Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:3073

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
Marengo
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 20 mei 2022

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 20 mei 2022

1. Aan de regiezitting van 20 mei 2022 is een schriftelijke ronde voorafgegaan. Mrs. P.C. Schouten en O.E. de Jong hebben namens verdachte [verdachte 1] bij e-mailbericht van 26 april 2022 laten weten welke onderzoekswensen zij hebben. Daarin hebben zij aangekondigd deze op de regiezitting verder toe te lichten.

2. Mr. J. de Vries heeft namens verdachte [verdachte 2] bij e-mailbericht van 11 mei 2022 schriftelijke onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 17 mei 2022 schriftelijk op deze onderzoekswensen gereageerd.

3. Mr. R. van ’t Land heeft namens verdachte [verdachte 3] bij e-mailbericht van 13 mei 2022 laten weten dat de verdediging nog niet in staat is onderzoekwensen met betrekking tot ‘technische aspecten rond PGP-berichten’ – waartoe de rechtbank termijn had gegeven tot 13 mei 2022 – in te dienen, maar niet uit te sluiten dat er op dit punt onderzoekwensen zijn. In het e-mailbericht staat verder dat de verdediging hier zo spoedig mogelijk op terugkomt. De rechtbank heeft geen onderzoekswensen op dit punt ontvangen.

4. Mr. I.N. Weski heeft namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] in de eerste termijn op 14 mei 2022 (aanvullend) en 16 mei 2022 (mede namens verdachte [verdachte 7] ) onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 16 mei 2022 respectievelijk 18 mei 2022 schriftelijk op deze onderzoekswensen gereageerd.

5. Mr. G.N. Weski heeft namens verdachte [verdachte 7] daarnaast op 17 mei 2022 schriftelijk een onderzoekswens ingediend. Hierop heeft het Openbaar Ministerie op 18 mei 2022 schriftelijk gereageerd.

6. Op 20 mei 2022 heeft ter openbare zitting de mondelinge bespreking van de onderzoekswensen plaatsgehad. Op die zitting heeft het Openbaar Ministerie eerst een toelichting gegeven op de stand van het onderzoek. Vervolgens heeft mr. S. Boersma bij gelegenheid van repliek de door mr. I.N. Weski ingediende onderzoekswensen nader toegelicht en één enkele aanvullende onderzoekwens geformuleerd. Op die zitting hebben mrs. Schouten en De Jong hun aangekondigde onderzoekswensen toegelicht. Enkele andere raadslieden hebben zich bij deze verzoeken aangesloten. Ter zitting heeft mr. J-H.L.C.M. Kuijpers namens verdachte [verdachte 8] een onderzoekwens ingediend en hebben mrs. H.M. Dunsbergen en Van ’t Land namens verdachte [verdachte 3] (evenals mr. I.N. Weski in haar schriftelijke stuk) een verzoek gedaan met betrekking tot het horen van de partner van de kroongetuige. Bij deze onderzoekswens van mrs. Dunsbergen en Van ’t Land hebben mr. Y. Bouchikhi namens verdachte [verdachte 9] en mr. De Vries namens verdachte [verdachte 2] zich aangesloten. Tenslotte heeft mr. M.P.J.C. Heuvelmans namens verdachte [verdachte 10] het Openbaar Ministerie een tweetal vragen gesteld.

7. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens bij gelegenheid van dupliek gereageerd op de onderzoekwensen en gestelde vragen.

8. Na de zitting van 20 mei 2022 heeft de rechtbank nagekomen stukken en een verzoek per e-mailbericht ontvangen op 27 mei 2022 van de rechter-commissarissen en een e-mailbericht van mr. I.N. Weski op 28 mei 2022 met betrekking tot het verhoor van de partner van de kroongetuige.

9. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane onderzoekwensen, waarbij de rechtbank ook zal ingaan op de nagekomen stukken en e-mailberichten ten aanzien van het verhoor van de partner van de kroongetuige.

In de zaak van verdachte [verdachte 1]

Verzoek met betrekking tot voeging van stukken en het horen van getuigen

10. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft gevraagd om voeging in het dossier van de ter zitting van 20 mei 2022 overgelegde stukken. Dit betreft:

1) de notitie van 13 oktober 2017 van mr. [naam 1] , betreffende een gespreksverslag van een bespreking op die datum;

2) een e-mailwisseling tussen mr. [naam 1] en de TBG-officier van justitie met betrekking tot het vallen onder de ‘oude VI-regeling’;

3) een e-mailwisseling tussen de huidige en voormalige verdediging van verdachte [verdachte 1] . Hierin legt de huidige verdediging aan een voorgaand raadsman de rekensom over de detentieduur voor, gemaakt naar aanleiding van hetgeen verdachte [verdachte 1] daarover heeft verklaard. Een van de voorgaande raadslieden bevestigt, volgens de verdediging, de juistheid van die rekensom aan de hand van hetgeen de betreffende raadsman destijds van mr. [naam 1] heeft vernomen.

11. De verdediging van verdachte [verdachte 1] wil daarnaast de volgende getuigen (doen) horen:

1. mr. [naam 2] , voormalig raadsman van verdachte [verdachte 1] ;

2. mr. [naam 3] , officier van justitie;

3. mr. [naam 4] , voormalig raadsman van verdachte [verdachte 1] ;

4. de voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen.

Het doel van die verhoren is dat vast komt te staan dat bij verdachte [verdachte 1] het vertrouwen is gewekt dat de detentie in de ‘wapenzaak’ (acht maanden) zou worden verrekend en dat het mislopen van de detentiefasering zou worden gecompenseerd. Ook is in de ogen van de verdediging van belang dat hiermee komt vast te staan dat wat verdachte [verdachte 1] daarover heeft verklaard berust op hetgeen door het Openbaar Ministerie aan hem is gezegd en dat hij dus daarover de waarheid heeft gesproken. De verdediging heeft aangevoerd dat de beantwoording van de vraag of door of namens het Openbaar Ministerie met verdachte [verdachte 1] afspraken zijn gemaakt over verrekening van detentietijd, van belang is voor enige beslissing ex artikel 348 of 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), bijvoorbeeld ten aanzien van de strafmaat.

12. De raadslieden van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 9] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] hebben zich aangesloten bij het verzoek de getuigen te horen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

13. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het getuigenverzoek moet worden afgewezen om de volgende redenen. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige gaat het volgens de arresten van het Gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage steeds om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige die gaan over feiten die zijn opgenomen in de overeenkomst met de kroongetuige. Dat beoordelingskader is door de Hoge Raad in stand gelaten. De verklaringen van verdachte [verdachte 1] over de afspraken die volgens de verdediging zouden zijn gemaakt met (leden van) het Openbaar Ministerie over de aftrek van de detentie voor de wapenzaak, gaan niet over de strafbare feiten die in zijn overeenkomst zijn opgenomen en zijn dus niet relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. In aanvulling daarop heeft de verdediging van verdachte [verdachte 1] aangevoerd dat het onderzoek ook van belang is voor de rechtbank met het oog op de eventuele strafoplegging. Dat belang ziet het Openbaar Ministerie niet, nu het zou gaan om een veronderstelde afspraak die ziet op de hoogte van de eis van het Openbaar Ministerie of op de executie van een opgelegde straf.

14. Subsidiair heeft het Openbaar Ministerie gewezen op een brief van de voormalig TBG-officier van justitie aan de verdediging van verdachte [verdachte 1] van 22 februari 2022. Deze officier van justitie heeft in de brief vermeld dat de afspraken die destijds zijn gemaakt, vastliggen en terug te vinden zijn in de beschikking van de rechter-commissaris van 29 december 2017. In die beschikking staat dat verdachte [verdachte 1] , zijn advocaat en de TBG-officier van justitie bij gelegenheid van de toetsing van de overeenkomst op 29 december 2017 alle drie uitdrukkelijk hebben verklaard dat er geen andersluidende of aanvullende afspraken zijn gemaakt dan de afspraken die aan de rechter-commissaris zijn voorgelegd. In het geval de rechtbank hierover nadere informatie wenst, dan stelt het Openbaar Ministerie voor dit in de vorm van een aanvullend proces-verbaal te doen.

Oordeel van de rechtbank

15. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat zij niet beschikt over de brief van 22 februari 2022 waarnaar wordt verwezen.

16. Ten aanzien van het getuigenverzoek overweegt de rechtbank als volgt.

Voor het (doen) horen van de getuigen om daarmee de betrouwbaarheid van verdachte [verdachte 1] (op dit punt) aan te tonen ziet de rechtbank geen aanleiding. Het al dan niet bestaan van een afspraak tussen het Openbaar Ministerie en verdachte [verdachte 1] met betrekking tot aftrek voor zijn wapenzaak en/of het gemis aan detentiefasering acht de rechtbank voorshands niet van belang voor de eventuele straftoemeting. Wat betreft de veroordeling van verdachte [verdachte 1] in de wapenzaak dient de rechtbank, als het tot strafoplegging komt, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Zij is daarbij niet gebonden aan enige afspraak, zo deze al zou bestaan. Het staat de verdediging vrij om daarover bij pleidooi al hetgeen zij nodig vindt voor de strafmaat naar voren te brengen. Het verzoek om het horen van getuigen in dit verband wordt daarom afgewezen.

17. De door de verdediging ingebrachte stukken geven de rechtbank wel aanleiding om ambtshalve onderzoek te (laten) doen naar hoe deze gestelde afspraak zich verhoudt tot hetgeen in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken is opgenomen over niet toelaatbare toezeggingen, in het bijzonder in artikel 5 onder 6. De aanleiding daarvoor is gelegen in een passage in de mailwisseling, die als bijlage is gevoegd bij het hiervoor genoemde derde stuk.

18. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft aan de voorgaande raadslieden de volgende vraag voorgelegd:

Is er besproken dat het niet kunnen benutten van die detentiefasering op een of andere wijze gecompenseerd zou worden. Is er destijds een rekensom gemaakt erop uitkomende dat zijn detentie er als volgt uit zou komen te zien:

24 jaar -/- 50% korting = 12 jaar -/- 4 jaar VI = 8 jaar (96 maanden)

96 maanden -/- 18 maanden detentiefasering = 78 maanden

78 maanden -/- 8 maanden (verrekening (deel) uitgezeten voorlopige hechtenis/straf in de wapenzaak = 70 maanden (5 jaar en 10 maanden)”

Door mr. [naam 4] is daar onder meer op geantwoord: “De berekening (…) hieronder, herinner ik mij ook als wat (rechtbank: mr. [naam 1] ) mij had verteld. Ik meen dat (rechtbank: mr. [naam 1] ) in dit verband ook nog zei dat het een ‘gentleman’s agreement’ was met [naam 3] .”

19. De rechtbank wil duidelijkheid over deze reactie op de voorgehouden berekening. Daarom wordt bepaald dat mr. [naam 4] over deze passage als getuige zal worden gehoord door de rechter-commissarissen en, zo de rechter-commissarissen daartoe aanleiding zien, daarna mr. [naam 3] . In het geval mr. [naam 4] zich op zijn verschoningsrecht beroept en dat beroep wordt gehonoreerd, bepaalt de rechtbank dat deze passage ter reactie wordt voorgelegd aan mr. [naam 3] . De rechtbank laat het aan de rechter-commissarissen op welke wijze dit gebeurt, schriftelijk of bij getuigenverhoor.

20. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de andere verzochte getuigen te horen. Mochten de rechter-commissarissen daartoe aanleiding zien naar aanleiding van de beantwoording van vragen over de betreffende passage, dan kunnen zij daartoe alsnog besluiten. De rechtbank bepaalt ambtshalve dat dit onderzoek in de zaken van alle verdachten zal plaatsvinden. Daarom kan een beslissing op de verzoeken tot aansluiting achterwege blijven.

21. Ten aanzien van het verzoek om voeging van stukken overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank hecht de pleitnota en de daarbij overgelegde stukken aan het proces-verbaal van de zitting van 20 mei 2022 van verdachte [verdachte 1] . Daarmee zijn deze stukken in zijn persoonsdossier gevoegd. De rechtbank ziet voorshands geen aanleiding deze stukken te voegen in de zaken van alle andere verdachten, nu de rechtbank de door haar relevant geachte delen ten behoeve van de verhoren hierboven heeft geciteerd.

In de zaak van verdachte [verdachte 2]

Verzoek met betrekking tot het horen van getuigen

22. De verdediging van verdachte [verdachte 2] heeft verzocht om een getuigenverhoor van de medeverdachten [verdachte 10] en [verdachte 11] , en van [verdachte 12] . Daarnaast verzoekt de verdediging om het verhoor van het familielid van [verdachte 10] waarover deze heeft verklaard in zijn politieverhoor van 7 maart 2022 en ter terechtzitting van 21 april 2022, indien hij bereid is de gegevens van dat familielid bekend te maken.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

23. Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat ten aanzien van verdachte [verdachte 10] eerst aan zijn verdediging zou moeten worden gevraagd of hij bereid is om de naam van het familielid te noemen. Hij heeft zich immers eerder op dat punt op zijn verschoningsrecht beroepen. Het verzoek om het getuigenverhoor van het familielid is gedaan onder de voorwaarde dat verdachte [verdachte 10] daarvan de gegevens verstrekt, maar daaraan is nog niet voldaan. De getuigen [verdachte 11] en [verdachte 12] hebben eerder aangegeven zich als getuigen op hun verschoningsrecht te zullen beroepen. Deze verzoeken moeten dan ook worden afgewezen, aldus het Openbaar Ministerie.

Oordeel van de rechtbank

24. De rechtbank is van oordeel dat er verdedigingsbelang bestaat bij het verhoor van de verzochte getuigen. Zij zal de verzoeken tot het horen van [verdachte 10] , [verdachte 11] en [verdachte 12] als getuige toewijzen, en de zaak daartoe verwijzen naar de rechter-commissarissen. Zij kunnen dan – al dan niet via de bij de rechter-commissarissen bekende raadslieden – inventariseren of deze getuigen nu wel bereid zijn om vragen te beantwoorden, en vervolgens beslissen of een verhoor van hen zinvol is. Met betrekking tot het familielid van verdachte [verdachte 10] beslist de rechtbank dat deze getuige gehoord dient te worden als daarvan (uit het getuigenverhoor van verdachte [verdachte 10] ) gegevens bekend worden die oproeping mogelijk maken.

In de zaken van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 9] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]

Verzoek met betrekking tot het horen van de partner van de kroongetuige als getuige

Inleiding

25. De rechtbank heeft in september 2020 de partner van de kroongetuige als getuige toegewezen in de zaken van de verdachten [verdachte 13] , [verdachte 3] , [verdachte 8] , [verdachte 2] en [verdachte 14] . De onderwerpen waarover zij diende te worden bevraagd waren de telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit het zaaksdossier Roos/Doorn. Nadien hebben raadslieden van enkele verdachten aangegeven af te zien van dit verhoor en hebben anderen juist aangegeven bij dit verhoor te willen aansluiten. Uiteindelijk diende dit verhoor nog plaats te vinden in de zaken van de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 9] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] .

26. Het verhoor bij de rechter-commissarissen was gepland op 12 mei 2022. Op 10 mei 2022 hebben de rechter-commissarissen aan de betrokken procespartijen laten weten een aankondiging van de advocaat van de getuige te hebben ontvangen dat de getuige mogelijk op bepaalde vragen een beroep zou doen op een familiair verschoningsrecht ex artikel 217 lid 3 Sv. De rechter-commissarissen gaven daarbij aan desgevraagd een nadere onderbouwing te hebben gekregen en verder onderzoek te hebben gedaan, maar in verband met de veiligheid van de getuige slechts beperkt weergave hiervan te kunnen doen. Voorts gaven de rechter-commissarissen aan te hebben besloten dat de getuige – hoewel zij niet gehuwd of geregistreerd partner is (geweest) – een familiair verschoningsrecht toekomt.

27. De raadslieden van meerdere verdachten hebben op 12 mei 2022 voor aanvang van het verhoor bezwaar gemaakt tegen deze beslissing van de rechter-commissarissen en hebben verzocht deze beslissing te herzien. Dit hebben de rechter-commissarissen niet gedaan. Uiteindelijk hebben de raadslieden van de verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 9] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] de rechter-commissarissen gewraakt. Het verhoor van de partner van de kroongetuige heeft vervolgens op 12 mei 2022 slechts plaatsgevonden in de zaak van verdachte [verdachte 1] .

28. De wrakingskamer heeft de wrakingsverzoeken bij beslissing van 17 mei 2022 afgewezen. De schriftelijke vastlegging van deze uitspraak is op 19 mei 2022 aan de procespartijen verzonden. De rechtbank heeft op 20 mei 2022, kort voor aanvang van de zitting, een afschrift van deze beslissing ontvangen.

Verzoek van de verdediging

29. De verdediging van de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht om de partner van de kroongetuige alsnog ter zitting als getuige te horen.

Samengevat stelt de verdediging dat de rechter-commissarissen voorafgaand aan het verhoor een buitenwettelijk en nooit eerder toegepast criterium hebben toegepast om de getuige een verschoningsrecht toe te kennen als ware zij getrouwd met de kroongetuige, of zijn geregistreerd partner. De rechter-commissarissen hebben kennelijk alleen op grond van informatie van de advocaat van de getuige en iemand van de beveiliging vastgesteld dat de kroongetuige en zijn partner zeker zouden zijn getrouwd of een geregistreerd partnerschap zouden zijn aangegaan, als de veiligheid dat zou hebben toegelaten. Die wens blijkt echter niet uit de bij de verdediging bekende communicatie. De uitzondering die de rechter-commissarissen op het belang van de waarheidsvinding maken is dus niet alleen in strijd met de wet, maar vindt ook geen grondslag in de feiten. De rechter-commissarissen hebben geen consultatie van de verdediging nodig geacht bij deze belangenafweging en deze niet nader gemotiveerd in het kader van de waarheidsvinding. Ook hebben zij de raadslieden niet als toehoorder toegelaten bij het verhoor in de zaak van verdachte [verdachte 1] , toen dit na de wraking toch plaatsvond en daar door de raadslieden om was verzocht. Dit alles verdraagt zich niet met een eerlijk proces. In het kader van dat eerlijk proces maar ook in het kader van een efficiënte voortgang wordt daarom verzocht om de partner van de kroongetuige ter zitting als getuige te horen. Subsidiair verzoekt de verdediging om na kennisname van het verhoor van 12 mei 2022 de gelegenheid te krijgen zich tot de rechtbank te wenden om zich uit te laten over de noodzaak voor de rechtbank tot het zelf horen van de getuige.

30. De verdediging van de verdachte [verdachte 3] heeft bepleit dat het verhoor van de partner van de kroongetuige nog, conform de beslissing van de rechtbank, plaats dient te vinden en dat een verhoor op de zitting de voorkeur heeft van de verdediging. Subsidiair voert zij aan dat hieromtrent nog een regiezitting zou moeten plaatsvinden. De raadslieden van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 9] hebben zich bij dit verzoek aangesloten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

31. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verdedigingsbelang bij het nader horen van deze getuige is komen te vervallen. Zij heeft tijdens het verhoor vrijwel alle vragen over de door de rechtbank toegewezen onderwerpen beantwoord en geen beroep gedaan op het aan haar toegekende verschoningsrecht. Het verdedigingsbelang tot het horen van deze getuige was destijds alleen in de zaak van verdachte [verdachte 13] onderbouwd en zijn verdediging heeft het verzoek tot het horen van deze getuige ingetrokken. De verdediging van de andere verdachten heeft het verzoek tot het horen van deze getuige niet onderbouwd, maar om praktische redenen heeft de rechtbank besloten dat het verhoor ook in die zaken zou kunnen plaatsvinden. Zonder nadere onderbouwing valt echter niet in te zien hoe de verdediging van andere verdachten belang kan hebben bij het stellen van nadere vragen aan deze getuige, aldus het Openbaar Ministerie.

Nagekomen stukken

32. De rechtbank heeft na de zitting van 20 mei 2022 het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 mei 2022 in de zaak van verdachte [verdachte 1] ontvangen. Daarnaast heeft de rechtbank op 27 mei 2022 door middel van een e-mailbericht een terugkoppeling van de rechter-commissarissen ontvangen met een aantal bijlagen. De rechter-commissarissen doen daarbij – kort gezegd – het verzoek om te bepalen dat genoegzaam is voldaan aan de opdracht de partner van de kroongetuige te horen, nu alle door de rechtbank geformuleerde vragen zijn beantwoord en het opnieuw organiseren van een dergelijk verhoor beveiligingsmaatregelen met zich brengt. De verdediging van de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft op 28 mei 2022 gereageerd en de rechtbank verzocht het e-mailbericht van de rechter-commissarissen niet bij de besluitvorming te betrekken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een regiezitting te plannen, waarop de rechter-commissarissen dienen te worden gehoord.

Oordeel van de rechtbank

33. De stelling van de verdediging dat een vervolgverhoor van de partner van de kroongetuige ter zitting plaats zou moeten vinden in het kader van een eerlijk proces en een efficiënte voortgang, volgt de rechtbank niet. De rechtbank constateert dat de argumenten die de verdediging hiervoor aandraagt dezelfde zijn als die ten grondslag lagen aan het inmiddels afgewezen wrakingsverzoek en dat het telkens rechterlijke (proces)beslissingen betreft waar door de rechter-commissarissen verslag van is gedaan en die uiteindelijk aan de rechtbank voorgelegd kunnen worden. Dat daarmee een eerlijk proces in het gedrang komt is onvoldoende onderbouwd. Omdat het kabinet rechter-commissaris bij uitstek toegerust is om verhoren met stringente veiligheidsmaatregelen te organiseren, kan ook niet gezegd worden dat het efficiënter zou zijn als een dergelijk verhoor door de rechtbank gedaan zou worden.

34. Voordat de rechtbank echter kan beslissen of de rechter-commissarissen een vervolgverhoor dienen te organiseren, dient de vraag beantwoord te worden of er nog wel een verdedigingsbelang is om dit te doen. In augustus 2020 is het verzoek om de partner van de kroongetuige als getuige te doen horen ter zitting toegelicht door de verdediging van verdachte [verdachte 13] , met een motivering die op zijn zaak was toegesneden. Het verzoek werd echter mede gedaan namens de andere verdachten die op dat moment door raadslieden verbonden aan kantoor Ficq&Partners werden bijgestaan en is door de rechtbank in al die zaken toegewezen. Recente aansluitverzoeken zonder nadere motivering heeft de rechtbank toegestaan. Thans doet de situatie zich voor dat de partner van de kroongetuige als getuige is gehoord in de zaak van verdachte [verdachte 1] over de door de rechtbank bepaalde onderwerpen en dat het proces-verbaal van dit verhoor is gevoegd in de zaken van alle verdachten. Of er – in het licht van wat zij reeds verklaard heeft in de zaak van verdachte [verdachte 1] over de onderwerpen waarover het verhoor diende te gaan – thans nog enig verdedigingsbelang bestaat om haar als getuige te horen in de andere zaken, kan de rechtbank op dit moment onvoldoende beoordelen.

35. Het proces-verbaal van het verhoor van 12 mei 2022, de terugkoppeling van de rechter-commissarissen daaromtrent en de reactie daarop van de verdediging van de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] waren tijdens de regiezitting van 20 mei 2002 nog niet beschikbaar. De rechtbank vindt dat het debat over de vraag of de partner van de kroongetuige nog een keer als getuige gehoord moet worden, op korte termijn op de zitting gevoerd dient te worden. Op 30 juni 2022 is een regiezitting in de zaak van verdachte [verdachte 3] gepland. De rechtbank schat in dat voor de regie in die zaak de middag wellicht voldoende is en stelt zich daarom voor dat deze kwestie met de procespartijen die het aangaat wordt besproken op 30 juni 2022 tussen 10.00 uur en (uiterlijk) 12.00 uur. De raadslieden van de verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 9] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] worden verzocht de onderbouwing van het verdedigingsbelang dat zij nog menen te hebben bij een nader verhoor van de partner van de kroongetuige uiterlijk 23 juni 2022 schriftelijk aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie te doen toekomen. Indien er raadslieden zijn die afzien van het geven van een schriftelijke onderbouwing, houdt de rechtbank het ervoor dat zij daarmee aangeven geen verdedigingsbelang meer te hebben bij een nader verhoor.

36. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] , geen aanleiding om de rechter-commissarissen op de zitting (van 30 juni 2022) te horen. De vraag of de getuige bij een eventueel nader verhoor een familiair verschoningsrecht ex artikel 217 lid 3 Sv toekomt zal op die zitting wat de rechtbank betreft geen onderwerp van gesprek zijn. In zijn algemeenheid geldt dat de beoordeling of aan een getuige een dergelijk verschoningsrecht toekomt aan de verhorend rechter is. De rechtbank heeft uiteraard kennis genomen van de discussie over dit onderwerp voorafgaand aan het verhoor van 12 mei 2022, de correspondentie hierover in aanloop naar de beslissing van de wrakingskamer en de argumenten die gewisseld zijn op de regiezitting van 20 mei 2022. Op dit moment is deze discussie echter academisch. Tot op heden heeft de getuige zich er immers niet op beroepen. De vraag of de rechtbank tot dezelfde beslissing zou komen komt pas in beeld op het moment dat de getuige zich bij de rechter-commissarissen bij relevante vragen op haar verschoningsrecht beroept, de rechter-commissarissen dit beroep honoreren en de rechtbank nadien hieromtrent om een beslissing wordt gevraagd.

37. Samenvattend wordt het verzoek om de partner van de kroongetuige als getuige (nader) te horen aangehouden ter verdere bespreking op de zitting van 30 juni 2022 om 10.00 uur. In het geval de rechtbank geen schriftelijke onderbouwing van het verdedigingsbelang daarbij ontvangt van de verdedigingen die dit aangaat op uiterlijk 23 juni 2022, zal het verzoek worden afgewezen.

In de zaken van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6]

Verzoeken naar aanleiding van de inzage in de artikel 565 Sv (oud)-BOB stukken

38. Naar aanleiding van de inzage in de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken heeft de verdediging verzoeken gedaan om specifieke stukken (vermeld in de punten 1 tot en met 13 in het verzoek) uit deze inzage te voegen in het dossier. Alleen het verzoek onder nummer 13 wordt tevens gedaan in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 7] . Voor het overige zien de verzoeken op de zaken van verdachte [verdachte 6] . Onder punt 1 gaat het om vorderingen met betrekking tot het opvragen van verkeersgegevens op grond van artikel 126n Sv waarbij de op grond van de Prokuratuur-jurisprudentie vereiste voorafgaande rechterlijke toetsing niet heeft plaatsgevonden. De verzoeken onder de punten 2 tot en met 4 zien op vorderingen die betrekking hebben op bezoeken aan de raadsvrouw in mei 2019 en november 2019. De verzoeken onder 5 tot en met 13 zien op aanvragen, vorderingen en machtigingen die zijn ingezet op gebruikers van SKY-toestellen. Volgens de verdediging is het noodzakelijk de verzochte stukken te voegen zodat zij in staat is verweren te voeren over de bevoegdelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van de ingezette opsporingsmiddelen, de eerbiediging van het verschoningsrecht en de te verbinden rechtsgevolgen aan de geconstateerde schendingen van rechten. De rechtbank dient bij de beoordeling van de verweren van de verdediging een zo volledig mogelijk beeld van het handelen van politie en justitie te hebben, aldus de verdediging.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

39. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle verzoeken moeten worden afgewezen. De vorderingen onder punt 1 zijn inderdaad gedaan zonder dat vooraf een rechterlijke machtiging was verkregen terwijl dat achteraf bezien, ingevolge het Prokuratuur-arrest, wel had gemoeten. Echter, volgens de Hoge Raad in zijn recente arrest van 5 april 2022 naar aanleiding van dat Prokuratuur-arrest, leidt het ontbreken van een machtiging alleen tot enig gevolg op grond van artikel 359a Sv als met de vordering bewijs tegen de verdachte is verkregen. Daarvan is hier geen sprake omdat de vorderingen niet voor het verkrijgen van bewijs zijn gedaan maar met het oog op de opsporing ter aanhouding van verdachte [verdachte 6] . Er is ook geen bewijs door middel van deze inzet verkregen. Verder geldt volgens het Openbaar Ministerie dat het voor een beoordeling van het verweer op dit punt niet nodig is om alle aanvragen en vorderingen ex artikel 126n Sv te voegen in het dossier.

De vorderingen onder de punten 2 tot en met 4 zien op telecomonderzoek waarmee is geprobeerd een verblijfplaats van verdachte [verdachte 6] te achterhalen. Dat telecomonderzoek is ingestoken via bekende contacten van hem en vanaf daar is door gerechercheerd naar zendmastlocaties en toestellen die mogelijk konden worden toegeschreven aan verdachte [verdachte 6] . Dat onderzoek is niet gegaan via telecomgegevens van zijn advocaat. Overigens geldt dat het opvragen van verkeersgegevens geen inbreuk maakt op het verschoningsrecht (Hoge Raad 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6016).

De opsporingsbevoegdheden genoemd onder de punten 5 tot en met 13 zijn specifiek ingezet om de verblijfplaats van verdachte [verdachte 6] te achterhalen. In dat kader zijn historische verkeersgegevens opgevraagd van drie IMEI-nummers die mogelijk bij hem in gebruik waren, en van enkele van zijn contacten. Het doel van die bevragingen was om inzicht te krijgen in de mogelijke zendmastlocaties waarvan deze toestellen gebruik maakten. Ook hoopte men zo andere toestellen van verdachte [verdachte 6] te kunnen identificeren. Vervolgens is ten aanzien van die zendmasten een mastbevraging gedaan, hetgeen nieuwe toestellen opleverde. Op een aantal IMEI-nummers werd vervolgens een datatap gezet om live zendmastlocaties mee te krijgen. Voor zover er is getapt, is daarvoor steeds voorafgaand een machtiging van de rechter-commissaris verkregen. Ten aanzien van de vorderingen 126n Sv die in dit verband zijn gedaan, heeft het Openbaar Ministerie verwezen naar wat het over het verzoek onder punt 1 heeft betoogd. Volgens het Openbaar Ministerie mist de onderbouwing van de verdediging van haar verzoeken – dat er sprake is van een buitenproportionele en veralgemeende opsporing zonder genoegzame wettelijke regeling en onafhankelijke rechterlijke controle – feitelijke grondslag, zodat de verzoeken moeten worden afgewezen. Subsidiair heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat volstaan kan worden met het voegen in het dossier van de index van de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken.

Oordeel van de rechtbank

40. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de vorderingen onder punt 1 zijn gedaan op grond van artikel 126n Sv zonder dat vooraf een rechterlijke machtiging was verkregen. Voeging van deze stukken om dit aan te tonen is daarom overbodig. Voeging is ook niet nodig om een onderbouwd verweer te kunnen voeren over de omvang van de schending van een vormverzuim omdat het Openbaar Ministerie daarover al heeft medegedeeld dat de vorderingen op grond van dit artikel circa 960 pagina’s beslaan. Daarmee is voorshands voldoende indicatie verkregen van de omvang. De algemene stelling van de verdediging dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid ook de beperking van de groep wiens gegevens het mag betreffen, van belang is, vormt onvoldoende onderbouwing om tot voeging te beslissen.

41. Met betrekking tot de onder 2 tot en met 4 genoemde stukken heeft het Openbaar Ministerie verwezen naar zijn eerdere reactie van 13 april 2021. Daarin staat uitgelegd, samengevat, dat de desbetreffende mastbevraging in mei 2019 is gedaan om achteraf, aan de hand van telecomgegevens, vast te kunnen stellen of de zus van verdachte [verdachte 6] destijds over een tweede PGP-toestel beschikte, en wat de aanleiding was voor dit onderzoek. Ook is in die reactie uiteengezet dat geen voor het onderzoek Marengo relevante resultaten zijn verkregen en geen sprake is geweest van inzet op een geheimhouder of van het beperken van vrije toegang tot een advocaat. De raadsvrouw heeft echter gesteld dat dit onderzoek in november 2019 is herhaald en dat haar uit de inzage is gebleken dat het Openbaar Ministerie de feiten niet juist heeft weergegeven. De raadsvrouw heeft andere voorbeelden aangehaald, waaronder de observatie van twee advocaten in Dubai, op grond waarvan zij stelt dat sprake is van een patroon in de werkwijze van politie en Openbaar Ministerie waarbij contact met een verschoningsgerechtigde leidraad is geworden bij de opsporing. Dit patroon beperkt zich volgens de verdediging niet tot het onderzoek Marengo. De rechtbank kan, gelet op deze onderbouwing, de verdediging dan ook volgen als zij stelt dat kennisname van de stukken noodzakelijk is zodat de rechtbank verweren over de aard en omvang van (eventuele) schendingen ten aanzien van het verschoningsrecht volledig kan beoordelen. De rechtbank wijst daarom toe de verzoeken onder 2 tot en met 4. Het betreft de voeging van:

- de vordering 126m/n Sv (map 1) pagina’s 1026 – 1040 (13/997016-19) die volgens de verdediging ziet op twee IMEI-nummers die resultaat zijn van onderzoek naar aanleiding van het opvragen van verkeersgegevens rondom een bezoek aan de advocaat op 14 mei 2019;

- de vordering 126n Sv (map 3) pagina’s 2272 – 2283 (13/997016-19) die volgens de verdediging ziet op twee IMEI-nummers die resultaat zijn van onderzoek naar aanleiding van het opvragen van verkeersgegevens rondom een bezoek aan de advocaat op 14 mei 2019 en

- de vordering 126 ng Sv (map 4) pagina’s 3255 – 3280 van aanvulling 8 maart (13/997016-19) waarmee volgens de verdediging mastgegevens te Rotterdam worden verzocht aan KPN, T-mobile, Tele2 en Vodafone van 6 november 2019 van 12:00-15:00, ten tijde van een gesteld bezoek aan de raadsvrouw.

42. De rechtbank wijst het verzoek om voeging van eventuele resultaten en/of een opgemaakt proces-verbaal af. De rechtbank gaat ervan uit dat voor zover voor het onderzoek Marengo relevante resultaten zijn verkregen en/of proces-verbaal is opgemaakt, dergelijke stukken al zijn gevoegd in het dossier. Voor de beoordeling van de aangekondigde verweren acht de rechtbank voeging van de verzochte (eventuele) andere stukken voorshands niet relevant.

43. Het verzoek tot voeging van de aanvragen en vorderingen genoemd onder de punten 5 tot en met 13 wordt afgewezen. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat ten behoeve van het aangekondigde verweer, dat sprake is van een buitenproportionele en veralgemeende opsporing zonder genoegzame wettelijke regeling en onafhankelijke rechterlijke controle, voeging van die stukken relevant is. Waar het gaat om het opvragen van verkeersgegevens wijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 40 is overwogen. Voor het tappen geldt dat niet in geschil is dat daartoe steeds een machtiging is verstrekt door de rechter-commissaris. De verdediging stelt dat kennisname van die stukken van belang is om te beoordelen of de rechter-commissaris die machtigingen in redelijkheid heeft kunnen verstrekken maar onderbouwt niet waarom voeging van die stukken nodig is om eventuele verweren op dit punt te kunnen voeren en te beoordelen. De enkele stelling, dat er getapt is op NN-gebruikers zonder dat een relatie met verdachte [verdachte 6] is vastgesteld, is daartoe voorshands onvoldoende.

44. Onder 14 van het verzoek heeft de verdediging nog gevraagd waarom het Openbaar Ministerie de mastgegevens uit Marokko niet via een rechtshulpverzoek heeft gevorderd maar deze bij KPN heeft opgevraagd. Het Openbaar Ministerie heeft daarop geantwoord dat die gegevens bij KPN zijn opgevraagd omdat deze zich daar bevonden. De rechtbank gaat ervan uit dat op dit punt geen beslissing van de rechtbank meer nodig is.

Verzoeken naar aanleiding van de beslissing van 1 april 2021 1

45. De verdediging heeft in het verzoek onder B1 verzocht een vindplaats te noemen van een toegezegd proces-verbaal over een controle van PGP-berichten in de zaaksdossiers Kreta en Rudolf en, ervan uitgaande dat dit het proces-verbaal LERAC17002-5792 betreft, over dat proces-verbaal een reeks vragen gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft geantwoord dat het inderdaad het desbetreffende proces-verbaal met genoemd nummer van 19 april 2021 betreft, dat dit is gevoegd in de op 3 mei 2021 verstrekte tweede aanvulling op het einddossier (pagina’s 730 – 733) en het heeft vervolgens de vragen van de verdediging beantwoord. Bij repliek is de raadsvrouw hier niet meer op teruggekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat op dit punt geen beslissing van de rechtbank nodig is. De rechtbank wijst er (nogmaals) op dat het praktischer is dergelijke vragen rechtstreeks aan het Openbaar Ministerie te stellen.

46. In het verzoek onder B2 heeft de verdediging de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie (en met betrekking tot bepaalde vragen ook het NFI en de rechter-commissaris) opdracht te geven vragen te beantwoorden naar aanleiding van het proces-verbaal LERDA15008-1729 van 14 april 2021 (tweede aanvulling op het einddossier, pagina’s 983 – 984) over de samenstelling van de Marengo-dataset. De verdediging heeft gewezen op de passage waarin staat dat het plan van aanpak naar Hansken wordt doorgezonden maar ook ‘ten behoeve van een vlotte uitvoering, een tekstbestand met daarin de termen die in de machtiging zijn gehonoreerd’. De verdediging vraagt hierover wat in dit kader met ‘Hansken’ wordt bedoeld en welke termen daadwerkelijk zijn ingevoerd door het Hansken support team om de dataset ten behoeve van Marengo samen te stellen. De verdediging vraagt of daarmee volgens het NFI het plan van aanpak gevolgd is, danwel of zich, samengevat, hetzelfde heeft voorgedaan als in het onderzoek Tandem II. Als ook alle e-mailadressen als zoekterm zijn ingevoerd (in plaats van de mailboxen bij die e-mailadressen) heeft de verdediging verzocht:

  1. van het NFI te vernemen hoe berichten kunnen worden gemist die behoren bij de mailboxen als de e-mailadressen van die mailboxen als zoekterm zijn ingevoerd;

  2. van zowel het Openbaar Ministerie als het NFI als de rechter-commissaris te vernemen of volgens deze drie betrokken partijen (ieder voor zich) het plan van aanpak voorstelt om de bijnamen door alle data te halen als zoekterm of enkel binnen de in het plan van aanpak genoemde (en dus geïdentificeerde) e-mailaccounts.

47. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen. Dit antwoord komt er in de kern op neer dat uit het proces-verbaal LERDA15008-1729 blijkt dat er ten tijde van Tandem II nog geen duidelijke procedures waren, dat die nadien zijn opgesteld en dat bij het samenstellen van de Marengo-dataset conform die procedure is gehandeld en dat de gebruikte termen staan beschreven in de diverse plannen van aanpak die in het dossier zijn gevoegd. De rechtbank begrijpt de verdediging aldus dat zij zich ook na kennisneming van dit proces-verbaal niet voldoende geïnformeerd acht. In het bijzonder dat de verdediging niet afdoende kan controleren of er daadwerkelijk volgens het goedgekeurde plan van aanpak is gewerkt of toch (zoals volgens de raadsvrouw in Tandem II is gebeurd) is gewerkt met een lijst van zoektermen die niet met dat plan van aanpak overeenkomt. De rechtbank acht de verstrekte informatie daarover echter voorshands afdoende. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

48. De rechtbank merkt bovendien op dat de verdediging over dit proces-verbaal al eerder – bij repliek van 26 april 2021 – soortgelijke en andere vragen heeft gesteld waarop het Openbaar Ministerie op de regiezitting in december 2021 heeft gereageerd. Deze reactie heeft kennelijk toen en op de volgende regiezitting geen aanleiding gegeven voor het stellen van nadere vragen. Naar het oordeel van de rechtbank hadden de huidige vragen niet alleen eerder gesteld kunnen worden, maar mag van de verdediging ook verwacht worden dat in een laat in de procedure ingediend verzoek de noodzakelijkheid daarvan concreet wordt onderbouwd.

Verzoeken naar aanleiding van het bij e-mail van 13 mei 2022 verstrekte proces-verbaal aanvullende PGP-berichten zaaksdossier Rudolf van 11 mei 2022 (LERAC17002-6693)

49. Ter terechtzitting van 20 mei 2022 heeft de raadsvrouw nog enkele vragen aan het Openbaar Ministerie gesteld naar aanleiding van het (recent) verzonden proces-verbaal met aanvullende PGP-berichten van 11 mei 2022. Desgevraagd heeft het Openbaar Ministerie mondeling toegelicht dat dit PGP-berichten zijn die al in de Marengo-dataset zaten, nog niet in het dossier waren gevoegd, maar bij het maken van het requisitoir (toch) van belang werden geacht. Ook heeft het uitgelegd dat het altijd mogelijk is dat alsnog berichten worden ontsleuteld maar dat momenteel niet actief wordt geïnvesteerd in nieuwe technieken om nog niet ontsleutelde berichten leesbaar te maken. Ook kunnen nieuwe berichten beschikbaar komen als een inbeslaggenomen telefoon wordt ontsleuteld. De rechtbank gaat ervan uit dat de vragen van de verdediging hiermee afdoende zijn beantwoord.

In de zaak van verdachte [verdachte 6]

Verzoeken om informatie over de rol van de AIVD en MIVD

50. De verdediging van verdachte [verdachte 6] heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen informatie te verschaffen over de aard en omvang van de rol van de AIVD en eventueel de MIVD bij de opsporing en informatieverzameling ten aanzien van verdachte [verdachte 6] . De verdediging heeft gewezen op de recente publicaties op de website crimesite.nl over de aanwezigheid van medewerkers van de AIVD in Dubai in het jaar van de aanhouding van verdachte [verdachte 6] en de bezoeken die AIVD-medewerkers aan Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten en Marokko hebben gebracht. Ook is gewezen op de omstandigheid dat de AIVD in januari 2020 volgens een ambtsbericht gegevensdragers in ontvangst heeft genomen van de autoriteiten van Dubai en vervolgens direct heeft overgedragen aan het onderzoeksteam Marengo. De herkomst van die goederen is verder niet verantwoord en inmiddels is materiaal, afkomstig van die aan de AIVD overgedragen gegevensdragers, toegevoegd aan het dossier. Daarmee is het relevant geworden om (onder andere) de rechtmatige verkrijging te kunnen controleren. De verdediging heeft tenslotte gewezen op de mededeling van de Minister van Justitie en Veiligheid in 2019 dat de AIVD zou worden ingezet voor de opsporing van verdachte [verdachte 6] . De reactie van het Openbaar Ministerie, dat deze diensten niet zijn ingezet in het kader van de zoektocht naar verdachte [verdachte 6] en ook geen opsporingshandelingen ten aanzien van verdachte [verdachte 6] hebben verricht, is in het licht van de gestelde feiten en omstandigheden niet begrijpelijk. Daarom wordt een nadere toelichting gevraagd. Na de reactie van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging (bij repliek) specifiek antwoord verzocht op de volgende vragen:

  • -

    is er sprake van geweest dat de AIVD en/of MIVD zouden optreden bij opsporing van verdachte [verdachte 6] ?;

  • -

    is er een opdracht in dat kader gegeven aan de diensten?;

  • -

    zo ja, is deze geweigerd of teruggegeven, gelet op de stelling van het Openbaar Ministerie dat de AIVD geen betrokkenheid heeft gehad? Dit terwijl de AIVD nota bene wel rond de periode van de aanhouding van verdachte [verdachte 6] in Dubai was, de gegevensdragers van de autoriteiten van Dubai kreeg overgedragen en de uitlatingen van de ministers;

  • -

    zo ja, waarom is deze opdracht geweigerd of teruggegeven?

Standpunt van het Openbaar Ministerie

51. Het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat de AIVD en de MIVD niet door het Openbaar Ministerie of de politie zijn ingezet in het kader van het strafrechtelijk onderzoek (ter aanhouding) van verdachte [verdachte 6] , dat er vanuit het Openbaar Ministerie geen bijstandsverzoek ex artikel 95 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017) is gedaan en dat de AIVD en de MIVD niet belast zijn geweest met de opsporing van strafbare feiten/ter aanhouding in opdracht van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft, uitgaande van de juistheid van het artikel op crimesite.nl, geen wetenschap van jaarlijkse bezoeken van de AIVD aan de regio in de periode 2017 – 2020. De AIVD is op grond van de artikelen 93 en 94 van de Wiv 2017 wel op de hoogte gehouden. Het Openbaar Ministerie weet niet waarom de autoriteiten van Dubai de telefoons via de AIVD aan Nederland hebben verstrekt. De gegevensdragers zijn op grond van artikel 66 van de Wiv 2017 met het in het dossier gevoegde ambtsbericht van 14 januari 2020 met het Openbaar Ministerie gedeeld, aldus tenslotte het Openbaar Ministerie.

Oordeel van de rechtbank

52. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de vragen van de verdediging inhoudelijk heeft beantwoord. Uit die beantwoording begrijpt de rechtbank dat de AIVD en MIVD volgens het Openbaar Ministerie geen rol hebben gespeeld bij de opsporing van verdachte [verdachte 6] en ook niet bij de informatieverzameling tegen verdachte [verdachte 6] . Verder begrijpt de rechtbank uit de beantwoording en het betreffende ambtsbericht dat de AIVD de door de autoriteiten van Dubai aan haar overhandigde gegevensdragers in ontvangst heeft genomen, verzegeld en overgedragen aan het Openbaar Ministerie. De omstandigheid dat de verdediging kennelijk meent dat de feitelijke gang van zaken anders moet zijn geweest, in het licht van de door haar gestelde feiten en omstandigheden, neemt niet weg dat een inhoudelijk antwoord op de gestelde vragen is gekomen. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd thans geen aanleiding te bepalen dat de vragen verdergaand beantwoord moeten worden. Het debat op dit punt kan bij pleidooi worden gevoerd. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

In de zaak van verdachte [verdachte 7]

Verzoek met betrekking tot historische verkeersgegevens

53. De verdediging van verdachte [verdachte 7] heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om de historische verkeersgegevens van twee aan verdachte toegeschreven telefoons in de vorm van zendmastlocaties te plaatsen tegen de door verdachte aangegeven verblijfplaatsen in de periode van oktober 2016 tot en met maart 2017, te weten voor 95% van de tijd aan de [adres] en de overige 5% in muziekstudio’s. Het onderzoek zou kunnen uitwijzen of de aan verdachte toegeschreven telefoons inderdaad voor 95% van de tijd, in elk geval gedurende de nacht, een zendmast in de buurt van de [adres] hebben aangestraald en of andere aangestraalde zendmasten binnen het bereik van een muziekstudio vallen. Bij repliek heeft de raadsman subsidiair verzocht of dit onderzoek dan tenminste gedaan kan worden voor de periode van enkele dagen voor tot enkele dagen na de van belang zijnde data.

Oordeel van de rechtbank

54. De rechtbank begrijpt de verdediging zo dat verdachtes stelling dat hij genoemde telefoons niet gebruikte, zou worden ondersteund als deze telefoons niet, of niet vaak, zendmasten bij de door verdachte genoemde plaatsen aanstraalden. De rechtbank kan de redenering van verdachte niet volgen. Hetgeen hij stelt omtrent zijn verblijfplaatsen is immers niet te staven met harde feiten. Indien de telefoons in die periode deze zendmasten niet of niet vaak hebben aangestraald blijft dus de mogelijkheid open dat verdachte wel de gebruiker van de telefoons was, maar dat hij zich niet bevond op de door hem genoemde locaties. In dat licht is de relevantie van het verzochte onderzoek onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

In de zaak van verdachte [verdachte 8]

Verzoek met betrekking tot inzage in locatiegegevens

55. De verdediging van verdachte [verdachte 8] heeft verzocht om verstrekking ter inzage van onderliggende locatiegegevens van de telefoonnummers eindigend op * [nummer] , * [nummer] en * [nummer] en BlackBerry-toestel met het adres [adres nummer] . Verdachte zou de gebruiker zijn geweest van deze nummers en de verdenking dat hij bij spotactiviteiten betrokken is geweest, berust in overwegende mate op locatiegegevens van die toestellen. Ter terechtzitting heeft de raadsman toegelicht dat hij zelf onderzoek wil doen naar de zendmastlocaties en wil kunnen zien of bepaalde nummers elkaar bellen en of ze uiteen lopen qua plaats.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

56. Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de historische verkeersgegevens (inclusief zendmastlocaties) van de dagen die van belang zijn voor de verdenkingen van verdachte [verdachte 8] al in het dossier zijn gevoegd en dat bij de ruwe verkeersgegevens de zendmastlocaties niet zijn opgenomen. De zendmasten worden aangeduid met steeds wisselende codes, die kunnen worden omgezet naar zendmastlocaties. Aan de hand van de ruwe verkeersgegevens kan het eigen onderzoek dus niet worden gedaan, hetgeen tot afwijzing van het verzoek moet leiden. Als specifieke dagen of tijdstippen moeten worden onderzocht die relevant zijn, kan de verdediging dit verzoek doen. Het toevoegen van de zendmastlocaties is echter een arbeidsintensieve klus voor de politie, aldus het Openbaar Ministerie.

Oordeel van de rechtbank

57. De rechtbank beschouwt het verzoek van de verdediging als een verzoek als bedoeld in artikel 34 lid 2 Sv. Met inzage in de ruwe data waaruit de zendmastlocaties niet rechtstreeks zijn af te leiden kan de verdediging wellicht niet het onderzoek doen dat zij beoogt, maar er is geen reden om haar die inzage niet te geven. Dat verzoek wordt daarom toegewezen. De rechtbank laat het aan het Openbaar Ministerie en de verdediging over om afspraken te maken over de wijze waarop de verdediging op een handzame wijze inzage kan worden verschaft in de ruwe verkeersgegevens. De rechtbank merkt daarbij op dat het Openbaar Ministerie de gevraagde ruwe gegevens pas hoeft te verstrekken als de raadsman aangeeft dat hij de gegevens onder deze omstandigheden daadwerkelijk wil inzien. De rechtbank verwijst de verdediging ten aanzien van de koppeling met de zendmastlocaties naar het aanbod van het Openbaar Ministerie ten aanzien van specifieke dagen of tijdstippen.

In de zaak van verdachte [verdachte 10]

Vragen van de verdediging

58. De raadsman heeft het Openbaar Ministerie gevraagd waarom het in de toelichting op het onderzoek geen melding heeft gemaakt van de aan het dossier toegevoegde stukken uit de zaak Rotonde, waaronder een getuigenverhoor van verdachte bij de rechter-commissaris uit april 2016 en een proces-verbaal met betrekking tot een telefoongesprek. Verder heeft de raadsman gevraagd wanneer het beeldmateriaal kan worden verwacht dat het Openbaar Ministerie wil presenteren tijdens het requisitoir.

Reactie van het Openbaar Ministerie

59. Het Openbaar Ministerie heeft hierop geantwoord dat de toegevoegde stukken vooral van belang zijn in de zaak van verdachte en eerder in zijn zaak zijn toegelicht. Over de visualisatie heeft het Openbaar Ministerie gemeld dat het hoopt in de loop van volgende week een proces-verbaal hierover te verspreiden en dat het in die visualisatie gaat om circa tien afbeeldingen uit de TGO-dossiers Kreta, Roos/Doorn en Ster die nog niet in het dossier Marengo zijn opgenomen.

Oordeel van de rechtbank

60. De rechtbank stelt vast dat na deze antwoorden geen verzoeken aan haar zijn gericht zodat op deze punten geen beslissing hoeft te volgen.

In de zaken van alle verdachten

Overige verzoeken en vragen

61. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende regiezitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.

1 ECLI:NL:RBAMS:2021:1507