Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:2689

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2022
Datum publicatie
10-08-2022
Zaaknummer
AMS 21/4192
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verzocht om intrekking van een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning op grond van artikel 5.19, eerste lid, onder a, van de Wabo. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit verzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/4192

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. R.H. van Duivenboden),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: M. Hop).

Als derde-partij heeft de vergunninghouder aan het geding deelgenomen: [de persoon], te Amsterdam.

Procesverloop

Met een besluit van 30 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om intrekking van een omgevingsvergunning afgewezen.

Met een besluit van 5 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2022. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder was gemachtigde aanwezig. Vergunninghouder was eveneens aanwezig.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure

1. Verweerder heeft op 3 december 2019 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het herstellen van de fundering van het pand [adres 1] in Amsterdam (hierna: de vergunning). Tegen het besluit tot vergunningverlening is geen bezwaar gemaakt, waardoor de vergunning onherroepelijk is geworden.

2. Eiseres, eigenaar en gebruiker van het pand [adres 2] in Amsterdam, heeft op 5 juni 2020 aan verweerder verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning op grond van artikel 5.19, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De vergunning is volgens eiseres verleend op basis van onjuiste gegevens. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen.

Het standpunt van eiseres

3. Eiseres voert aan dat vergunninghouder bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, omdat hij niet heeft vermeld dat het pand [adres 1] verbonden is met de de panden [adres 3] en [adres 2] . Ook heeft hij volgens eiseres ten onrechte niet vermeld dat het pand op [adres 1] als scharnierpand functioneert tussen twee bouwblokken. Dat de panden verbonden zijn, blijkt uit het rapport van ingenieur [naam 1] van 11 juni 2020. Het blijkt volgens eiseres tevens uit het rapport van bureau [naam 2] van 7 augustus 2020, dat in opdracht van vergunninghouder is opgesteld. Eiseres voert verder aan dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De uitspraak in de civiele procedure is voldoende om dat aan te nemen, zo blijkt volgens eiseres uit rechtspraak.1 De vergunning had daarom volgens eiseres nooit verleend mogen worden.

Het oordeel van de rechtbank

4. Op grond van artikel 5.19, eerste lid, onder a, van de Wabo kan verweerder een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Bij toepassing van die bevoegdheid komt verweerder beleidsruimte toe. Dit heeft tot gevolg dat de rechter terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning moeten alle in aanmerking te nemen belangen worden betrokken en tegen elkaar worden afgewogen.2 Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van vergunninghouder.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt ten gevolge waarvan de vergunning is verleend. De aanvraag voor de vergunning is destijds onderbouwd met een rapport van [bedrijf] van 18 juni 2019 waarin onder andere staat dat de bouwmuren tussen de panden [adres 3] en [adres 1] gescheiden zijn. Dat vervolgens na het onherroepelijk worden van de vergunning tijdens het uitvoeren van werkzaamheden discussie is ontstaan over of, en zo ja, op welke wijze de panden zijn verbonden – waarover overigens nog immer geen definitief uitsluitsel is – maakt niet dat gezegd kan worden dat sprake is van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens ten gevolge waarvan de vergunning is verleend. De door de civiele rechter opgelegde bouwstop maakt dit oordeel niet anders. Verweerder mocht daarnaast, gelet op de rechtszekerheid, zwaar gewicht toekennen aan de door vergunninghouder verkregen rechten. Alles overwogen heeft verweerder in redelijkheid het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken kunnen afwijzen.

6. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, oordeelt de rechtbank dat ook dit geen grond oplevert voor een geslaagd beroep. Het eventuele bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering kan bij (het verzoek om) intrekking van een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning op grond van artikel 5.19, eerste lid, onder a, van de Wabo geen rol spelen, maar had in een bezwaarprocedure tegen de vergunningverlening zelf aangevoerd moeten worden. Reeds hierom slaagt ook deze beroepsgrond niet. Hetgeen is overwogen in de uitspraken waar eiseres naar heeft verwezen, maakt dit oordeel niet anders.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

8. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Camps, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2022.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Eiseres verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:221 en van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:523.

2 Dit volgt bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69.