Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:2964

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2022
Datum publicatie
09-06-2022
Zaaknummer
13/041122–22
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Art. 12 OLW. Art. 11 OLW. OL toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/041122–22

RK nummer: 22/942

Datum uitspraak: 16 mei 2022

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 februari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 december 2021 door de Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon– of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 28 april 2022

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 april 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven, en door een tolk in de Bulgaarse taal.

Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden tot de zitting van 12 mei 2022 om de beantwoording af te wachten van de op 10 april 2022 door de officier van justitie aan de Poolse autoriteiten gestelde vragen.

Zitting 12 mei 2022

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 12 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam, namens de raadsman mr. F.A. de Leeuw, en door een tolk in de Bulgaarse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van de District Court for Warszawa–Śródmieście in Warsaw van 30 maart 2021, onherroepelijk geworden op 7 april 2021 (referentienummer: V K 358/19).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien maanden en éénentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het verzamelvonnis van 30 maart 2021 heeft geleid, en dat dit vonnis – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank gebruik moet maken van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zij bij de politie haar adres in Bulgarije heeft opgegeven en zij betwist uitdrukkelijk dat zij de oproep voor de terechtzitting en – naderhand – het vonnis heeft ontvangen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank moet afzien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren. Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon in de onderzoeksfase in Polen een adres heeft opgegeven in Bulgarije. De oproep, overige instructies over het proces en het vonnis zijn naar dit adres verzonden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 18 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3253).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat uit het EAB en de aanvullende informatie van 27 april 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek in deze zaak een adres in Bulgarije heeft opgegeven, dat zij op de hoogte was van de feiten waarvan zij werd verdacht en dat zij er rekening mee moest houden dat zij op dat adres officiële correspondentie over (het vervolg van) de procedure zou ontvangen. Uit de aanvullende informatie blijkt ook dat het bericht met betrekking tot de oproep voor de terechtzitting, de overige instructies over het proces (inclusief de mededeling dat een beslissing kon worden genomen wanneer zij niet op het proces zou verschijnen) en – naderhand – het vonnis naar dit adres in Bulgarije zijn gestuurd. Uit het EAB volgt dat de oproep en overige instructies over het proces niet werden opgehaald van het postkantoor, waarna de beslissing bij verstek is genomen. Ook het vonnis werd niet opgehaald, zo blijkt uit de aanvullende informatie. Gelet op deze omstandigheden, die, minst genomen, een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon aantonen, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, nu de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.

5 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

6 Artikel 11 OLW

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.1

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van dat grondrecht.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, moet de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.


Aldus gedaan door

mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,

mrs. J.G. Vegter en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 mei 2022.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.