Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4216

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2022
Datum publicatie
28-07-2022
Zaaknummer
13/751938-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet af van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon voldoet niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751938-20 (EAB 2)

RK nummer: 21/4284

Datum uitspraak: 14 juli 2022

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 augustus 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 april 2019 door the District Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenneming.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een:

I. judgment of Regional Court Lublin-West in Lublin of 18th February 2016, file reference IV K 1135/14 (hierna: vonnis I);

II. judgment of Regional Court Lublin-West in Lublin of 21st April 2017, file reference IV K 206/17 (hierna: vonnis II).

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in vonnis I heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van:

I. een jaar (opgelegd bij vonnis I);

II. acht maanden (opgelegd bij vonnis II),

door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van de straf inzake vonnis I resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB met betrekking tot vonnis II strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering wat betreft vonnis II ex artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daartoe het volgende van belang.

Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 juni 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het politieverhoor op 27 januari 2017 zijn adres heeft opgegeven. Hij is er bij die gelegenheid op gewezen dat hij eventuele adreswijzigingen aan de autoriteiten moest doorgeven, zodat hij bereikbaar zou zijn voor oproepingen. Hij is bovendien geïnstrueerd dat, wanneer hij aan die verplichting niet zou voldoen, een oproeping op het laatst bekende adres zou gelden als een geldige oproeping en het proces zonder hem doorgang zou kunnen vinden. De opgeëiste persoon heeft getekend voor ontvangst van die instructie. Het EAB vermeldt dat de oproep voor de zitting is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, maar retour kwam met de mededeling ‘returned, not collected on time’.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en dat hij minst genomen onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren, omdat de overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon heeft uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 in vonnis I niet dubbel strafbaar is, zodat overlevering voor dat feit dient te worden geweigerd. Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist een vorm van dwang en daarover is het EAB, alsmede de aanvullende informatie, niet helder.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat feit 1 wel dubbel strafbaar is, omdat de feiten 1 en 2 in onderlinge samenhang moeten worden bezien. De pleegperiode en het slachtoffer zijn dezelfde, zodat de bedreiging van feit 2 kan worden aangemerkt als dwang als bedoeld in artikel 273f Sr ten aanzien van feit 1. Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd dat moet worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat het feit enkel aanknopingspunten met de Poolse rechtsorde heeft (het feit is in Polen gepleegd door een Pool en tegen een Poolse) en omdat de overlevering voor de overige feiten reeds toelaatbaar is.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon in vonnis I is veroordeeld voor (feit 1) het in de periode van 18 november 2013 tot 30 november 2013 in Lublin profiteren van prostitutie van een vrouw en voor (feit 2) het op 30 november 2013 in Lublin bedreigen van die vrouw. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de omschrijving van feit 1 in het EAB en de aanvullende informatie niet volgt dat sprake is geweest van dwangmiddelen als bedoeld in artikel 273f Sr. Ook indien feit 1 en 2 in samenhang zouden worden bezien, kan niet worden geoordeeld dat feit 2 het dwangmiddel van feit 1 oplevert, reeds omdat de pleegperiode van feit 1 eindigt op 29 november 2013 en feit 2 op 30 november 2013 is gepleegd. Daarmee stelt de rechtbank vast dat feit 1 van vonnis I naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert.

De rechtbank ziet echter aanleiding om van toepassing van de weigeringsgrond voor dit feit af te zien. Daarbij is redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft – het feit is immers gepleegd in Polen door een Pool tegen een Poolse – en dat de overlevering reeds toelaatbaar is voor de tenuitvoerlegging van andere in Polen opgelegde vrijheidsstraffen voor andere feiten en dat de gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraffen ook in het belang van de opgeëiste persoon is.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van feit 2 van vonnis I en ten aanzien van het feit van vonnis II aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan.

Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:

vonnis I:

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

vonnis II:

- diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon heeft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verbleven in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Eerste voorwaarde

Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft op voorhand per e-mail stukken aan de rechtbank doen toekomen ter onderbouwing van de stelling dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. Het betreffen inkomensverklaringen van de Belastingdienst over de jaren 2017 tot en met 2021, een document waaruit volgt dat de opgeëiste persoon sinds 23 mei 2017 beschikt over een Burgerservicenummer (hierna: BSN), en een verzekeringsbericht van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon vanaf 2017 een inkomen had van ruim 50% van de bijstandsnorm en dat het, gelet daarop, ervoor moet worden gehouden dat hij gedurende de gehele periode in Nederland heeft gebleven. Hij stond weliswaar niet steeds ingeschreven, maar buitenlandse werknemers die voor uitzendbureaus werken kunnen zich nu eenmaal vaak niet inschrijven. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 29 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1729.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij kan bewijzen dat hij de afgelopen vijf jaar in Nederland heeft verbleven. Hij heeft al zijn loonstroken vanaf 2018 in zijn portaal staan en op die loonstroken staan adressen in Nederland. Daarnaast beschikt hij over verklaringen van uitzendbureaus, aldus de opgeëiste persoon. De raadsman heeft subsidiair om aanhouding van de behandeling verzocht om aanvullende stukken in te kunnen brengen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel aan de inkomenseis is voldaan, niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Aan het uittreksel met het BSN kan in dit verband geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat een dergelijk nummer ook door een niet-ingezetene vanuit het buitenland kan worden aangevraagd. De opgeëiste persoon staat pas sinds november 2021 ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Over de periode daarvoor is geen feitelijk verblijf aangetoond. De door de raadsman aangehaalde uitspraak van deze rechtbank is niet vergelijkbaar, omdat de persoon in die kwestie weliswaar niet stond ingeschreven, maar andere objectieve informatie was ingebracht waaruit verblijf in Nederland kon worden afgeleid. Daarvan is in dit geval geen sprake.

De officier heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling, nu de verdediging alle tijd heeft gehad om de stukken te verzamelen. Bovendien is voorafgaand aan de zitting namens de officier van justitie aan de advocaat bericht dat de overgelegde stukken geen onderbouwing van het verblijf bevatten.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de door de verdediging ingebrachte stukken blijkt genoegzaam dat de opgeëiste persoon in de jaren 2017 tot en met 2021 voldoende inkomen genereerde. Daadwerkelijk verblijf in Nederland gedurende die vijf jaren is echter niet aangetoond. Het is de rechtbank bekend dat Poolse werknemers die via een uitzendbureau werken zich niet kunnen inschrijven op het adres waarop het uitzendbureau hen huisvest. De uitspraak waaraan de raadsman refereert, betreft echter een ander geval omdat het verblijf in die zaak bleek uit andere objectieve informatie. In dit geval blijkt uit het dossier en de overgelegde stukken echter geen feitelijk verblijf in Nederland gedurende de afgelopen vijf jaar. Zo ontbreken (bijvoorbeeld) loonstroken met adressen waar de opgeëiste persoon heeft verbleven, verklaringen van uitzendbureaus over huisvesting of bankafschriften waaruit blijkt dat de dagelijkse boodschappen in die jaren in Nederland werden gedaan of andere bewijsstukken waarmee wordt aangetoond dat de opgeëiste persoon in die periode daadwerkelijk onafgebroken in Nederland heeft verbleven. De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op geen enkel overgelegd stuk een Nederlands adres van de opgeëiste persoon is vermeld en dat de verdediging voorafgaand aan de zitting is gewezen op het gebrek aan onderbouwing van het feitelijk verblijf.

Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. Aan toetsing van de tweede voorwaarde komt de rechtbank daarom niet toe.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Lublin (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Aldus gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. A.J. Scheijde en W.B. van Bockel, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2022.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.