Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:4071

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2022
Datum publicatie
25-07-2022
Zaaknummer
13/650445-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

medeplegen handel in verdovende middelen (cocaine, lean) en witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650445-18

Datum uitspraak: 12 juli 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1]

,

thans verblijvend op het adres [adres 2] ,

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Dankers en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.T. Brassé, die waarneemt voor mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd na wijziging op de zitting van 24 maart 2021 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. medeplegen van de verkoop van cocaïne en/of lean aan [getuige 2] en andere personen in de periode van 1 april 2018 tot en met 27 januari 2019 te Amsterdam;

  2. aanwezig hebben van 13,26 gram cocaïne op 28 januari 2019 te Amsterdam;

  3. medeplegen van witwassen van € 154,82, een paar schoenen, een Valentino Rockrunner, twee zonnebrillen, een tas en verzorgingsproducten en een geldbedrag van € 2.766,90 heeft omgezet, in de periode 23 december 2014 tot en met 28 januari 2019 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat op basis van de zich in het dossier bevindende tapgesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1] , het aantreffen van de verdovende middelen en de tippies bij de doorzoeking van de woning, de berichten in de aangetroffen Nokia telefoon en de bij de politie afgelegde verklaringen van afnemers (zoals onder andere getuige [getuige 1] ) bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in cocaïne in de periode 1 april 2018 tot de dag van zijn aanhouding, zoals ten laste gelegd. Gezien het contact met [medeverdachte 1] over flesjes en de uitkomst van de rest van de verdovende middelen die zijn aangetroffen in de kussensloop, acht de officier van justitie eveneens bewezen dat verdachte in voornoemde periode heeft gehandeld in lean. Ook feit 2, het voorhanden hebben van cocaïne, acht zij bewezen. Ten aanzien van feit 3 geldt volgens de officier van justitie dat de feiten en omstandigheden in het dossier van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Voor zover verdachte al heeft verklaard ten aanzien van de herkomst van het geld, heeft te gelden dat deze verklaring niet verifieerbaar is gebleken, zodat bewezen kan worden dat verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen, de zonnebrillen, de tas en de verzorgingsproducten heeft witgewassen. Dat geldt niet ten aanzien van de schoenen van het merk Prada en de schoenen van het merk Valentino. Hierover heeft verdachte immers verklaard dat hij deze cadeau heeft gekregen van zijn tante en moeder. Zijn tante en moeder zijn hier niet over bevraagd, waardoor de legale herkomst van de schoenen niet is uitgesloten. De officier van justitie acht daarom dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – overeenkomstig haar schriftelijke pleitnotities – primair vrijspraak van feit 1 en feit 3 bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat uit de uitspraken van de rechtbank Amsterdam op 28 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4297) en van het gerechtshof Amsterdam op 14 december 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303) volgt dat in geval van een ontkennende verdachte de tapgesprekken in het bewijsmateriaal niet worden ondersteund door bijvoorbeeld reisbewegingen, ontmoetingen en/of getuigenverklaringen, de enkele tapgesprekken onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring. Verdachte dient volgens de raadsvrouw vrijgesproken te worden van feit 1 nu de aangetroffen chats en tapgesprekken onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het handelen in lean. Uit artikel 11 van het Opiumwetbesluit volgt dat de verboden gesteld in artikel 2B en 2C, niet gelden voor preparaten die ten hoogste 0,5 milligram codeïne per gram of milliliter bevatten. Uit de in het dossier opgenomen gesprekken, noch uit andere gegevens uit het dossier, kan worden afgeleid dat preparaten zijn verkocht die meer dan 0,5 milligram codeïne per gram of milliliter bevatten. De pseudokoop is niet getest. De bij de doorzoeking aangetroffen flesjes zijn wel getest, maar blijkens het NFI rapport is het codeïnegehalte telkens ongelijk, zodat uit deze gehalten niet kan worden afgeleid wat het gehalte in de verkochte flesjes is geweest, zo stelt zij.

De raadsvrouw heeft – in tegenstelling tot de officier van justitie – voorts aangevoerd dat de getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris wel betrouwbaar zijn. Zij stelt dat de eerdere verklaringen bij de politie niet betrouwbaar waren. Daartoe heeft zij bepleit dat getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris duidelijk heeft aangegeven waarom haar verklaring bij de politie destijds niet betrouwbaar was: zij was in die tijd in de war. Gelet op de enorme verschillen in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] bij de rechter-commissaris ten opzichte van hun verklaringen bij de politie en de manier waarop zij terugkijken op hun eigen verklaringen, is de raadsvrouw van mening dat er vraagtekens gesteld kunnen worden bij de betrouwbaarheid van de verklaringen bij de politie. Zij verzoekt deze verklaringen – die tijdens een voor de getuigen periode vol drugsgebruik zijn afgelegd – niet voor het bewijs te gebruiken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij studiefinanciering, zorgtoeslag en een maandelijks bedrag van zijn vader ontving. Daarnaast ontving hij zakgeld en geld van zijn moeder en tante. Hij spaarde middels een kasgeldsysteem. Het financiële onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte wel degelijk een inkomen had. Het overgebleven bedrag en de aangetroffen luxegoederen rechtvaardigen geen witwasvermoeden. Bovendien is er geen nader onderzoek gedaan naar de verklaring dat deze goederen zijn aangeschaft door familieleden. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op 26 maart 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:1843). Uit de bonnetjes kan niet worden afgeleid wie de goederen heeft betaald. Nu verdachte heeft verklaard dat hij de goederen cadeau heeft gekregen, dient hij te worden vrijgesproken van het witwassen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich gedurende de periode van 1 april 2018 tot en met 27 januari 2019 als medepleger heeft schuldig gemaakt aan, kort gezegd, het dealen van cocaïne en lean.

Medeplegen van dealen in lean

De rechtbank stelt voorop dat enkele tapgesprekken onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring, maar overweegt dat de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Uit de tapgesprekken van het telefoonnummer [nummer 1] , dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina ZD01 51 393 in gebruik was bij verdachte, blijkt dat verdachte veelvuldig contact had met medeverdachte [medeverdachte 1] over de handel in lean. Zo wordt er op 4 november 2018 gesproken over het maken van een paar 75ml flesjes en het verstrekken aan kopers daarvan die in auto’s beneden zitten. Op 21 november 2018 wil verdachte pure flesjes hebben voor ‘die man van hem’ en bespreken ze de prijs daarvoor. Op 29 november 2018 vraagt verdachte aan [medeverdachte 1] om een flesje voor hem weg te doen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bovendien bekend dat hij lean verkocht. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina ZD01 51 0363-ZD01 51 0365 blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] meerdere gesprekken hebben gevoerd die verband houden met de handel in lean. Uit voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte 1] een nauwe en bewuste samenwerking hadden betreffende de handel in lean.

Hoewel het codeïnegehalte niet gelijk is bij de bij [medeverdachte 1] aangetroffen flesjes lean, zijn alle codeïnegehalten hoger dan de toegestane hoeveelheid, namelijk tussen de 0,79 en 1,48 mg/ml. Uit deze gehalten kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het gehalte in de verkochte flesjes tevens hoger dan de toegestane hoeveelheid codeïne is geweest. Bovendien leidt de rechtbank uit de tapgesprekken af dat de lean een verdovende werking had. Zo wordt door medeverdachte [medeverdachte 1] met een afnemer gesproken over het gebruik van lean. De afnemer vraagt aan [medeverdachte 1] hoe lang het duurt voordat het gevoel er is, waarop [medeverdachte 1] zegt dat het na drie grote bekers zou zijn. Ook de hoeveelheden voor de juiste mix bespreekt [medeverdachte 1] met een afnemer.

Gelet op de gesprekken van verdachte met [medeverdachte 1] en het feit dat bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] uiteindelijk meerdere flessen (in verschillende formaten) lean zijn aangetroffen, vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger heeft gehandeld in lean.

Medeplegen van dealen in cocaïne

Uit de tapgesprekken van het telefoonnummer van verdachte blijkt tevens dat hij veelvuldig contact had met medeverdachte [medeverdachte 2] over de handel in cocaïne. Zo wordt er op 27 oktober 2018 gesproken over “bolletjes” die volgens verdachte op zijn. Op 28 oktober 2018 vraagt verdachte aan [medeverdachte 2] of hij nog “nosso” voor hem heeft en op 17 november 2018 vraagt [medeverdachte 2] of verdachte “koffie” voor hem kan regelen.1 Op 16 december 2018 zegt [medeverdachte 2] tegen verdachte dat hij in zijn “monkey jacka” moet gaan kijken in de linkermouw omdat daar zijn “assie” in zit.2 Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina ZD01 51 0363-ZD01 51 0365 blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] meerdere gesprekken hebben gevoerd die verband houden met de handel in cocaïne. Zij geven opdrachten aan elkaar en bespreken hun handel. Hieruit leidt de rechtbank af dat zij een nauwe en bewuste samenwerking hadden. Ook ten aanzien van de handel in cocaïne overweegt de rechtbank dat de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang dienen te worden bezien.

In de bij de doorzoeking aangetroffen Nokia-telefoon (met telefoonnummer [nummer 2] ) stonden blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina ZD01 51 0423 meerdere contacten, waaronder drie personen die later door de politie gehoord zijn. Getuige [getuige 1] heeft verdachte herkend door middel van een foto. Zij kent verdachte als ‘ [naam] ’ en heeft sinds april 2018 naar eigen schatting ongeveer honderd keer verdovende middelen bij hem gekocht. Ook [getuige 3] heeft verdachte (die zij kent als ‘ [naam] ’) herkend door middel van een foto. Hij heeft sinds december 2018 ongeveer vijf keer crack bij hem gekocht. [getuige 2] belde op 29 januari 2019 de inbeslaggenomen Nokia telefoon en werd op diezelfde dag nog gehoord. Zij heeft verdachte eveneens herkend middels een foto en kocht sinds ongeveer een maand zes keer cocaïne bij hem. Ook zij kent verdachte als ‘ [naam] ’. Hoewel voornoemde getuigen bijna 2,5 jaar bij de verhoren door de rechter-commissaris een afwijkende verklaring af hebben gelegd, is de rechtbank – net als de officier van justitie – van oordeel dat de eerste verklaringen zeer kort op de feitelijke deal-periode zijn afgelegd, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om niet van deze verklaringen uit te gaan.

Bovendien werd door verbalisanten gezien dat verdachte bij de doorzoeking in de kamer van zijn broer een kussen uit het raam gooide. In het kussen zaten diverse cocaïne bolletjes en brokken. Daarnaast werden in het kussen “tippies” aangetroffen: kleine briefjes met het telefoonnummer [nummer 2] , waarvan bekend is dat deze ‘tippies’ verstrekt worden aan druggebruikers (ZD01 51 0420). Wanneer verbalisanten dit nummer bellen, blijkt dit te gaan om de eerder genoemde Nokia telefoon die op het nachtkastje van verdachte lag. De rechtbank leidt uit voorgaande af dat het telefoonnummer op de briefjes van verdachte was en dat deze telefoon een dealertelefoon was. Verdachte is op 28 januari 2019 aangehouden.

Op grond van de inhoud van het dossier is komen vast te staan dat verdachte als medepleger heeft gehandeld in cocaïne en lean in de periode van 1 april 2018 tot en met 27 januari 2019.

4.3.2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

In het kussen dat verdachte tijdens de doorzoeking van zijn woning uit het raam gooide, werd 13,26 gram cocaïne aangetroffen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 28 januari 2019 de ten laste gelegde hoeveelheid cocaïne opzettelijk voorhanden heeft gehad.

4.3.3

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Beoordeling

Witwasvermoeden

Blijkens financieel onderzoek op pagina ZD01 07 0051-ZD01 07 0052 heeft verdachte in de jaren 2017 en 2018 geringe legale inkomsten gehad. Daarnaast zijn er grote hoeveelheden contant geld in kleine coupures/munten bij verdachte en medeverdachten aangetroffen. Bovendien zijn er bij verdachte kassabonnen van diverse exclusieve winkels (contant afgerekend) en diverse luxegoederen aangetroffen.

Gelet op de bewezenverklaarde handel in verdovende middelen als medepleger en bovenstaande feiten acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen en voorwerpen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring heeft voor de herkomst van die geldbedragen en voorwerpen.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft tijdens het verhoor op pagina PDO2 03 0034-PD02 03 0044 verklaard dat hij inkomsten heeft uit studiefinanciering (€ 440,-) en zorgtoeslag (€ 95,-), en dat hij daarnaast geld krijgt van zijn vader (€ 150,-), moeder en tantes. Verdachte spaart kleingeld. Ten aanzien van de aangetroffen luxegoederen heeft verdachte het volgende verklaard: de Ray-Ban zonnebril is zijn oude leesbril, de Louis Vuitton bril heeft hij gekregen van een vriend en de Louis Vuitton tas ook. Verdachte weet niet meer van wie hij de tas heeft gekregen. Ten aanzien van de Prada schoenen heeft verdachte verklaard dat hij deze voor zijn verjaardag heeft gekregen van zijn tante en moeder. De Valentino schoenen heeft verdachte gekregen voor kerstmis. Blijkens het verhoor weet verdachte niet meer of hij de goederen op de bonnen zelf heeft gekocht. Verdachte wil niet verklaren van wie de bonnetjes wel zijn.

Conclusie

Partiële vrijspraak ten aanzien van de schoenen van de merken Prada en Valentino en ten aanzien van medeplegen

Nu verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de schoenen van de merken Prada en Valentino, gaf dit aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Een dergelijk onderzoek heeft echter niet plaatsgevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 3 partieel dient te worden vrijgesproken.

Daarnaast acht de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen dat verdachte bij het witwassen van de in de ten laste legging vervatte overige goederen en geldbedragen nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander of anderen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van medeplegen.

Bewezenverklaring overige goederen en geldbedragen

Uit financieel onderzoek is gebleken dat verdachte nauwelijks legale inkomsten had in 2016, 2017 en 2018. Hij heeft veel bankrekeningen op naam gehad, maar daar heeft nauwelijks saldo op gestaan of een negatief saldo. Verdachte heeft voorts naar het oordeel van de rechtbank voor de overige goederen en geldbedragen geen verklaring gegeven die kan worden aangemerkt als een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De namen van personen van wie verdachte de goederen zou hebben gekregen zijn namelijk niet genoemd, verdachte wil niet zeggen van wie de bonnen (waarvan het totale uitgegeven bedrag overeenkomt met het ten laste gelegde geldbedrag ter hoogte van € 2766,90) zijn en ook voor het overige aangetroffen geldbedrag ter hoogte van € 154,82 heeft verdachte geen concrete verklaring.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat het ten laste gelegde geldbedrag ter hoogte van € 154,82 onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. Daarnaast is er geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte het ten laste gelegde geldbedrag ter hoogte van
€ 2766,90 heeft besteed aan kleren en andere goederen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en de hiervoor in rubriek 4.3 opgenomen bewijsoverweging bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 april 2018 tot en met 27 januari 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verkocht aan [getuige 2] en meer personen hoeveelheden cocaïne en lean, een hoeveelheid van een materiaal bevattende codeïne;

2.

op 28 januari 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 13,26 gram cocaïne;

3.

in de periode van 23 december 2014 tot en met 28 januari 2019, voorwerpen, te weten

een geldbedrag van 154,82 euro (aangetroffen bij de doorzoeking van het pand [adres 3] te Amsterdam) en twee zonnebrillen en een tas en verzorgingsproducten (aangetroffen bij de doorzoeking van het pand [adres 3] te Amsterdam) voorhanden heeft gehad en een geldbedrag van 2766,90 euro heeft besteed aan kleren en andere goederen;

terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte van de door haar bewezen geachte feit 1, feit 2 en feit 3 (met uitzondering van de Prada en Valentino schoenen en alleen gepleegd) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 163 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 1 jaar en daarnaast een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

8.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van de ondergane voorlopige hechtenis te boven gaat, eventueel met aanvullend een taakstraf. De motivering hiervan is gelegen in een aantal omstandigheden, te weten de overschrijding van de redelijke termijn en de veranderde persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft zijn diploma gehaald en is ingeschreven voor een nieuwe opleiding. Verdachte is op 28 januari 2019 aangehouden, waardoor de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoekswensen 11 dagen voorafgaand aan de zitting van 24 maart 2021 zijn bekendgemaakt (en dus binnen de wettelijke termijn). Daarom verzoekt zij dat de periode tussen de zitting van 24 maart 2021 en de zitting op 18 maart 2022 mee te nemen bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het dealen in lean en cocaïne aan meerdere personen gedurende een aanzienlijke periode, te weten bijna 10 maanden. In het algemeen geldt voor drugs zoals cocaïne en lean, dat zij in hoge mate verslavend zijn en een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid van de gebruikers hiervan. De handel in en het gebruik van harddrugs leiden tot allerlei vormen van criminaliteit en dragen bij aan onveiligheidsgevoelens in de samenleving.

Bovendien heeft verdachte zich gedurende een zeer lange periode, te weten ruim 4 jaar, schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen en luxegoederen. Witwassen vormt een bedreiging van de maatschappelijke orde en tast de integriteit aan van het financiële en economische verkeer. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit, zoals in dit geval de handel in verdovende middelen, gefaciliteerd.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van de oriëntatiepunten voor dealen van harddrugs, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) alleen al voor feit 1 een gevangenisstraf voor de duur van minimaal 12 maanden op zijn plaats zou zijn. Daarbij dient eveneens in aanmerking worden genomen dat er naast dit feit ook nog het voorhanden hebben van drugs (feit 2) en een witwasdelict (feit 3) bewezen is geacht.

De rechtbank vindt dat de behandeling van de zaak onwenselijk lang heeft geduurd, maar niet onredelijk lang. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging kort voor de inhoudelijke zitting van 24 maart 2021 om het verhoor van vier getuigen heeft gevraagd. Dat verzoek is toegewezen en heeft geleid tot vertraging in de afdoening van deze strafzaak met drie verdachten. De rechtbank vindt dat deze vertraging voor rekening van de verdediging komt.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met het tijdsverloop en het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 februari 2022. Hieruit blijkt dat verdachte sinds zijn aanhouding in 2019 niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast blijkt hieruit dat verdachte geen recidive heeft ten aanzien van drugsgerelateerde feiten, noch ten aanzien van vermogensfeiten. Dit weegt de rechtbank in strafverminderende zin mee.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf gecombineerd met een taakstraf passend en geboden. De rechtbank ziet echter reden om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de hoogte van het reeds ondergane voorarrest. Gelet op de huidige leefsituatie van verdachte, namelijk de combinatie van te hoge uitgaven en nauwelijks tot geen legale inkomsten, ziet de rechtbank aanleiding om daarnaast een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een hogere proeftijd dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht het bovendien passend en geboden om verdachte tevens te veroordelen tot een taakstraf die beter aansluit op de hoogte van de oriëntatiepunten.

Concluderend legt de rechtbank verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 223 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast legt de rechtbank verdachte op een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. Geld, 20 euro (5699689)

  2. Geld, 134,82 euro (5700082)

  3. 1 stuks schoenen (5700280)

  4. 1 stuks schoenen (5700285)

  5. 1 stuks Nokia zaktelefoon (5700172)

  6. 1 stuks Apple iPhone zaktelefoon (5700174)

  7. 96 stuks zak (5700111)

  8. 1 stuks papier (5699798)

  9. 1 stuks etui (5701494)

  10. 3 stuks zak (5700332)

  11. 1 stuks Apple iPhone zaktelefoon (5700173)

  12. 1 stuks Samsung Galaxy zaktelefoon (5700362)

  13. 1 stuks Apple iPhone zaktelefoon (5700354)

  14. 1 stuks Blackberry zaktelefoon (5700372)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwerpen onder de nummers 1, 2, 5, 7, 8 en 10 verbeurd dienen te worden verklaard, nu deze goederen in relatie staan tot de drugshandel. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat het bedrag van de aankopen op de bonnen (€ 2766,90) verbeurd verklaard wordt op grond van artikel 34 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft tot slot gevorderd dat de goederen op de beslaglijst onder de nummers 3, 4, 6, 9, 11 12, 13 en 14 teruggegeven worden aan de verdachte.

De raadsvrouw heeft geen verweren ten aanzien van het beslag naar voren gebracht.

De rechtbank gelast de teruggave van de voorwerpen genoemd onder de nummers 3, 4, 6, 9, 11, 12, 13 en 14.

De voorwerpen genoemd onder de nummers 1, 2, 5, 7, 8 en 10 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van deze voorwerpen het onder feit 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De rechtbank overweegt verder dat voor verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht niet vereist is dat op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Op grond van artikel 34 Sr zal in zo’n geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de door de rechter geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. De rechtbank bepaalt dat het bedrag van de aankopen op de bonnen (€ 2766,90) wordt verbeurd verklaard op grond van artikel 34 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 3:

witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 223 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 180 dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van [.] .240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 [.] . dagen.

Verklaart verbeurd:

Beslaglijst:

  • -

    Geld, 20 euro (5699689)

  • -

    Geld, 134,82 euro (5700082)

  • -

    1 stuks Nokia zaktelefoon (5700172)

  • -

    96 stuks zak (570111)

  • -

    1 stuks papier (5699798)

  • -

    3 stuks zak (5700332)

Overig:

- Bedrag van de aankopen op de bonnen (€ 2766,90)

Beveelt de uitlevering dan wel betaling door verdachte van deze niet inbeslaggenomen voorwerpen ad in totaal € 2766,90, en bepaalt dat bij gebreke daarvan vervangende hechtenis voor de duur van maximaal 37 dagen zal worden toegepast.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

  • -

    1 stuks schoenen (5700280)

  • -

    1 stuks schoenen (5700285)

  • -

    1 stuks Apple iPhone zaktelefoon (5700174)

  • -

    1 stuks etui (5701494)

  • -

    1 stuks Apple iPhone zaktelefoon (5700173)

  • -

    1 stuks Samsung Galaxy zaktelefoon (5700362)

  • -

    1 stuks Apple iPhone zaktelefoon (5700354)

  • -

    1 stuks Blackberry zaktelefoon (5700372)

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Kesteren, voorzitter,

mrs. M.M.L.A.T. Doll, M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.S. Schakenraad en E.J.M. Veerman, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2022.

1 Met “nosso” wordt in de straattaal vaak neus bedoeld (p. ZD01 51 0400).

2 Met “assie” wordt in de straattaal vaak verdovende middelen bedoeld (p. ZD01 51 0397).