Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4137

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2022
Datum publicatie
22-07-2022
Zaaknummer
13.236374.21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man is vrijgesproken van verkrachting van een vrouw samen met een andere man op 30 augustus 2021 in Amsterdam. Het enige bewijs van verkrachting is namelijk dat beide mannen volgens de vrouw niet met seksuele handelingen zouden zijn gestopt toen zij tijdens een trio zei dat zij het niet meer wilde en huilde. Eén verklaring, in dit geval van het slachtoffer, is echter onvoldoende bewijs voor verkrachting. Omdat er onvoldoende steunbewijs is, zijn beide mannen vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.236374.21 [verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.236374.21

Datum uitspraak: 21 juli 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2022.

De zaak tegen verdachte is tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 13.236426-21).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Hoekstra en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.J. de Groot naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 augustus 2021 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van verkrachting van [slachtoffer] .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Vrijspraak

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangeefster [slachtoffer] was samen met vriendin [naam vriendin] in een café in Amsterdam. Daar raakten zij in gesprek met verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en ‘ [naam 1] ’. Na sluitingstijd hebben zij buiten nog wat gedronken. Daarna zijn zij alle vijf naar het huis van verdachte gegaan. Nadat [naam 1] eerst weg was gegaan, is [naam vriendin] rond 04:00 uur vertrokken. Er vonden vervolgens seksuele handelingen plaats tussen aangeefster, verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .

Aangeefster heeft verklaard dat er vrijwillig eerst seksuele handelingen waren tussen haar en verdachte en dat dit met haar instemming overging in een trio met medeverdachte erbij. Op een gegeven moment werd het steeds ruiger. [medeverdachte] deed zijn penis steeds dieper in haar mond en dat deed pijn. [medeverdachte] hield haar hoofd vast en als zij haar hoofd probeerde weg te trekken, duwde hij haar hoofd terug. Aangeefster kon hierdoor op een gegeven moment niet meer ademen en moest kokhalzen. Verdachte zag wat er gebeurde. Op een gegeven moment begon aangeefster te huilen. Ze wilde niet meer omdat ze veel pijn had en niet kon ademen. Ze probeerde haar hoofd weg te draaien maar dat lukte niet. Ze zei “Nee, nee, ik wil niet meer”, terwijl zij aan het huilen was. De jongens moeten haar hebben gehoord, ze zei het luid genoeg. Verdachte penetreerde haar vervolgens en [medeverdachte] forceerde zijn penis in haar mond. Zij trok haar hoofd weg maar [medeverdachte] trok haar hoofd met volle kracht terug. Iemand trok van achteren aan haar haren. Ze konden zien dat zij huilde. Toen zij op verdachte zat, stortte ze op hem neer en kon alleen maar huilen. [medeverdachte] is toen weggegaan en verdachte heeft haar naar zijn bed gebracht. Hij hield haar bij haar pols vast en wilde met haar praten. Uiteindelijk heeft verdachte haar laten gaan. Aangeefster is daarna direct naar het politiebureau gegaan.

Verdachte heeft een andere lezing van de feiten dan aangeefster. Hij heeft verklaard dat zij vrijwillig seks hadden en dat aangeefster meermalen heeft aangegeven dat zij seks wilde. Op een gegeven moment zei aangeefster “stop”. Ze was een beetje overstuur. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn toen direct gestopt. Hij heeft niet gemerkt dat het pijn deed bij haar en ook heeft hij niet op een eerder moment gehoord dat zij wilde stoppen of moest kokhalzen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte en hij gelijk zijn gestopt toen aangeefster op enig moment “stop” zei. Aangeefster werd op een gegeven moment een beetje verdrietig. Hij wist niet zo goed wat hij daarmee moest, omdat hij dacht dat ze een leuke avond hadden gehad. Daarna is hij weggegaan. Hij heeft haar niet zien kokhalzen of naar adem zien happen.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De verklaring en aangifte van aangeefster worden ondersteund door de letselbeschrijving, het feit dat aangeefster ’s morgens vroeg zittend op de grond voor de ingang van het politiebureau werd aangetroffen, het whatsapp gesprek tussen aangeefster en haar vriendin, het gegeven dat zij het telefoonnummer van verdachte onder de naam ‘verkrachter’ heeft opgeslagen, en de verklaring van beide verdachten dat ze seks met elkaar hebben gehad en dat zij aangeefster overstuur hebben gezien. Bovendien heeft aangeefster tijdens het slachtoffergesprek verklaard dat verdachten, in tegenstelling tot wat zij hebben verklaard, nooit aan haar hebben gevraagd of ze ok was.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De verklaringen van aangeefster en verdachten lopen op cruciale punten uiteen. De seksuele handelingen zijn met toestemming van aangeefster verricht. De verklaring van aangeefster met betrekking tot dwang wordt niet ondersteund door ander bewijsmateriaal.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat aangeefster en verdachten op 30 augustus 2021 seks hebben gehad, waarbij aangeefster verdachten heeft gepijpt en verdachten met hun penis in de vagina van aangeefster zijn geweest.

Om tot een bewezenverklaring te komen van verkrachting, zal in de eerste plaats vast moeten komen te staan dat verdachte(n) door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of andere feitelijkheid, aangeefster heeft(hebben) gedwongen om die seksuele handelingen te ondergaan. De onderhavige verdenking ziet blijkens de tenlastelegging op het doorgaan met seksuele handelingen nadat aangeefster ‘stop’ heeft geroepen.

Uit artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend op de verklaring van één getuige (in dit geval: van aangeefster) kan worden aangenomen.
Er moet met andere woorden voldoende steunbewijs zijn. Dat bewijs mag volgens jurisprudentie van de Hoge Raad niet uit dezelfde bron (te weten aangeefster) komen.

Met de verdediging constateert de rechtbank dat de verklaringen van aangeefster en verdachten op cruciale punten lijnrecht tegenover elkaar staan. Aangeefster stelt dat zij verdachten te kennen heeft gegeven dat zij moesten stoppen en dat zij dat niet hebben gedaan, terwijl verdachten stellen dat zij toen wel direct zijn gestopt. Het dossier bevat geen objectieve informatie die één van beide lezingen ondersteunt dan wel diskwalificeert. Het is kort gezegd de verklaring van aangeefster tegenover de verklaringen van verdachten.

De rechtbank vindt dat de verklaring van aangeefster op zichzelf authentiek en consistent over komt. Alhoewel de rechtbank niet twijfelt aan haar verklaring, wordt de verklaring van aangeefster op essentiële onderdelen niet ondersteund door ander bewijs, hetgeen een bewezenverklaring van verkrachting in de weg staat. De letselbeschrijving, het whatsapp gesprek en de verklaring van aangeefster tijdens het slachtoffergesprek kunnen niet als ondersteunend bewijs worden gezien. Van het letsel is niet vast te stellen wanneer het is ontstaan en het is geen letsel dat specifiek (en/of alleen) bij een verkrachting past. Het whatsapp gesprek en de verklaring tijdens het slachtoffergesprek zijn direct van aangeefster en daarmee uit dezelfde bron afkomstig.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] , bijgestaan door haar advocaat C.A. Bouw, vordert een vergoeding van materiele en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering ten aanzien van het materiële gedeelte om deze kostenpost op een later moment nog aan te kunnen vullen en/of nader te kunnen onderbouwen.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en C.M. Delstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2022.