Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:38

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
13/212104-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De rechtbank kan uit de inhoud van het dossier niet vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feitelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/212104-20 (Promis)

Datum uitspraak: 5 januari 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 22 december 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.J.A.M. Rasker, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 26 januari 2020 te Amsterdam (op de openbare weg [naam weg] ) en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een

(auto)sleutel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met die [naam1] af te spreken om hem te ontmoeten en/of

- ( toen die [naam1] te plaatse was) (terwijl die [naam1] in zijn auto zat) naar die [naam1] toe te gaan en/of die [naam1] te vragen of hij uit zijn auto wilde komen en/of die [naam1] aan de praat te houden en/of

- ( vervolgens) de portier van die auto van die [naam1] te openen en/of de (auto)sleutel uit het (contact)slot te halen en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp tegen de keel van die [naam1] te zetten en/of te houden en/of

- ( ondertussen) (meerdere malen) te roepen om geld en/of

- tegen die [naam1] te zeggen dat zijn keel zou worden doorgesneden en/of

- die [naam1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken en/of snijden en/of prikken in zijn duim, in elk geval zijn hand(en) en/of

- ( ondertussen) het portier van de auto van die [naam1] vast te houden (waardoor die [naam1] niet weg kon)

ten gevolge waarvan die [naam1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een diepe wond aan zijn duim, in elk geval zijn hand(en)) bekwam;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1.

Inleiding

Op 26 januari 2020 heeft aangever [naam1] via de datingsite [naam datingsite] afgesproken op de [naam weg] te Amsterdam met een jonge vrouw die zich [naam2] noemt en in werkelijkheid [naam3] heet. Nadat hij zijn auto heeft geparkeerd kwamen drie jongedames, waarvan er één op de foto die hij van [naam2] had gezien lijkt, bij de auto staan. Nadat één van de dames was vertrokken kwamen twee jonge mannen aanlopen. Het portier aan de bestuurderszijde werd opengetrokken en zijn autosleutels werden uit het contactslot gehaald en weggegooid. Vervolgens werd een broodmes op de keel van de aangever gezet en hij werd gesommeerd zijn geld en portemonnee af te geven. De aangever weigerde dit. Hij pakte de pols van zijn belager met twee handen vast, waarop deze het mes terug trok. Daarbij werd de aangever in beide handen gesneden, waarbij in één hand een pees is doorgesneden. Hij heeft daar zwaar lichamelijk letsel aan overgehouden.

Deze zaak maakt onderdeel uit van een groot onderzoek naar de drie vrouwelijke verdachten (die aangever gelokt zouden hebben) en de mannelijke verdachten die vervolgens aangever hebben overvallen. Verdachte zou degene zijn die samen met verdachte [naam medeverdachte] aangever heeft belaagd. Verdachte was die dag door [naam medeverdachte] uitgenodigd op een feestje in de om de hoek gelegen woning van diens broer, die op vakantie was. Door [naam medeverdachte] waren nog een aantal mensen uitgenodigd. Dit betroffen medeverdachten, te weten de dames [naam3] , die inmiddels voor dit feit veroordeeld is, [naam4] en [naam5] en de heren [naam6] en [naam7] . Deze personen zijn aangehouden voor dit feit en hebben verklaringen afgelegd. Deze verklaringen wijken van elkaar af en de rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit het dossier valt af te leiden dat verdachte één van de uiteindelijke belagers van aangever [naam1] was.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe gewezen op de aangifte, de letselverklaring, de verklaring van de getuige [getuige naam] , die twee mannen en twee vrouwen zag wegrennen, en de verklaring die medeverdachte [naam3] ter terechtzitting heeft afgelegd bij gelegenheid van de behandeling van haar strafzaak, inhoudende dat jongens met wie zij daarvoor aan het chillen was geweest naar de auto liepen. Voorts acht de officier van justitie de verklaringen van [naam7] en [naam6] het meest betrouwbaar. Hij baseert dit op het feit dat beiden kort na hun aanhouding zijn gehoord, hun verklaringen daarom niet hebben kunnen afstemmen, en hun verklaringen redelijk overeenkomen. De officier van justitie wijst er in dit verband in het bijzonder op dat volgens hun verklaringen, zij degenen waren die als laatsten in de woning achterbleven, terwijl alle anderen de woning hadden verlaten. Van de vier aanwezige jongens moeten, zo concludeert de officier van justitie, verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] degenen zijn die de aangever hebben belaagd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft gesteld dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wie de feitelijkheden heeft gepleegd. De verklaringen van verdachte en de medeverdachten [naam3] , [naam4] , [naam5] , [naam6] , [naam7] en [naam medeverdachte] zijn inconsistent en wisselend, onduidelijk is wie op welke onderdelen de waarheid spreekt. De door de officier van justitie genoemde [naam6] en [naam7] zijn pas zeven maanden later aangehouden, wisten van de eerdere aanhoudingen van anderen en kunnen dus hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Bovendien komen ook hun verklaringen op punten niet overeen. Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat ook de aangever niet consistent verklaart, zowel over de feitelijkheden als het signalement van de daders.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaringen van [naam6] en [naam7] dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad ze te bevragen. Zij hebben zich op hun verschoningsrecht beroepen. Hun verklaringen zijn ‘sole and decisive’ en de onmogelijkheid om ze te controleren wordt door de overige inhoud van het dossier niet gecompenseerd. Zonder deze verklaringen resteert onvoldoende wettig bewijs.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betwist dat sprake was van medeplegen omdat daarvoor nauwe en bewuste samenwerking is vereist en uit het dossier niet volgt dat sprake was van een gezamenlijk plan. De raadsvrouw heeft ook betwist dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, nu niet is gebleken dat het letsel niet volledig zal herstellen.

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht alsnog te pogen de getuigen [naam7] , [naam6] , [naam4] en [naam5] te horen.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Geen duidelijke signalementen

Er zijn geen camerabeelden en de aangever en de getuige [getuige naam] hebben slechts een beperkt signalement kunnen geven. Daarbij komt dat aangever in zijn verklaring bij de rechter-commissaris een ander signalement geeft van de daders die aangever hebben belaagd, dan tijdens het verhoor bij de politie. Bij de rechter-commissaris spreekt aangever over een licht getinte huidskleur terwijl verdachte een onmiskenbaar donkere huidskleur heeft. Ook het uitlezen van telefoons van verdachten heeft niet geleid tot het kunnen vaststellen van betrokkenheid van verdachte bij het incident.

Wisselende en tegenstijdige verklaringen

De rechtbank stelt voorop dat geen van de zeven verdachten een naam noemt van degene(n) die aangever feitelijk belaagd hebben en letsel hebben toegebracht aan aangever. Er wordt alleen gesproken over personen die in de woning aanwezig waren voorafgaand aan het incident. Vervolgens wordt wisselend en tegenstrijdig verklaard over wie op welk moment naar beneden en naar buiten is gegaan. Aangezien alle zeven betrokkenen ook als verdachte worden aangemerkt, hebben zij allen een belang om te verklaren zoals zij hebben gedaan.

Vastgesteld noch uitgesloten kan worden dat er, naast de in dit onderzoek als verdachte gehoorde personen, waarvan is vastgesteld dat zij omstreeks het tijdstip waarop het ten laste gelegde feit is gepleegd in de genoemde woning en/of in de nabijheid daarvan aanwezig zijn geweest, een onbekend gebleven persoon op enigerlei wijze betrokken is geweest. Daarbij komt dat door incidenten in het verleden kennelijk onmin heerst tussen een aantal verdachten. De rechtbank ziet geen verschil in de betrouwbaarheid van de verschillende verklaringen. Zij deelt de stelling van de officier van justitie, dat [naam7] en [naam6] het meest betrouwbaar zijn vanwege de ‘versheid’ van hun verklaringen en de overeenkomsten daarin, niet. Zij zijn immers pas zeven maanden na het feit aangehouden en waren toen al op de hoogte van de aanhouding van andere verdachten.

Voorts dient te worden opgemerkt dat het enkele vertoeven buiten de woning nog niet de aanwezigheid bij de auto van aangever [naam1] oplevert. Daarbij merkt de rechtbank op dat de verklaring van [naam3] gedaan tijdens haar strafzitting, dat jongens met wie zij in de woning aan het chillen was ook naar de auto liepen, geen onderdeel uitmaakt van het dossier.

Conclusie

De rechtbank kan uit hetgeen op zitting is besproken en de inhoud van het dossier niet vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feitelijkheden. Zij zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken. De vraag of de verklaringen van [naam7] en [naam6] van het bewijs dienen te worden uitgesloten behoeft om die reden geen nadere bespreking.

Geen voltooide diefstal

Niet alleen over wie er, naast de inmiddels veroordeelde [naam3] , daadwerkelijk betrokken waren bij het ten laste gelegde feit, bestaat - op basis van het dossier - geen duidelijkheid, ook twijfelt de rechtbank of er – gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden - sprake was van een voltooide diefstal van een autosleutel, zoals is ten laste gelegd. De aangever [naam1] verklaart immers bij de rechter-commissaris dat één van de jongens de sleutel uit het contactslot haalde en deze weg heeft gegooid.

Uit de aangifte en de verklaring van de aangever bij de rechter-commissaris leidt de rechtbank af dat het verwijderen van de sleutel uit het contactslot kennelijk meer bedoeld was om te voorkomen dat de aangever zou kunnen wegrijden, dan dat sprake was van een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, zodat ook om die reden vrijspraak in de rede ligt.

Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is en verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.

5 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam1] vordert € 384.180,00 aan vergoeding van materiële schade. Dit bedrag bestaat uit € 29.180,00 aan gedwongen verkoop van materieel en € 355.000,00 aan winstverlies. Tevens vordert de benadeelde partij € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade. Alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.434,00 aan proceskosten.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [naam1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. E. Akkermans en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 januari 2022.

De griffier is buiten staat te tekenen.