Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4333

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
08-08-2022
Zaaknummer
C/09/623947
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Merkinbreuk door verkoop van namaak producten. Stakingsbevel, afgifte voorraad, opgave van informatie, en dwangsommen worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/623947 / HA ZA 22-75

Vonnis van 20 juli 2022

in de zaak van

de rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap naar vreemd recht

PUMA SE,

te Herzogenaurach, Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. C.S. Mastenbroek te Ouderkerk aan de Amstel,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

te [woonplaats] , gemeente Venlo,

gedaagden,

advocaat mr. L.N.J.B. van Osch te Tilburg.

Partijen zullen hierna Puma en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (tezamen: [gedaagden] ) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 december 2021, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 4 mei 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van de zijde van Puma.

In deze zaak heeft op 21 juni 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen bevinden zich in het dossier. Puma heeft ter zitting haar eis verminderd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Puma is een onderneming die zich bezighoudt met het ontwerpen, ontwikkelen en verkopen van (sport)schoenen, (sport)kleding en accessoires. De producten van Puma worden wereldwijd verhandeld.

2.2.

Puma is houdster van verschillende merkregistraties (hierna: de Puma merken), waaronder:

2.3.

De Puma merken zijn (algemeen) bekende merken in de zin van de Uniemerkenverordening1, het Benelux-verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE) en artikel 6bis van het Unieverdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom.

2.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn echtgenoten. In 2015 is [gedaagde 1] vanuit Syrië naar Nederland gevlucht. In 2017 is [gedaagde 2] in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. [gedaagden] is afhankelijk van een bijstandsuitkering.

2.5.

Puma heeft geconstateerd dat via Facebook Marketplace door de accounts ‘ [accountnaam 3] ’, ‘ [accountnaam 1] ’, ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’ kleding van populaire merken werd aangeboden.

2.6.

In september 2021 heeft Puma via de Facebookpagina ‘ [accountnaam 1] ’ een proefaankoop verricht voor een paar Puma schoenen. De koper heeft een bedrag van € 37,- (inclusief verzendkosten) overgemaakt naar het door ‘ [accountnaam 1] ’ via Facebook opgegeven bankrekeningnummer; een en/of-rekening op naam van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hierna: de en/of rekening). De omschrijving van het betaalverzoek is ‘Drankjes’.

2.7.

In september 2021 heeft Puma via de Facebookpagina ‘ [accountnaam 2] ’ een aankoop verricht voor een Puma trainingspak. De koper heeft een bedrag van € 32,- (inclusief verzendkosten) overgemaakt naar het door ‘ [accountnaam 2] ’ via Facebook opgegeven bankrekeningnummer, de en/of-rekening. De omschrijving van het betaalverzoek is ‘Lunch’.

2.8.

In oktober 2021 is via de Facebookpagina ‘ [gedaagde 1] ’ een aankoop verricht voor een paar Puma schoenen. De koper heeft een bedrag van € 37,- (inclusief verzendkosten) overgemaakt naar het door ‘ [gedaagde 1] ’ opgegeven bankrekeningnummer, de en/of-rekening. De omschrijving van het betaalverzoek is ‘Pizza’.

2.9.

De aankopen zijn vlak na betaling in september en november 2021 geleverd. Het gaat om de onderstaande producten:

2.10.

Onderzoek door Puma aan de producten heeft uitgewezen dat de kledingstukken niet door of met toestemming van Puma zijn geproduceerd en/of aangeboden en dat het om namaakproducten gaat. De prijs van de door [gedaagden] verkochte producten ligt lager dan de prijs voor originele Puma producten.

2.11.

De pagina’s ‘ [accountnaam 3] ’, ‘ [accountnaam 1] ’, ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’ worden beheerd door [gedaagde 1] .

2.12.

Bij sommatiebrief van 13 december 2021 heeft (de gemachtigde van) Puma onder meer het volgende aan [gedaagden] geschreven:

“Zoals u wellicht hebt gemerkt, is er beslag gelegd op uw bankrekening. (…)

Gelet op het voorgaande heeft Puma mij verzocht te bewerkstelligen dat deze zaak zo snel mogelijk in der minne wordt opgelost en dat Puma zekerheid krijgt dat u in de toekomst geen inbreuk meer maakt op de Puma-merken. Namens Puma verzoek en, voor zover nodig, sommeer ik u dan ook om schriftelijk te bevestigen – door ondertekening van deze brief en een kopie daarvan terug te sturen (…) – dat u: (…)”

2.13.

Bij e-mail van 20 december 2021 hebben [gedaagden] onder meer het volgende aan de gemachtigde van Puma meegedeeld:

“De PUMA producten heeft mijn echtgenote gekocht, ook volledig te goeder trouw, in een winkel in Turkije, toen ze daar op vakantie was in november 2020. Bij aankomst in Nederland bleken de producten tegen te vallen. We hadden ze bewaard al die tijd. Nu wilden wij de producten wegdoen en hebben ze daarom te koop op het internet aangeboden. Ik ben mij van geen enkel kwaad bewust over de producten. Ik vind het heel vervelend om er achter te komen dat de producten nep blijken te zijn en heb er spijt van dat ik dergelijke producten doorverkocht heb.

U vraagt mij een bedrag van 7500 euro te betalen. Het is voor mij onmogelijk om dit bedrag te betalen. Wij krijgen een bijstandsuitkering vanuit de participatiewet, omdat wij geen baan hebben. (…)

Uiteraard ben ik bereid het ontvangen bedrag voor de producten terug te betalen.

Ik verzoek u mijn fout te vergeven, coulant te zijn en primair het bedrag van €7500 en alle overige kosten kwijt te schelden.

Subsidiair verzoek ik u het bedrag van € 7500 te verlagen naar € 1000. Gezien mijn financiële situatie, zie bijgevoegde documenten, kan ik die €1000 enkel in termijnen van 50 euro per maand betalen.”

2.14.

[gedaagden] hebben bij deze e-mail een afschrift van hun en/of rekening van 18 november 2021 tot en met 19 december 2021 gevoegd. In dit afschrift is te zien dat er meerdere keren bedragen – van vergelijkbare hoogte als de proefaankopen die Puma heeft gedaan – via een betaalverzoek zijn overgemaakt naar de rekening van [gedaagden] De omschrijving van die overboekingen zijn onder meer ‘boodschappen’, ‘cadeau’ en ‘etentje’.

3 Het geschil

3.1.

Puma vordert – samengevat en na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] veroordeelt om iedere inbreuk op de merkrechten van Puma in de gehele Europese Unie te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van de inbreukmakende kledingstukken, zoals in de dagvaarding omschreven en afgebeeld, en van andere kledingstukken met daarop een aan de merken van Puma overeenstemmende indruk

II. [gedaagden] gebiedt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de volledige voorraad van de inbreukmakende kledingstukken, zich bevindend onder [gedaagden] , dan wel onder één of meer derden ten behoeve van [gedaagden] , op een nader door Puma aan te geven locatie om niet aan Puma over te dragen ter vernietiging op kosten van [gedaagden] ;

III. [gedaagden] veroordeelt om op eigen kosten binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de advocaten van Puma, een schriftelijke opgave te doen, gerangschikt per type/soort/kleur product en per leverancier, producent of distribiteur en commerciële afnemer, welke opgave ter staving vergezeld dient te zijn van goed leesbare en niet-geanonimiseerde kopieën van alle relevante brondocumenten (waaronder in ieder geval maar niet beperkt tot facturen, paklijsten, vrachtbrieven, orders, orderbevestigingen, voorraadadministraties op alle relevante data, douanestukken, e-mails en overige correspondentie), van:

a. de leverancier(s), maker(s), producent(en), distributeur(s), verkoper(s), vervoerder(s) en afnemer(s) (niet zijnde consumenten), van de inbreukmakende kledingstukken die zijn vervaardigd, aangeboden, in de handel gebracht, ingevoerd, uitgevoerd, gebruikt en/of voor deze doeleinden in voorraad zijn of zijn gehouden;

b. de aan [gedaagden] geleverde totale aantallen van de inbreukmakende kledingstukken, onder vermelding van de inkoopprijzen en leverdata;

c. het aantal van de inbreukmakende kledingstukken die [gedaagde 1] aan commerciële afnemers en/of aan consumenten heeft verkocht en/of geleverd, onder vermelding van de verkoopprijzen en verkoop-/leverdata;

d. de door [gedaagden] met de verkoop van de inbreukmakende kledingstukken behaalde totale bruto-omzet en de behaalde brutowinst;

IV. Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling aan Puma van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dan wel ter keuze van Puma € 500,- voor iedere handeling of nalaten, waarmee deze gedaagde geheel of gedeeltelijk in strijd heeft gehandeld met een van de aan haar onder I tot en met III gegeven verboden en bevelen, met een maximum van € 10.000,-;

V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Puma binnen 7 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis van de volledige door Puma gemaakte proceskosten ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Puma legt aan deze vorderingen ten grondslag dat zij houdster is van de (bekende) Puma merken. [gedaagden] hebben via verschillende accounts op de website www.facebook.com kleding en schoenen van onder andere Puma aangeboden. Puma heeft twee paar schoenen en een trainingspak gekocht en onderzocht. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de kleding en schoenen niet door Puma zijn geproduceerd of aangeboden en dat het namaakproducten betreft (hierna: de inbreukmakende kledingstukken). [gedaagden] hebben door aldus te handelen inbreuk gemaakt op de merkrechten van Puma.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Puma in de proceskosten. Daartoe stellen zij dat zij zich al eerder bereid hebben verklaard om de inbreuk op de merkrechten te staken en gestaakt te houden en de bescheiden brutowinst af te dragen. [gedaagden] beschikken niet over een voorraad en zijn niet in staat om een opgave te doen zoals gevorderd. Zij hebben immers een beperkt aantal kledingstukken uit Turkije meegenomen zonder factuurpaklijst of vrachtbrief.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

bevoegdheid

4.1.

Nu Puma in het buitenland gevestigd is en de vordering daarom een internationaal karakter draagt, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De rechtbank is op grond van artikel 4.6 lid 1 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (hierna: BVIE) internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op de internationale merkregistraties met gelding in de Benelux, nu de gestelde inbreuken (via Facebook Marketplace) mede in dit arrondissement hebben plaatsgevonden en de gestelde dreiging van inbreuken ook ziet op dit arrondissement. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de Benelux.

Op grond van de artikelen 123, 124 en 125 van de Uniemerkenverordening in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsrecht is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen gebaseerd op de Uniemerken van Puma, nu [gedaagden] woonplaats hebben in Nederland. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de Europese Unie. [gedaagden] hebben de bevoegdheid van de rechtbank overigens ook niet bestreden.

merkinbreuk

4.2.

Deze zaak gaat over een inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van Puma door [gedaagden] hebben namelijk namaak Puma-producten aangeboden en verkocht. Ingevolge artikel 9 lid 2 sub a Uniemerkenverordening, en ook het bijna gelijkluidende artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE, is de merkhouder gerechtigd iedere derde die niet zijn toestemming daartoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economische verkeer voor waren en diensten te verbieden wanneer het teken gelijk is aan het merk en wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven.

[gedaagden] hebben erkend dat zij de kleding en schoenen naar Nederland hebben gebracht, hebben aangeboden en verkocht. Daarmee staat vast dat zij inbreuk hebben gemaakt op de Puma-merken in de zin van artikel 9 lid 2 sub a Uniemerkenverordening en 2.20 lid 2 sub a BVIE door de producten te importeren, aan te bieden op Facebook Marketplace, te verkopen, te leveren en daartoe in voorraad te houden. Dat geldt ook als – zoals [gedaagden] benadrukken en Puma betwist – het alleen zou gaan om de aankoop van een aantal producten in Turkije en het daaropvolgende te koop aanbieden, verkopen en leveren van deze producten aan Puma.

4.3.

[gedaagden] voeren aan dat Puma ten onrechte meent dat [gedaagden] er een levendige handel op nahielden. In werkelijkheid hebben zij slechts drie inbreukmakende trainingspakken en twee paar inbreukmakende schoenen verkocht, aldus [gedaagden] Deze producten heeft [gedaagde 2] in 2020 meegenomen uit Turkije en enige tijd later op Facebook Marketplace aangeboden. In september 2021 zijn [gedaagden] in contact gekomen met de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam] handelde in merkkleding en heeft aan [gedaagden] aangeboden om zijn reclamemateriaal aan [gedaagden] beschikbaar te stellen, zodat [gedaagden] daarmee konden adverteren. [gedaagden] hebben zelf geen voorraad van de producten gehad. Als er een bestelling bij [gedaagden] werd gedaan, bestelden [gedaagden] deze kleding bij [naam] .

Dat de omschrijving van de proefaankopen van Puma ‘lunch’, ‘pizza’ of ‘drankjes’ was, betekent volgens [gedaagden] niet dat zij ervan op de hoogte waren dat zij met inbreukmakende handelingen bezig waren. Deze omschrijving is door [gedaagden] gekozen omdat [gedaagden] in de veronderstelling waren dat een van deze woorden gekozen moest worden in de ING app.

Ten aanzien van het door [gedaagden] overgelegde afschrift en de overboekingen onder vermelding van ‘boodschappen’ hebben [gedaagden] ter zitting aangevoerd dat deze overboekingen zagen op andere spullen die door [gedaagde 2] zijn verkocht.

4.4.

Partijen hebben geprobeerd een regeling te treffen. Dat is niet gelukt. Ook ter zitting zijn partijen niet tot een vergelijk gekomen. [gedaagden] zijn volgens Puma niet eerlijk in wat zij aanvoeren. Puma wijst er in dit verband op dat [gedaagden] de producten op Facebook Marketplace in meerdere maten en kleuren aanboden, de proefaankopen op korte termijn geleverd werden en uit het bankafschrift van de en/of rekening lijkt te volgen dat [gedaagden] , in alleen al die maand, meer producten hebben verkocht.

4.5.

De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen hoeveel Puma namaakproducten [gedaagden] in totaal hebben verkocht, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat het alleen om de proefaankopen van Puma zou gaan, mede gelet op de overboekingen op de bankafschriften. Nu Puma haar vordering tot schadevergoeding heeft laten vallen, is het voor de beoordeling ook niet nodig om de exacte omvang van de handel vast te stellen. Wel heeft Puma bij deze stand van zaken recht en belang bij toewijzing van haar overige vorderingen, zoals hierna overwogen.

vorderingen

4.6.

Met Puma is de rechtbank van oordeel dat grond bestaat voor toewijzing van het onder I en II gevorderde stakingsbevel en afgifte van de voorraad, hoewel tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagden] is verklaard dat zij geen voorraad hebben en de aankopen die bij hen in Nederland worden gedaan vanuit Turkije naar Nederland komen. Dat dit de gang van zaken is, wordt overigens door Puma betwist. Ook is geen onthoudingsverklaring getekend. Puma heeft voldoende recht en belang bij een door de rechtbank op te leggen verbod. Het onder I gevorderde stakingsbevel wordt op de in 5.1 vermelde wijze toegewezen. De onder II gevorderde afgifte van de voorraad - voor zover er voorraad is - van [gedaagden] is ter versterking van het inbreukverbod eveneens toewijsbaar.

4.7.

Om de herkomst van de inbreukmakende kledingstukken en het aantal verkochte inbreukmakende kledingstukken te kunnen vaststellen, dienen [gedaagden] opgave te doen van de informatie, voor zover dit mogelijk is, zoals gevorderd onder III onderdelen a tot en met d. De rechtbank zal het gevorderde onder III in zoverre toewijzen.

4.8.

Ook de onder IV gevorderde dwangsom als stimulans ter nakoming van het onder I tot en met III gevorderde zal op de in 5.4 vermelde wijze worden toegewezen, waarbij tevens een maximum zal worden gesteld aan de te verbeuren dwangsommen.

proceskosten

4.9.

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Puma. Puma maakt op de voet van artikel 1019h Rv aanspraak op vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Blijkens de door Puma bij dagvaarding overgelegde specificatie werden de door haar gemaakte proceskosten tot dat moment begroot op een bedrag van € 6.510,93. Dit bedrag was als volgt gespecificeerd:
€ 5.074,50 fee; € 1.436,43 kosten (proefaankopen, bankbeslagen, betekenen dagvaarding). In een nadere kostenspecificatie heeft Puma haar totale kosten begroot op € 7.948,93. [gedaagden] hebben de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij het liquidatietarief.

4.10.

De onderhavige zaak is aan te merken als een procedure ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Naar het oordeel van de rechtbank is deze zaak aan te merken als een zeer eenvoudige zaak in de zin van de door de rechtbanken gehanteerde Indicatietarieven, waarvoor het liquidatietarief wordt toegepast. Voor het salaris advocaat wordt aangehaakt bij tarief II voor vorderingen van onbepaalde waarde.

Puma heeft niet afzonderlijk vergoeding van beslagkosten gevorderd. Ter zitting is door de advocaat van Puma gesteld dat die kosten ook onder de vordering ex artikel 1019h Rv vallen en dat de kosten voor het beslag ook in de specificatie zijn opgenomen. Puma heeft echter nagelaten om de beslagstukken te overleggen, waardoor de opgevoerde kosten niet te verifiëren zijn. Bovendien is in het geheel niet gesteld op welk beslag of op welke beslagen de gevorderde kosten betrekking hebben. Bij deze stand van zaken laat de rechtbank de gevorderde beslagkosten buiten de proceskostenveroordeling. De kosten voor de proefaankopen zullen wel worden toegewezen.

De kosten aan de zijde van Puma worden aan de hand van het bovenstaande begroot op:

- dagvaarding € 123,57

- griffierecht € 676,00

- proefaankopen € 106,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2 punten x tarief II € 563,00)

Totaal € 2.031,57

4.11.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld.

4.12.

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen met inachtneming van de in de beslissing bepaalde termijn.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de internationale merkregistraties in de Benelux alsmede iedere inbreuk op de Uniemerken in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden, waaronder mede begrepen ieder vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van de inbreukmakende kledingstukken en van andere kledingstukken voorzien van een merk dat gelijk is aan of overeenstemt met de Puma merken;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de eventuele voorraad van inbreukmakende kledingstukken, zich bevindend onder [gedaagden] , dan wel onder één of meer derden ten behoeve van [gedaagden] , op een nader door Puma aan te geven locatie aan Puma over te dragen ter vernietiging op kosten van [gedaagden] ;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] om op eigen kosten binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de advocaat van Puma, een schriftelijke opgave te doen, gerangschikt per type/soort/kleur product en per leverancier, producent of distribiteur en commerciële afnemer, welke opgave ter staving vergezeld dient te zijn van goed leesbare en niet-geanonimiseerde kopieën van alle relevante brondocumenten (waaronder in ieder geval maar niet beperkt tot facturen, paklijsten, vrachtbrieven, orders, orderbevestigingen, voorraadadministraties op alle relevante data, douanestukken, e-mails en overige correspondentie), van:

  1. de leverancier(s), maker(s), producent(en), distributeur(s), verkoper(s), vervoerder(s) en afnemer(s) (niet zijnde consumenten), van de inbreukmakende kledingstukken die zijn vervaardigd, aangeboden, in de handel gebracht, ingevoerd, uitgevoerd, gebruikt en/of voor deze doeleinden in voorraad zijn of zijn gehouden;

  2. de aan [gedaagden] geleverde totale aantallen van de inbreukmakende kledingstukken, onder vermelding van de inkoopprijzen en leverdata;

  3. het aantal van de inbreukmakende kledingstukken die [gedaagden] aan commerciële afnemers en/of aan consumenten hebben verkocht en/of geleverd, onder vermelding van de verkoopprijzen en verkoop-/leverdata;

  4. e door [gedaagden] met de verkoop van de inbreukmakende kledingstukken behaalde totale bruto-omzet en de behaalde brutowinst;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan Puma van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dan wel ter keuze van Puma € 100,- voor iedere handeling of nalaten, waarop/waarmee deze gedaagde geheel of gedeeltelijk in strijd heeft gehandeld met een van de aan hen onder 5.1 tot en met 5.3 gegeven verboden en bevelen, met een maximum van € 10.000,-;

5.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Puma vastgesteld op € 2.031,57, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze kosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;

5.6.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze kosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. K.E. Luijckx, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.Th. van Walderveen op 20 juli 2022.

1 Verordening (EU) nr. 2017/1001 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk