruikelijke transacties niet opgemerkt doordat zij onvoldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen, zoals volgt uit het Guardian-onderzoek. ABN AMRO heeft het voorgaande betwist.

Toetsingskader

4.6.

De maatschappelijke functie van een bank brengt een bijzondere zorgplicht met zich tegenover derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van de zorgplicht van de bank jegens derden hangt af van alle omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook de van toepassing zijnde publiekrechtelijke regels in de Wft en de daarop gegronde nadere regelgeving (vgl. Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, Safe Haven en HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, ABN AMRO/ Van den Berg).

4.7.

In deze zaak was ABN AMRO de betaaldienstverlener van [naam 2] , en niet van [erflater] , zodat [erflater] ten opzichte van ABN AMRO is te kwalificeren als een derde. De zorgplicht van ABN AMRO jegens [erflater] strekt tot bescherming tegen de schade zoals [erflater] die heeft geleden, namelijk schade als gevolg van fraude. Dat ABN AMRO zich dit soort belangen behoort aan te trekken strookt met de omstandigheid dat banken een wettelijke taak hebben bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit (vgl. het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1611, Foot Locker). Verder bestaat de bijzondere zorgplicht jegens derden onafhankelijk van de mate van onoplettendheid, onvoorzichtigheid en roekeloosheid die een derde valt te verwijten. Deze aspecten kunnen wel worden meegewogen in de mate van eigen schuld die de derde te verwijten valt.

4.8.

Uit de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad over de (bijzondere) zorgplicht jegens derden volgt dat de bank in dat soort gevallen niet zonder meer aansprakelijk is, maar pas wanneer zij over zodanige kennis beschikt of voor haar anderszins aanleiding bestaat dat zij in het belang van betrokken derden tot actie overgaat. Van de bank kan, buiten de gevallen van wetenschap of serieuze aanwijzingen voor onregelmatigheden, in principe niet worden verlangd dat zij (nader) onderzoek doet naar mogelijke fraude. Het moet gaan om “subjectieve wetenschap” bij de bank van ongebruikelijke activiteiten en van het daaraan verbonden gevaar.

4.9.

In deze zaak moet de vraag worden beantwoord of het ongebruikelijke verloop van de transacties op de Bankrekening ABN AMRO eerder aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek naar deze transacties gelet op de belangen van [erflater] die bij de transacties betrokken was.

4.10.

De erfgenamen hebben gesteld dat ABN AMRO op 1 of 2 januari 2020, 16 januari 2020 of 21 januari 2020 subjectieve wetenschap in de hiervoor bedoelde zin had van ongebruikelijke transacties op de Bankrekening van [naam 2] . Hiertoe voeren zij aan dat op of voorafgaand aan die data overboekingen van grote bedragen hebben plaatsgevonden naar buitenlandse (Afrikaanse) rekeningen. Als dergelijke overboekingen op 6 of 7 februari 2020 tot de twee door het transactiemonitoringssysteem van ABN AMRO gegenereerde meldingen hebben geleid, moet worden aangenomen dat dit ook is gebeurd bij de eerdere overboekingen.

ABN AMRO heeft betwist dat zij eerder dan 9 februari 2020 meldingen heeft ontvangen dan wel wetenschap had van ongebruikelijke activiteiten op de Bankrekening en het daaraan verbonden gevaar voor [erflater] .

4.11.

Van ABN AMRO - als partij die de Bankrekening heeft beheerd en betalingen heeft uitgevoerd en dus ook beschikt over relevante gegevens - mag in dit geval verwacht worden dat zij voldoende onderbouwd toelicht en daarmee aannemelijk maakt dat zij voor 9 februari 2020 geen meldingen heeft ontvangen. Dit past bij de (bijzondere) zorgplicht die de bank jegens derden heeft (zie 4.5).

4.12.

ABN AMRO heeft toegelicht dat haar transactiemonitoringssysteem een volledig geautomatiseerd systeem is dat bepaalde afzonderlijke periodes monitort, en daarbij (het geheel van) de transacties in die periode in ogenschouw neemt en aan de hand van een aantal risicofactoren aan de transacties een bepaalde risicowaarde toekent. Als die risicowaarde de drempelwaarde overschrijdt, genereert het transactiemonitoringssysteem een melding.

4.13.

Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat het transactiemonitoringssysteem niet, althans niet noodzakelijkerwijs iedere transactie die afwijkend is of waarmee een risicofactor is gemoeid signaleert, maar deze pas als ongebruikelijk aanmerkt als deze transactie of reeks aan transacties een bepaalde risicoclassificatie oplevert. Die risicoclassificatie betreft kennelijk de optelsom van afzonderlijke risicowaarden die worden toegekend aan bepaalde kenmerken (risicofactoren) van de transactie(s), afhankelijk van de mate waarin daarvan sprake is. Dergelijke kenmerken zijn kennelijk het (risico)land waar de transactie aan is gericht of van afkomstig is, het aantal transacties met bepaalde kenmerken, het daarmee gemoeide (totaal)bedrag, en een eventueel patroon dat op basis daarvan zichtbaar wordt. Die afzonderlijke risicowaarden worden bij elkaar opgeteld en pas als die optelsom boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt, volgt een melding.

4.14.

In dit perspectief kan, anders dan de erfgenamen hebben betoogd, niet worden aangenomen dat het transactiemonitoringsysteem op de door de erfgenamen genoemde data al een melding moet hebben gegenereerd. Vooropgesteld wordt dat de erfgenamen ten onrechte ervan uitgaan dat de twee door het transactiemonitoringsysteem van ABN AMRO gegenereerde meldingen op 9 februari 2020 specifiek betrekking hadden op de overboekingen van 6 en 7 februari 2020. Dit blijkt echter niet uit het dossier en de hiervoor weergegeven toelichting van ABN AMRO.

Uit het onderzoek van ABN AMRO is gebleken dat de overboekingen vanaf de Bankrekening naar rekeningen in Nigeria (en Zuid-Afrika) waar de erfgenamen op doelen, telkens direct werden verricht nadat door [erflater] (en anderen) gestorte bedragen op de Bankrekening waren bijgeschreven. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat het in de periode gelegen voor 21 januari 2020 ging om een relatief beperkt aantal overboekingen naar rekeningen in Nigeria. Bovendien ging het om bedragen tussen € 1.200,-- en
€ 20.000,--. Hoewel dit voor een gemiddelde natuurlijke persoon hoge bedragen kunnen zijn, zijn deze bedragen binnen het totale girale verkeer als geheel niet uitzonderlijk van omvang, en het met de overboekingen gemoeide totaalbedrag evenmin. Dit was anders bij de latere overboekingen van de Bankrekening vanaf 21 januari 2020. Toen was het aantal en de (totale) hoogte van de overboekingen, als gevolg van de toename van de grootte en het aantal van de overboekingen door met name [erflater] naar de Bankrekening, van een geheel andere orde, waardoor verklaarbaar is dat het systeem op 9 februari 2020 wel een melding afgaf. Hiermee is in lijn dat, zoals ABN AMRO heeft toegelicht, op 12 januari 2020 het transactiemonitoringsysteem van ABN AMRO weliswaar een melding ten aanzien van een transactie op de Bankrekening heeft gegenereerd, maar dat het systeem die vervolgens ook zelf weer automatisch heeft gesloten als gevolg van het feit dat de transactie onder bepaalde drempelwaarden bleef. Daarbij komt dat de erfgenamen niet hebben betwist dat de tenaamstelling van de overboekingen aan [naam 2] , en het daarbij vermelde rekeningnummer telkens juist waren, en daarom geen aanleiding gaven voor het vermoeden van onregelmatigheden. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat het transactiemonitoringsysteem al eerder dan 9 februari 2020 meldingen moet hebben gegenereerd, zodat het op deze stelling van de erfgenamen gebaseerde verwijt faalt.

4.15.

Daarnaast verwijten de erfgenamen ABN AMRO dat ABN AMRO van de ongebruikelijke transacties had “behoren te weten”. Uit het vooropgestelde kader (zie 4.7) blijkt echter dat “behoren te weten” niet voldoende is voor het in het leven roepen van enige uit de zorgplicht voortvloeiende verplichting voor ABN AMRO, zoals een blokkerings- of onderzoeksplicht. De stellingen van de erfgenamen die hierop zijn gebaseerd kunnen hen dan ook niet baten. Dit geldt temeer omdat ABN AMRO verplicht is gevolg te geven aan een ten gunste van haar rekeninghouder gegeven betaalopdracht en op grond van artikel 7:542 BW in beginsel niet is gehouden om de (automatische) overboekingen te controleren. Bovendien bestaat er geen algemene verplichting voor ABN AMRO om alle betaalrekeningen die bij haar worden aangehouden doorlopend te controleren om ervoor te waken dat derden niet gedupeerd worden door het gebruik van deze rekeningen. Uit hetgeen hiervoor onder 4.13 is overwogen volgt dat ABN AMRO voor 9 februari 2020 onvoldoende aanleiding had om maatregelen te nemen, zoals het doen van onderzoek, het blokkeren van transacties via de Bankrekening en het waarschuwen van [erflater] voor het verrichten van verdere transacties naar de Bankrekening.

Voor zover op dit verwijt gebaseerd, moet de vordering van de erfgenamen daarom eveneens worden afgewezen.

4.16.

Als veronderstellenderwijs met de erfgenamen wordt aangenomen dat ABN AMRO geen adequate invulling heeft gegeven aan transactiemonitoring gelet op de bevindingen uit het Guardian-onderzoek, kan dat niet tot toewijzing van de vordering leiden. Daartoe is het volgende redengevend.

4.17.

Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te bepalen wat een dergelijk scherper afgesteld transactiemonitoringssysteem concreet zou hebben ingehouden, en of dat tot een eerdere melding van een ongebruikelijke transactie zou hebben geleid. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat op een eerder moment een melding zou zijn gegenereerd, zou de bank in dat geval, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake was van evident ongebruikelijke transacties die onmiddellijk maatregelen rechtvaardigden, altijd eerst nog een onderzoek naar de desbetreffende transacties en de achtergrond daarvan hebben moeten doen om te kunnen bepalen of deze daadwerkelijk als ongebruikelijk moeten worden aangemerkt.

4.18.

Een dergelijk onderzoek, dat uit verschillende handelingen bestaat, waaronder navraag bij de rekeninghouder, vergt tijd. Nu de transacties in deze zaak in een kort tijdsbestek van enkele weken hebben plaatsgevonden, valt niet in te zien dat een dergelijk onderzoek zou zijn afgerond vóór 6 februari 2020, de datum waarop de laatste overboeking van [erflater] heeft plaatsgevonden en naar moet worden aangenomen, is doorgeboekt. Daarmee ontbreekt het vereiste oorzakelijke verband tussen enige mogelijke zorgplichtschending van ABN AMRO en de schade van de erfgenamen. Ook op deze grond moet de vordering van de erfgenamen worden afgewezen.

Eigen schuld?

4.19.

Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat ABN AMRO wel haar (bijzondere) zorgplicht jegens [erflater] zou hebben geschonden, geldt dat het verweer van ABN AMRO dat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW slaagt. Hiertoe is het volgende redengevend.

4.20.

ABN AMRO heeft terecht aangevoerd dat [erflater] alle overboekingen zelf heeft verricht, terwijl hij dat deed onder zodanige omstandigheden die hem, als gepensioneerd ondernemer, tenminste aanleiding hadden moeten geven om al bij de eerste transacties onderzoek te doen naar het daadwerkelijke bestaan van de zakelijke transactie waarover [naam 1] berichtte, de betrokkenheid van [naam 2] bij de transactie en de identiteit van [naam 1] en [naam 2] . Het gaat dan om de omstandigheden dat 1) [erflater] en [naam 1] elkaar alleen van een datingsite kenden, maar elkaar nog nooit fysiek hadden ontmoet en 2) [naam 1] [erflater] in het kader van een zakelijke transactie die plaatsvond in Canada vroeg een bedrag voor te schieten ten behoeve van een bedrijf, maar hem vervolgens instrueerde om het geld naar een bankrekening ten name van een particulier in Nederland over te boeken. Deze onlogische gang van zaken had vragen bij [erflater] moeten oproepen. Nog nadrukkelijker lag het op zijn weg om onderzoek te doen bij de volgende transacties, omdat toen nog steeds geen ontmoeting tussen [erflater] en [naam 1] had plaatsgevonden, maar [naam 1] hem wel steeds grotere bedragen vroeg over te maken die in geen enkele verhouding meer stonden tot het eerste verzochte bedrag, en zij daarvoor telkens een andere reden gaf. Uit de hiervoor in 2.6, 2.8 en 2.9 geciteerde e-mailberichten van 18, 26 en 28 januari 2020 volgt dat [erflater] zich bewust was van de grote risico’s die hij liep en bedenkingen had over de transacties. Hij heeft immers geschreven dat hij [naam 1] nog nooit had ontmoet, en dat hij geen bewijs had dat hij zijn investering terug zou krijgen. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden om nadien nog bedragen van € 125.000,--, € 41.000,-- , € 170.000,-- en
€ 75.000,-- naar de Bankrekening over te maken.

4.21.

Onder die omstandigheden had [erflater] aan de verzoeken van [naam 1] geen verdere medewerking moeten geven zonder eerst zekerheid te verkrijgen over het bestaan van de zakelijke transactie en de legitieme betrokkenheid daarbij van [naam 2] .

4.22.

Het betoog dat de erfgenamen hier tegenover hebben gesteld, doet daaraan niet af. Dit betoog luidt dat [erflater] onderzoek heeft gedaan naar de identiteit en hoedanigheid van [naam 1] om zich ervan te verzekeren dat het om een rechtmatige zakelijke investering ging. Zo is er volgens de erfgenamen veel e-mailcorrespondentie tussen [erflater] en [naam 1] geweest, is er veel telefonisch overleg tussen beiden geweest, heeft [erflater] een onvervalste kopie van het paspoort van [naam 1] ontvangen, heeft [erflater] [naam 1] verzocht uit te leggen wie [naam 2] is en wat zijn rol in deze is, waarop [naam 1] een plausibele verklaring heeft gegeven, heeft [erflater] iedere keer dat hij twijfels had aanvullende vragen aan [naam 1] gesteld en had zij daarop steeds weer een overtuigend antwoord, en heeft [naam 1] bovendien bewijsstukken aan [erflater] verzonden naar aanleiding van door hem gestelde vragen, waaronder een document van de US Customs and Border Protection, en een document van Home Affairs Zuid Afrika, aldus steeds de erfgenamen.

4.23.

Niet valt in te zien dat [erflater] op basis van het door hem verrichte onderzoek redelijkerwijs het bestaan van de zakelijke transactie mocht aannemen, laat staan dat hij uit mocht gaan van de legitieme betrokkenheid daarbij van [naam 2] . Uit de tussen [erflater] en [naam 1] weergegeven e-mailcorrespondentie blijkt dat hij geen enkele vraag heeft gesteld over de inhoud van de transactie, de betrokkenheid van [naam 2] daarbij en zijn identiteit. Toch heeft [erflater] de betalingen aan [naam 2] verricht. Daarmee heeft [erflater] zeer onvoorzichtig gehandeld. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de billijkheid vereist dat de schade op grond van eigen schuld aan de zijde van [erflater] ten volle (en dus voor 100%) voor rekening dient te blijven van de erfgenamen. Ook daarop stuit toewijzing van de vordering van de erfgenamen af.

Proceskosten

4.24.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen. De erfgenamen worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:

- griffierecht € 5.737,--

- salaris advocaat € 6.428,-- (2 punten, tarief VII)

Totaal € 12.165,--

4.25.

Ook de nakosten zijn toewijsbaar op de hierna vermelde wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 12.165,--,

5.3.

veroordeelt de erfgenamen in de na dit vonnis aan de zijde van ABN AMRO ontstane nakosten, begroot op € 163,- -aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de erfgenamen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan, met een bedrag van € 85,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2022.

De griffier is verhinderd om

dit vonnis te ondertekenen