Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:292

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2022
Datum publicatie
02-02-2022
Zaaknummer
13/265404-19 (zaak A) en 13/307134-20 (zaak B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man wordt veroordeeld voor poging tot verkrachting in een taxi en diefstal van een telefoon. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Vrijspraak van dwang tot afgifte van 50 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/265404-19 (zaak A) en 13/307134-20 (zaak B) (Promis)

Datum uitspraak: 25 januari 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende op het adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.C. Bennis, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. van Oosten, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van wat mr. Van Egmond, namens de benadeelde partij [aangeefster 1] , naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

in zaak A:

poging tot verkrachting van [aangeefster 1] op 3 augustus 2019 te Amsterdam door geweld of een andere feitelijkheid, doordat hij met haar naar een verlaten plek is gereden, de autoportieren heeft vergrendeld zodat ze niet kon uitstappen, haar heeft vastgepakt, geprobeerd heeft zijn tong in haar mond te duwen, haar borsten heeft betast, haar hoofd naar zijn kruis heeft geduwd, haar hand op zijn ontblote penis heeft gelegd, haar heeft gemaand hem af te trekken en de knoop van haar broek heeft geopend, subsidiair ten laste gelegd als feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

in zaak B:

  1. diefstal van een mobiele telefoon die toebehoorde aan [aangeefster 2] op 23 oktober 2020 te Amsterdam;

  2. het op 23 oktober 2020 te Amsterdam door geweld of een andere feitelijkheid [aangeefster 2] dwingen tot afgifte van vijftig euro door haar mobiele telefoon uit haar kontzak weg te nemen en deze enkel terug te geven na betaling van dat geldbedrag.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A primair en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van zaak A

De officier van justitie heeft daarbij ten aanzien van zaak A gewezen op de drie verklaringen die aangeefster [aangeefster 1] bij de politie heeft afgelegd, waarbij zij steeds duidelijk en consistent heeft verklaard. De verklaringen van [aangeefster 1] worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier, te weten het DNA-rapport, het proces-verbaal over het digitale onderzoek naar de boordcomputer van de taxi, de chatberichten tussen [aangeefster 1] en haar vriendin [naam] en de emotionele wijze waarop [aangeefster 1] is aangetroffen door de politie. Ook heeft de officier van justitie erop gewezen dat uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij die avond seks wilde, wat wordt ondersteund door de volstrekt onlogische route die hij heeft gereden en de ongeloofwaardige verklaring die hij daarover heeft afgelegd.

Ten aanzien van zaak B

De officier van justitie heeft ten aanzien van zaak B gewezen op de aangifte van [aangeefster 2] , die wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] , de processen-verbaal omtrent de camerabeelden en de omstandigheid dat er bij de aanhouding van verdachte op zijn lichaam op twee verschillende plekken briefjes van 50 euro zijn aangetroffen. Daar komt bij dat de opgegeven signalementen door zowel [aangeefster 2] als [getuige] overeenkomen met het uiterlijk van verdachte en zij verdachte allebei hebben herkend op de foto die is gemaakt bij zijn aanhouding en later aan hen is getoond.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van zaak A

De raadsman heeft er in zaak A op gewezen dat niet kan worden uitgesloten dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [aangeefster 1] met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden, zoals verdachte heeft verklaard. Voordat [aangeefster 1] in de taxi van verdachte stapte, was zij bevattelijk voor zijn avances en hebben zij gezoend. Verdachte is vervolgens via Amsterdam-Noord gereden omdat hij daar een pinautomaat wist die zich in de buurt van een rustige plek bevond. Nadat [aangeefster 1] had aangegeven dat ze ergens wilde roken, heeft verdachte dit opgevat als de wens om ergens te gaan chillen en is hij naar die rustige plek gereden, waarna er enige seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat verdachte met [aangeefster 1] naar een verlaten plek is gereden niet kan worden aangemerkt als dwangmiddel. Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de autodeuren ten tijde van de seksuele handelingen daadwerkelijk op slot zaten en ook niet dat de dwang eruit heeft bestaan dat verdachte [aangeefster 1] zodanig heeft vastgepakt en/of zich aan haar heeft opgedrongen dat zij zich daartegen niet heeft kunnen verweren. Ook kan het voor dwang vereiste (voorwaardelijke) opzet niet worden bewezenverklaard. Verdachte heeft op geen enkel moment het idee gehad dat [aangeefster 1] zich in de auto onprettig voelde en uit het dossier blijkt niet dat hij had moeten weten dat dit het geval was. [aangeefster 1] heeft dit op geen enkel moment aan hem kenbaar gemaakt en verdachte is direct gestopt met de handelingen toen hij het idee kreeg dat [aangeefster 1] aan het ‘afhaken’ was.

Ten aanzien van zaak B

De raadsman heeft er in zaak B op gewezen dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. Slechts [aangeefster 2] is getuige geweest van de feiten. Op de camerabeelden zijn de ten laste gelegde gedragingen niet zichtbaar, al zou dit volgens de verklaring van [aangeefster 2] wel het geval moeten zijn. Ook getuige [getuige] heeft de ten laste gelegde feiten niet zelf waargenomen. Het enkele aantreffen van twee biljetten van vijftig euro kan niet als belastend bewijs worden beschouwd, nu er geen forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat één van die biljetten afkomstig was van [aangeefster 2] . Daarnaast is verdachte aangehouden op basis van een zeer algemeen signalement dat op belangrijke punten verschilt met zijn uiterlijk. Ook komt de door [aangeefster 2] en [getuige] gegeven beschrijving van de fiets niet overeen met de fiets die onder verdachte is aangetroffen en zijn de kenmerkende elementen van de fiets die door [aangeefster 2] en [getuige] worden genoemd, te weten de reflecterende letters, niet zichtbaar op de foto. Voorts mag volgens vaste rechtspraak aan de fotoherkenningen zoals die in dit dossier hebben plaatsgevonden geen bewijskracht worden toegekend. De fotoherkenningen voldoen aan geen enkel betrouwbaarheidscriterium. Een enkelvoudige fotoconfrontatie kan als opsporingsmethode worden gehanteerd, maar absoluut niet als bewijsmateriaal. Daartoe dient de met waarborgen omgeven procedure van de (F)Osloconfrontatie te worden gevolgd.

Subsidiair heeft de raadsman er ten aanzien van feit 2 op gewezen dat het enkele wegnemen van een mobiele telefoon onvoldoende is om te spreken van dwang. Bovendien is de mobiele telefoon teruggegeven vóórdat de betaling plaatsvond, waardoor dit feit niet bewezen kan worden verklaard.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot verkrachting (zaak A primair). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op de vroege ochtend van 3 augustus 2019 is aangeefster [aangeefster 1] na een avond stappen tijdens de Gay Pride in Amsterdam op zoek naar een taxi om haar naar huis te brengen. Terwijl zij tevergeefs probeert om via haar telefoon een taxi te bestellen, komt zij verdachte op straat tegen. Verdachte biedt aan om [aangeefster 1] met zijn taxi naar haar woning in de [wijk] te brengen. [aangeefster 1] stemt daarmee in. Verdachte rijdt vervolgens met [aangeefster 1] naar Amsterdam-Noord, waar zij geld pint om voor de rit te betalen. Verdachte rijdt daarna naar een stille plek en gaat achterin de auto naast [aangeefster 1] zitten. Uit de verklaringen van [aangeefster 1] volgt dat verdachte onderweg de autoportieren had vergrendeld, vervolgens in de auto zijn broek en onderbroek heeft uitgedaan, haar geprobeerd heeft een tongzoen te geven, haar hardhandig naar zich toe heeft getrokken en haar borsten heeft aangeraakt, haar hoofd naar zijn kruis heeft geduwd, haar hand op zijn ontblote geslachtsdeel heeft gelegd, haar heeft gemaand hem af te trekken en heeft geprobeerd haar broek open te maken.

[aangeefster 1] heeft verder verklaard dat zij verdachte meerdere keren heeft gezegd dat ze naar huis wilde en dat ze zich heeft verzet tegen de seksuele handelingen van verdachte. Zo heeft [aangeefster 1] onder meer haar lippen stijf op elkaar gehouden toen verdachte haar probeerde te zoenen en heeft zij meerdere keren gezegd dat ze het niet wilde. Daarnaast heeft [aangeefster 1] geprobeerd om verdachte af te weren en hield ze haar benen stevig over elkaar toen hij haar broek probeerde open te maken.

De verklaringen van [aangeefster 1] zijn consistent en vinden in belangrijke mate steun in de overige bewijsmiddelen, met name de Whatsappberichten. [aangeefster 1] heeft vanuit de auto van verdachte de volgende Whatsappberichten naar haar vriendin [naam] gestuurd: “ . Ik zit in een vage taxi. Maar voel me echt mega mega mega arelaxed. Ik stuur je mijn locatie. Wat hier klopt echt niks van. Ik heb al paar x gevraagd waarom hij zo omrijdt. [naam] . [naam] . Please ben je daar.” En even daarna stuurde [aangeefster 1] [naam] de volgende Whatsappberichten: “ . Ik ben net bijna verkracht. Volg me alsjeblieft. Alsjeblieft t”. Ook weegt de rechtbank mee dat [aangeefster 1] hevig geëmotioneerd uit de auto is gestapt op het moment dat de auto van verdachte gestopt werd door de politie.

Voor het standpunt van verdachte dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden is geen steun in het dossier te vinden. Integendeel, de rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [aangeefster 1] vast dat verdachte wist dat [aangeefster 1] geen seksueel contact wilde.

De gedragingen van verdachte - dat hij het hoofd van [aangeefster 1] naar zijn ontblote geslachtsdeel heeft geduwd en met zijn hand in haar broek wilde gaan nadat hij de knoop en gulp had geopend - zijn naar het oordeel van de rechtbank een begin van uitvoering van verkrachting. Het rijden naar een verlaten plek, het op slot doen van de deuren en het vastpakken en naar zich toetrekken van [aangeefster 1] zijn feitelijkheden waarmee [aangeefster 1] werd gedwongen tot het tegen haar wil ondergaan van seksuele handelingen. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is verdachte niet uit zichzelf gestopt met de seksuele handelingen toen hij merkte dat [aangeefster 1] ‘afhaakte’, maar was zijn stoppen het gevolg van het verzet en de afleidingstactieken van [aangeefster 1] (zo zei ze dat ze een tandprothese had om verdachte niet te hoeven pijpen).

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat sprake is geweest van een poging tot verkrachting.

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank vindt de diefstal van een telefoon (zaak B, feit 1) wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dwang tot afgifte van vijftig euro (zaak B, feit 2).

Feit 1 – diefstal van een telefoon

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 24 oktober 2020 doet [aangeefster 2] aangifte van diefstal van haar telefoon. Zij verklaart onder meer dat zij op de avond van 23 oktober 2020 door het centrum van Amsterdam fietste toen er een jongen naast haar kwam fietsen die haar aansprak. Nadat [aangeefster 2] hem maande door te fietsen, pakte hij haar telefoon uit de achterzak van haar broek. Hij is er vervolgens vandoor gefietst met haar telefoon, waarna [aangeefster 2] achter hem aan is gefietst.

Anders dan de raadsman en met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier voldoende bewijs bevindt dat de verklaring van [aangeefster 2] ondersteunt. De rechtbank verwijst naar de verklaring van getuige [getuige] , waaruit blijkt dat hij [aangeefster 2] om hulp heeft horen roepen en het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden van [bedrijf] , waaruit blijkt dat [aangeefster 2] – zoals zij ook in haar aangifte heeft verklaard – achter een persoon aanfietst die volgens de verbalisant voldoet aan het signalement van verdachte.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de telefoon. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. [aangeefster 2] en [getuige] hebben beiden ter plekke, op straat, een signalement van de man en zijn fiets doorgegeven aan de politie. Op basis van dat signalement gaat de politie op zoek. De politie ziet verdachte vervolgens fietsen in de Amstelstraat, wat in de nabijheid is van het Muntplein waar [getuige] de man die hij achtervolgde voor het laatst had gezien. Na zijn aanhouding maakt de politie een foto van verdachte. [aangeefster 2] en [getuige] hebben beiden (onafhankelijk van elkaar) deze foto gezien, en herkennen beiden op de foto de man tegen wie aangifte is gedaan. Anders dan door de raadsman is aangevoerd staat geen rechtsregel eraan in de weg om - met de daarbij gepaste behoedzaamheid - gebruik te maken voor het bewijs van de verklaring van een getuige die de dader van een strafbaar feit zegt te herkennen op een deze bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto. De herkenningen in deze zaak zijn naar het oordeel van de rechtbank om de volgende redenen betrouwbaar en daarom geschikt om als bewijs te worden gebruikt. [aangeefster 2] en [getuige] hebben beiden enige tijd oog in oog met de dader gestaan en hem (aan)gesproken. Zij hebben hem dus goed kunnen zien, niet slechts vluchtig. Het tonen van de foto heeft kort na het feit, binnen 24 uur, plaatsgevonden en was bedoeld om te controleren of de juiste verdachte was aangehouden. [aangeefster 2] heeft verklaard dat ze verdachte voor 100% herkent, [getuige] heeft verklaard verdachte 200% zeker te herkennen.

Feit 2 - dwang tot afgifte van een geldbedrag

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde in zaak B feit 2. De rechtbank begrijpt dat [aangeefster 2] zich gedwongen voelde om aan verdachte een biljet van vijftig euro te overhandigen. Maar het feit is zo ten laste gelegd dat bewezen moet worden dat verdachte haar zou hebben gedwongen tot afgifte van een geldbedrag door haar mobiele telefoon slechts terug te geven na betaling van dat geldbedrag. Omdat uit het dossier volgt dat [aangeefster 2] verdachte vijftig euro overhandigde nadat zij haar telefoon al had teruggekregen, kan de rechtbank niet komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde en spreekt zij verdachte daarvan vrij.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder zaak B, feit 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage II gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van zaak A, primair:

op 3 augustus 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door een feitelijkheid [aangeefster 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , met die [aangeefster 1] naar een verlaten plek is gereden, de autoportieren heeft vergrendeld zodat die [aangeefster 1] niet kon uitstappen, die [aangeefster 1] heeft vastgepakt en zich aan die [aangeefster 1] heeft opgedrongen, zijn tong in de mond van die [aangeefster 1] heeft trachten te duwen, de borsten van die [aangeefster 1] heeft betast, het hoofd van die [aangeefster 1] naar zijn kruis heeft geduwd, de hand van die [aangeefster 1] op zijn ontblote penis heeft gelegd, die [aangeefster 1] heeft gemaand hem af te trekken en de knoop van de broek van die [aangeefster 1] heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van zaak B, feit 1:

op 23 oktober 2020 te Amsterdam een mobiele telefoon die aan [aangeefster 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, inclusief oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de reclassering, te weten een meldplicht en ambulante behandeling. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de ernst van de feiten, waarbij voornamelijk de poging tot verkrachting als een zeer ernstig feit dient te worden bestempeld. Uit de slachtofferverklaring van [aangeefster 1] blijkt dat zij veel last van dit feit heeft gehad. Er dient alles aan te worden gedaan dat verdachte niet opnieuw recidiveert. Daarom is het belangrijk dat verdachte wordt behandeld. De officier van justitie heeft bij de hoogte van de straf rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de omstandigheid dat het in zaak A gaat om een oud feit.

8.2

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht aan verdachte een al dan niet voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De raadsman heeft daarbij onder meer gewezen op de omstandigheid dat het in zaak A gaat om een oud feit en de redelijke termijn is geschonden. Uit het meest recente reclasseringsrapport blijkt onder meer dat er geen aanwijzingen bestaan voor psychische problematiek en/of seksueel deviante interesses bij verdachte. Voorts heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Als gevolg van de verdenking in zaak A is hij een tijd depressief geweest, onder meer omdat zijn taxipas was ingenomen en hij zijn broodwinning kwijt was. Verdachte heeft zijn leven inmiddels weer uitstekend op de rit. Hij heeft werk en doet een opleiding. Daarnaast heeft hij een partner en een zoontje van enkele maanden oud.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Poging tot verkrachting is een zeer ernstig feit. Verdachte deed alsof hij [aangeefster 1] , een jonge vrouw die hij niet kende, met zijn taxi naar haar woning zou brengen. In plaats daarvan is hij naar een afgelegen plek gereden en heeft hij de deuren op slot gedaan, waardoor zij niet aan hem kon ontsnappen. Vervolgens is hij met ontbloot geslachtsdeel naast haar gaan zitten en heeft hij geprobeerd haar te verkrachten. Door het verzet en de afleidingsmanoeuvres van [aangeefster 1] is het bij een poging gebleven. Verdachte heeft op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op [aangeefster 1] ’s lichamelijke en psychische integriteit. [aangeefster 1] nam een taxi met het vertrouwen dat zij veilig thuis zou worden gebracht. Dat vertrouwen heeft verdachte op ernstige wijze beschaamd. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort misdrijven daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring van [aangeefster 1] , die ter terechtzitting is voorgedragen door haar advocaat, blijkt ook dat deze gebeurtenis voor haar zeer ingrijpend is geweest en nog steeds is. Zo durft zij ’s avonds niet meer alleen over straat en draagt ze altijd de angst met zich mee dat het opnieuw gebeurt. Ze gaat niet meer zorgeloos door het leven.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een brutale diefstal. Hij is naast een 16-jarig meisje gaan fietsen en heeft haar telefoon uit haar achterzak gepakt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 december 2021. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van verschillende adviezen van de reclassering, waaronder het advies van 9 december 2021 van Reclassering Nederland, opgemaakt door reclasseringswerker M. Blok. Omdat verdachte ontkent, heeft de reclassering geen zicht gekregen op de totstandkoming van het delictgedrag. Uit het onderzoek zijn geen aanwijzingen voor psychische problematiek en/of seksueel afwijkende interesses naar voren gekomen. Als de verdachte wordt veroordeeld, adviseert de reclassering diagnostiek, behandeling en een reclasseringstoezicht op te leggen.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zijn taxipas als gevolg van de verdenking in zaak A moeten inleveren, waardoor hij zijn gekozen beroep niet meer kan uitvoeren. Daarnaast heeft verdachte sinds het plegen van de strafbare feiten hard gewerkt om zijn leven weer op de rit te krijgen. Hij heeft een opleiding gevolgd tot elektricien, is getrouwd, heeft een kind en een eigen woning.

Ook is door de rechtbank acht geslagen op het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor verkrachting. Bij een voltooid delict is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Bij een poging is gebruikelijk dat de straf met ongeveer een derde wordt verminderd.

Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat in zaak A sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat een verdachte recht heeft op berechting van zijn zaak binnen een termijn van twee jaar. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt vast dat de termijn in dit geval is aangevangen op 3 augustus 2019, te weten de datum waarop verdachte is aangehouden, verhoord en in verzekering is gesteld. Het onderhavige vonnis is gewezen op 25 januari 2022. De overschrijding in zaak A is bijna een half jaar.

Alles overwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan een deel voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden opleggen met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Vanwege het tijdsverloop en het feit dat verdachte zijn leven op dit moment op orde lijkt te hebben, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden. Op dit punt wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie.

9 Beslag: teruggave in beslaggenomen geld in zaak B

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld in zaak B, te weten twee biljetten van 50 euro, die aan verdachte toebehoren.

10. De vordering van de benadeelde partij in zaak A en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij in zaak A, te weten [aangeefster 1] , vordert € 26.708,29 aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.1

Standpunten ter terechtzitting

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat dit volgens hem bij uitstek een civiele zaak betreft.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering een veel te grote belasting voor het strafproces vormt en via een civiele procedure dient te worden afgedaan. Daarnaast mist een onderbouwing waaruit het causale verband tussen de gevorderde posten en de gebeurtenissen blijkt, zoals een rapport van een psycholoog.

10.2

Oordeel van de rechtbank

De vordering tot materiele schadevergoeding

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot materiële schadevergoeding, te weten de schade door een jaar studievertraging, gemiste inkomsten, kosten van het vliegticket naar Canada en kosten eigen risico. Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat de gebeurtenis een grote impact op het leven van [aangeefster 1] heeft (gehad), is de rechtbank van oordeel dat de vordering op dit moment onvoldoende is onderbouwd. Behandeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het toelaten van nadere bewijslevering zou immers betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering tot immateriële schadevergoeding

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, waaronder dat zij nog nooit zo bang is geweest en niet meer ’s avonds alleen over straat durft, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.000,00. Het meer gevorderde aan immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangeefster 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A, primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van zaak A rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Anders dan is opgenomen in de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), acht de rechtbank daarbij gijzeling voor de maximale duur van 30 dagen passend.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 242 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A primair en zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A primair:

poging tot verkrachting

ten aanzien van zaak B feit 1:

diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Gelast de teruggave aan verdachte van 2 biljetten van 50 euro.

Verklaart [aangeefster 1] niet-ontvankelijk in haar vordering tot materiele schadevergoeding.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 1] voornoemd.

Wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.K. Oosterling – van der Maarel, voorzitter,

mrs. E.G.C. Groenendaal en C. Wildeman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2022.

[(...)]