Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:3162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2022
Datum publicatie
10-06-2022
Zaaknummer
AMS 21/5133
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het UWV heeft de aanvraag van een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten) terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/5133

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres, geboren [geboortedag] 1976,

gemachtigde: mr. D.P. op den Velde,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. I.L.M. Dunselman.

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als [eiseres] en het Uwv.

Procesverloop

Aan [eiseres] is per 17 april 2019 een loongerelateerde WIA1-uitkering toegekend. [eiseres] heeft daartegen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld omdat zij van mening was dat zij in aanmerking kwam voor een IVA-uitkering2. Zowel haar bezwaar als haar beroep zijn ongegrond verklaard3.

Op 25 januari 2021 heeft het Uwv de WIA-uitkering van [eiseres] met ingang van 26 maart 2021 beëindigd. [eiseres] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Dit verzoek heeft geleid tot schorsing van het beëindigingsbesluit. Het bezwaar van [eiseres] is vervolgens door het Uwv op 8 september 2021 gegrond verklaard. [eiseres] is daarbij vanaf 20 november 2020 een WIA-loonaanvullingsuitkering toegekend ter hoogte van 70% van het WIA-maandloon.

[eiseres] heeft beroep ingesteld. Zij is ook nu van mening dat zij in aanmerking dient te worden gebracht voor een IVA-uitkering.

Het beroep is behandeld op een zitting van 25 april 2021. [eiseres] is vertegenwoordigd door mr. D.P. op de Velde en heeft zelf het woord gedaan door middel van een op zitting afgespeelde video-opname. Het Uwv is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Achtergrond van deze zaak

1. [eiseres] was voor het laatst werkzaam als marketing manager voor gemiddeld 28,89 uur per week. Op 19 april 2017 heeft zij zich ziek gemeld wegens vermoeidheidsklachten en diverse lichamelijke klachten. Zij is in aanmerking gebracht voor ziekengeld en vervolgens voor een WIA-uitkering zoals hiervoor vermeld.

2. Niet in geschil is dat eiseres volledig arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep [arts 1] heeft ook geconcludeerd dat die ongeschiktheid geheel is gebaseerd op medische gronden. Ook in dat opzicht is geen sprake van een geschil tussen partijen. Het geschil betreft dus uitsluitend de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] duurzaam van aard is.

3. In de uitvoerige gronden van bezwaar en beroep is onder verwijzing naar de literatuur en informatie van behandelaars gesteld dat [eiseres] lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS/ME) en daarnaast aan posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) dat maakt dat zij vrijwel geheel bedlegerig is. [eiseres] heeft verschillende multidisciplinaire trajecten gevolgd, en deze hebben geen van alle tot resultaat geleid. Er zijn nu geen behandelmogelijkheden meer, zoals blijkt uit overgelegde stukken. Dat maakt dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. [eiseres] lijdt zwaar onder de situatie. Zo zou zij graag nog dingen met haar kinderen ondernemen, maar dat gaat niet meer.

Beoordeling van het geschil

4. Artikel 4, tweede en derde lid van de WIA omschrijft duurzaam in het kader van arbeidsongeschiktheid als een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

5. De gemachtigde van [eiseres] heeft in dit verband uitdrukkelijk verwezen naar de notitie “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”, nader aangeduid als het Beoordelingskader.

6. Naar vaste rechtspraak4 is dat kader (echter) niet dwingendrechtelijk van aard, maar (voor zover dit het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen) niet meer dan een hulpmiddel ten behoeve van een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming. Het kader doet dus niet af aan de professionele -medische- verantwoordelijkheden van de beoordelende verzekeringsarts(en), en gaat daar juist van uit. Dat betekent bijvoorbeeld dat het niet zetten van alle stappen van het beoordelingskader niet in strijd is te achten met de eisen die zijn te stellen aan een besluitvorming indien dit in een concreet geval heeft geleid tot een besluit dat is voorzien van een deugdelijke motivering. Vraag blijft uiteindelijk of is voldaan aan de wettelijke vereisten.

7. Beide verzekeringsartsen bezwaar en beroep [arts 1] en [arts 2] hebben uitvoerig gemotiveerd dat en waarom van een duurzame arbeidsongeschiktheid geen sprake is. Zij hebben daarbij niet alleen in de persoon van verzekeringsarts bezwaar en beroep [arts 1] op 19 april 2021 [eiseres] thuis bezocht en lichamelijk onderzocht, maar hebben (naast informatie van de behandelaars) bijvoorbeeld ook kenbaar in hun beoordeling betrokken het expertiserapport dat Ergatis tijdens het Ziektewet-traject heeft uitgebracht over [eiseres] .

8. In haar bij het verweerschrift gevoegde rapport van 22 maart 2022 constateert verzekeringsarts bezwaar en beroep [arts 2] dat geen sprake is van een langzaam progressieve aandoening zoals bijvoorbeeld MS, Parkinson of maligniteiten met een slechte prognose.

Medisch gezien is betrokkene wel trainbaar. Een medische onderbouwing dat betrokkene niet trainbaar is en zou zijn, ontbreekt, en niet alle mogelijke behandelingen bij het klachtenbeeld van betrokkene zijn uitgevoerd, aldus [arts 2] .

9. Deze medische argumentatie sluit aan bij die van de verzekeringsarts die is gevolgd door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 1 juli 2021 over arbeidsongeschiktheid bij ME/CVS5. De rechtbank haalt daaruit het volgende aan:

4.4. (…)

Over het ontstaan van ME/CVS is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep veel onduidelijk en een oorzakelijke behandeling is niet voorhanden. Hoewel appellante door haar klachten op medische gronden geen arbeidsvermogen heeft, zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen dat er sprake is van een medische problematiek waarbij verbetering uitgesloten is. (…) Ter zake heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (…) nog benadrukt dat ME/CVS geen progressief ziektebeeld oplevert. In een minderheid van de gevallen kan zelfs spontaan herstel optreden zodanig dat iemand weer kan functioneren als voorheen. Verder kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden gesteld dat verbetering van de situatie van appellante is uitgesloten. Nog los van het gegeven dat er ten tijde van de beoordeling in 2017 nog specifiek op appellante gerichte behandeling plaatsvond waarvan kennelijk resultaat werd verwacht, is ook in dit verband het gegeven van een mogelijk spontaan herstel van belang, terwijl bovendien ook cognitieve gedragstherapie nog een, ook door de Gezondheidsraad in het advies van 19 maart 2018 genoemde, behandeloptie is.

4.5.

De Raad kan deze conclusies volgen. (…) Dat in een klein deel van de gevallen spontaan herstel van ME/CVS optreedt, blijkt uit informatie van de Gezondheidsraad (…). Dat alleen al maakt dat niet kan worden gezegd dat in dit geval is uitgesloten dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich nog zullen ontwikkelen. Dat wordt niet anders doordat de behandeling tot nu toe kennelijk niet of nauwelijks verbetering heeft gebracht en appellante naar eigen zeggen tot de ernstigste gevallen behoort. (…) De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep herhaald dat een oorzakelijke behandeling voor ME/CVS niet voorhanden is. Van een garantie op succes is dus geen sprake en dat wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadrukkelijk onderkend. Daarmee is evenwel, juist nu over ontstaan, diagnostisering en behandeling van ME/CVS nog veel onduidelijkheid bestaat, niet gezegd dat het arbeidsvermogen zich in dit geval niet kan ontwikkelen.

10. De rechtbank ziet in het geval van [eiseres] geen aanleiding anders te oordelen. Naar aanleiding van hetgeen namens [eiseres] naar voren is gebracht, voegt de rechtbank daar nog het volgende aan toe. Van de zijde van verzekeringsarts bezwaar en beroep [arts 2] is nog naar voren gebracht dat een psychiatrische behandeling nog niet is beproefd. Die constatering is een meer dan puur theoretische, bijvoorbeeld gelet op de constateringen van Ergatis waarin ook onder verwijzing naar de voorgeschiedenis van [eiseres] psychiatrische diagnostiek een rol speelde.

Maar ook indien in afwijking van de verzekeringsartsen met [eiseres] zou moeten worden gezegd dat alle behandelingen in haar klachtenbeeld door haar zijn gevolgd en geen behandelaar nog mogelijkheden ziet, dan nog is daarmee niet gegeven dat zij medisch gezien niet trainbaar is. Daarvoor ontbreekt ook dan de onderbouwing, zoals van de zijde van het Uwv ook is benadrukt. Zelfs in die situatie is de conclusie dus niet zonder meer dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.

11. De gemachtigde van [eiseres] heeft verwezen naar wetenschappelijke inzichten omtrent met name het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ook op dit punt verwijst de rechtbank naar de aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2021. Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat het in dit geding niet gaat om in het algemeen vast te stellen wat een correcte verzekeringsgeneeskundige beoordeling in dergelijke zaken is, maar uitsluitend om de vraag of het Uwv het specifieke aspect van de duurzaamheid van de ook door het Uwv aangenomen volledige arbeidsongeschiktheid in het specifieke geval van [eiseres] correct heeft vastgesteld.

12. In deze procedure is de datum in geding 20 november 2020, drie- en een half jaar na de uitval van [eiseres] . Naar blijkt uit de rapportage van de bedrijfsarts is in november 2018 (twee-en-een-half jaar voor de datum in geding) sprake van een gewijzigde ziekteoorzaak voor de ongeschiktheid van [eiseres] . Dat beperkte tijdsverloop van twee-en-een-half jaar, gevoegd bij de nog relatief jonge leeftijd van [eiseres] , maakt ook dat er nu nog geen aanleiding is om met toepassing van het voordeel van de twijfel in de richting van [eiseres] te komen tot de -in meer dan één opzicht ingrijpende- conclusie dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Voor inschakeling van een deskundige ziet de rechtbank in het licht van al het vorenstaande evenmin aanleiding.

13. De gemachtigde van [eiseres] heeft in beroep ook verzocht om vergoeding van de niet-juridische kosten in bezwaar voor het advies van Cardiozorg van 13 juli 2021 en de second opinion van CVS ME Medisch Centrum van 21 juli 2021. Niet is gebleken dat ook om vergoeding van specifiek die (niet-juridische) kosten in bezwaar is verzocht. Reeds om die reden is er geen grond die kosten in beroep alsnog als kosten van bezwaar te vergoeden.

Conclusie

14. De claim van [eiseres] voor een IVA-uitkering wordt afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

2 Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten

3 Uitspraak van deze rechtbank van 10 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7193

4 Centrale Raad van Beroep 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896

5 ECLI:NL:CRVB:2021:1570