Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:2656

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2022
Datum publicatie
17-05-2022
Zaaknummer
13/058534-21 (A); 13/225679-21 (B); 13/320733-21 (C) en 13/332777-21 (D) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 33-jarige man is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk onder meer omdat hij op 21 augustus 2021 in Amstelveen een man in zijn schouder stak. Ook maakte hij zich schuldig aan diefstal met geweld en een flink aantal diefstallen al dan niet samen met en aan heling van een bestelbus en een scooter. De rechtbank neemt het advies van de reclassering over om hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met voorwaarden op te leggen. Ook moet hij ruim 1100 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers 13/058534-21 (A); 13/225679-21 (B); 13/320733-21 (C) en 13/332777-21 (D) (Promis)

Datum uitspraak: 17 mei 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd in het [naam] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2022 en 3 mei 2022.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H. Pentinga naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Zaak A

1. hij op of omstreeks 21 februari 2021 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere fusten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Coöperatieve Bloemenveiling Floraholland, althans aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 1] (beveiligingsmedewerker te Royal Flora Holland), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door deze [naam 1] in het gezicht te slaan/stompen en/of deze [naam 1] te duwen en/of aan die [naam 1] te trekken;

2. hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bloemen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan een tot op heden onbekend gebleven (rechts)persoon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 2] (beveiligingsmedewerker bij Flora Holland), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door deze [naam 2] in de buik te trappen en/of door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je doodsteken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 15 mei 2020 tot en met 27 februari 2021 te Aalsmeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) bloemen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Farm Direct Netherlands BV en/of Vrolijk Bloemen BV en/of [naam B.V.] en/of Starflor Distributiecentrum BV en/of [naam 3] , althans (rechts)personen gevestigd in/aan Coöperatieve Bloemenveiling Floraholland, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4. hij op of omstreeks 21 oktober 2020 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere fusten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Greenflor BV en/of Coöperatieve Bloemenveiling Floraholland, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming, namelijk door over het hek heen te klimmen;

5. hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 20 november 2020 tot en met 27 februari 2021 te Amstelveen en/of Aalsmeer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) twee, althans één of meer bestelbussen (merk Fiat, type Ducato en/of merk Iveco) en/of een bromfiets (merk Piaggio), althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Zaak B

primair

hij, op of omstreeks 21 augustus 2021 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de schouder, althans in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij, op of omstreeks 21 augustus 2021 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steek- en/of snijwond in de schouder, althans in het lichaam, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam te steken en/of te snijden;

meer subsidiair

hij, op of omstreeks 21 augustus 2021 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de schouder, althans in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair

hij, op of omstreeks 21 augustus 2021 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de schouder, althans in het lichaam te steken en/of te snijden;

Zaak C

hij op of omstreeks 28 november 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, een bromfiets (merk: Piaggio), althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Zaak D

hij, op of omstreeks van 28 november 2021 te Amsterdam, een laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Mediamarkt (vestiging [vestigingsadres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A ten laste gelegde feiten, behoudens het navolgende. Voor feit 1 dient verdachte te worden vrijgesproken van het onderdeel medeplegen, nu niet is gebleken dat er mededaders zijn. Voor de diefstallen van de bloemen gepleegd op 23 februari 2021 en 19/20 februari 2021, ten laste gelegd als onderdeel van feit 3, dient vrijspraak te volgen in verband met het ontbreken van steunbewijs. Verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan de overige onder feit 3 ten laste gelegde diefstallen. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak B, meer subsidiair ten laste gelegde, zodat vrijspraak dient te volgen voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. Voor de in zaken C en D ten laste gelegde heling respectievelijk diefstal, dient verdachte, wegens onvoldoende bewijs, eveneens te worden vrijgesproken.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, kort gezegd, bepleit dat verdachte voor zaak A vrijgesproken moet worden voor de onder 2 tot en met 5 ten laste legde feiten wegens het ontbreken van bewijs. Voor de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld, dient verdachte te worden vrijgesproken van de geweldscomponent. Ten aanzien van de diefstal refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Vrijspraak dient ook te volgen voor het onder zaak B ten laste gelegde vanwege het ontbreken van opzet. Daarnaast zijn de verwondingen niet te kwalificeren als zwaar letsel. Tot slot is er onvoldoende bewijs voor de beschuldigingen zoals ten laste gelegd in zaak C en D.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Zaak A

Diefstal met geweld jegens [naam 1] (feit 1)

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld. Zowel uit de aangifte van [naam 1] als uit de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat zij verdachte direct herkennen. Beide mannen verklaren dat zij al meerdere incidenten met verdachte hebben gehad. Uit de aangifte volgt verder dat verdachte [naam 1] met gebalde vuist in zijn gezicht heeft geslagen. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onderdeel medeplegen.

Diefstal met geweld jegens [naam 2] (feit 2)

De rechtbank acht de onder 2 ten laste gelegde diefstal met geweld niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De verdenking jegens verdachte is dat hij, al dan niet samen met een ander, bloemen zou hebben weggenomen. De rechtbank stelt op basis van de dossier vast dat verdachte de bloemen heeft achtergelaten in het toilet, waarna hij zonder de bloemen is weggereden. Naar het oordeel van de rechtbank valt het bovenstaande niet te kwalificeren als een voltooide diefstal, zoals onder 2 ten laste is gelegd. Nu een poging diefstal niet ten laste is gelegd zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. De vraag of er al dan niet geweld is gebruikt door verdachte behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen verdere bespreking.

Diefstal bloemen (feit 3)

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 ten laste gelegde diefstallen van bloemen op 15 mei 2020, 14 juni 2020, 23 september 2020 en 7 juni 2020. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De aangiften worden ondersteund door camerabeelden waarop verdachte wordt herkend. Er is sprake van een specifieke modus operandi. Verdachte is veelvuldig waargenomen op de bloemenveiling in Aalsmeer, waar hij meermalen is betrapt op diefstal van bloemen en fusten. Verdachte maakt hierbij gebruik van verschillende vervoersmiddelen die aan bekenden van hem toebehoren, zoals de scooter en auto, welke beiden op naam staan van zijn vader en in een ander geval de auto van medeverdachte [medeverdachte] . Gelet op het specifieke patroon in het gedrag van de verdachte gebruikt de rechtbank deze modus operandi in deze vier diefstallen dan ook schakelbewijs.

De rechtbank acht de diefstallen op 19/20 februari 2021 en 23 februari 2021 niet bewezen en overweegt daartoe als volgt. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In onderhavige zaak worden de aangiften van [naam 3] en [naam B.V.] niet ondersteund door andere bewijsmiddelen zodat verdachte van deze diefstallen wordt vrijgesproken.

Diefstal fusten (feit 4)

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 ten laste gelegde diefstal in vereniging. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte wordt herkend op de camerabeelden terwijl hij de fusten over het hek gooit. Op de camerabeelden wordt verder gezien dat medeverdachte [medeverdachte] de fusten meeneemt van de plek waar verdachte ze heeft achtergelaten.

Heling (feit 5)

Vrijspraak heling Fiat Ducato

Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot een veroordeling voor heling van de Fiat Ducato te komen. Uit het dossier is niet op te maken dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bus van misdrijf afkomstig was. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Dat is anders voor de Iveco bestelbus en de bromfiets. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de Iveco bus en de bromfiets. Voor het ten laste gelegde medeplegen is onvoldoende bewijs, waardoor verdachte voor dat onderdeel eveneens vrijgesproken dient te worden.

Zaak B

Poging doodslag, (poging) zware mishandeling, mishandeling

Vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvouw, van oordeel dat op grond van de in het dossier bevindende bewijsmiddelen poging doodslag en zware mishandeling niet kan worden bewezen. Dit betekent dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een mes heeft gepakt toen hij aangever schreeuwend voor de deur zag staan en dat hij ‘klaar was voor de oorlog’. In de worsteling die vervolgens is ontstaan heeft verdachte aangever in zijn schouder gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer je iemand met een mes steekt, zeker als dat in de buurt van de borststreek gebeurt, de kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij de ander aanmerkelijk is. Nu deze wetenschap bij een ieder mag worden verondersteld, dus ook bij verdachte, en hij desondanks heeft gehandeld zoals hij deed, heeft hij deze aanmerkelijke kans kennelijk ook bewust aanvaard. Aangever is er relatief goed vanaf gekomen, maar het had ook zomaar eens anders kunnen aflopen. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd acht de rechtbank daarmee opzet (in voorwaardelijke zin) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen.

Zaak C

Heling bromfiets

Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot een veroordeling voor heling te komen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de ten laste gelegde heling van de bromfiets.

Zaak D

Diefstal laptop Media Markt

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring van de diefstal op 28 november 2021, zoals te laste gelegd, te komen. De door de verdachte bekende diefstal bij de Mediamarkt op 11 december 2021 is niet ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrij spreken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A

1. op 21 februari 2021 te Aalsmeer, fusten, toebehorende aan Coöperatieve Bloemenveiling Floraholland, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [naam 1] (beveiligingsmedewerker te Royal Flora Holland), gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door deze [naam 1] in het gezicht te stompen;

3. op tijdstippen, in de periode van 15 mei 2020 tot en met 23 september 2020 te Aalsmeer, meermalen, telkens bloemen, toebehorende aan Farm Direct Netherlands BV en Vrolijk Bloemen BV heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4. omstreeks 21 oktober 2020 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met een ander, fusten, toebehorende aan Greenflor BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming, namelijk door over het hek heen te klimmen;

5. op tijdstippen, in de periode van 20 november 2020 tot en met 27 februari 2021 te Amstelveen en/of Aalsmeer, (telkens) één bestelbus (merk Iveco) en een bromfiets (merk Piaggio), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Zaak B

meer subsidiair

op 21 augustus 2021 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, in de schouder heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een veroordeling een gevangenisstraf conform voorarrest op te leggen, met daarbij een groot voorwaardelijk strafdeel en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is first offender. De delicten zijn gepleegd vanuit verslavingsproblematiek. Daarnaast is er bij verdachte sprake van een lichte verstandelijke beperking. Ook de wijkagent onderstreept het belang van een hulpverleningstraject/behandeltraject naast het opleggen van een straf. De raadsvrouw verzoekt deze omstandigheden mee te wegen bij de strafbepaling.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling, door [slachtoffer] met een mes in zijn schouder te steken en/of te snijden. Dit is een ernstig feit waarmee verdachte een onaanvaardbare inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke en fysieke integriteit van het slachtoffer. Dat het letsel van het slachtoffer beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Daaruit volgt eens te meer dat verdachte niet schuwt om geweld te gebruiken. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een flink aantal diefstallen, al dan niet samen met een ander, en aan heling van een bestelbus en een scooter. De diefstallen zijn gepleegd op voor hem, verdachte, bekend terrein, namelijk de Bloemenveiling, waarbij verdachte brutaal te werk is gegaan. Diefstal en heling zijn hinderlijke en ernstige feiten, die voor de slachtoffers, naast veel ongemak en materiële schade, ook een onveilig gevoel met zich meebrengen. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich geen moment bekommerd om de financiële en andere gevolgen van het delict voor de slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte er door zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

De hoeveelheid strafbare feiten en de omstandigheid dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, baart de rechtbank ernstig zorgen.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 25 april 2022 blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest. Deze zaken zijn afgedaan met een strafbeschikking.

De rechtbank heeft acht geslagen op de adviezen en de persoonlijke omstandigheden zoals die zijn gebleken uit de verschillende reclasseringsrapporten over verdachte. Uit het meest recente rapport van de reclassering van 26 april 2022, opgesteld door A. Belhadj, volgt dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen hij eerder aan de reclassering heeft aangegeven, op dit moment openstaat voor een reclasseringstoezicht en een behandeling gericht op zijn verslaving (alcohol, drugs en gokken). Er zou

sprake van externe motivatie, daar verdachte meermaals heeft aangegeven een goed rapport nodig te hebben om eerder in vrijheid gesteld te kunnen worden. De reclassering acht het risico op onttrekken aan voorwaarden dan ook hoog. Dit wordt versterkt door een eerder opgelegd schorsingstoezicht dat voortijdig negatief is beëindigd (27-08-2021). Ondanks dat de reclassering twijfels heeft bij de motivatie van verdachte zijn zij bereid hem nog een laatste kans te geven met betrekking tot een reclasseringstoezicht met voorwaarden. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank neemt dit advies over. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard om mee te werken met de reclassering. Hoewel de rechtbank de twijfels van de reclassering rondom de motivatie van verdachte deelt, ziet ook de rechtbank aanleiding om verdachte een laatste kans te geven om zijn leven te beteren middels een hulptraject van de reclassering.

Gelet op het aantal en de ernst van de feiten kan niet volstaan worden met een straf gelijk aan het voorarrest met daarbij een voorwaardelijk strafdeel, zoals door de raadsvouw is verzocht.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tot slot aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, een passende straf is. Van de 15 maanden zal de rechtbank 6 maanden voorwaardelijk opleggen, als stok achter de deur. Deze 6 maanden zullen niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich niet binnen een proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit. Ook zal verdachte zich moeten houden aan de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

[benadeelde partij] (zaak A, feit 5)

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 775,79 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit verschillende kostenposten met betrekking tot het herstel van de scooter, en € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan de vordering van een benadeelde partij, over een benadeling door diefstal, onder bijzondere omstandigheden worden toegerekend aan de heler van bij die diefstal buitgemaakte goederen. Van deze bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.

De benadeelde partij zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de, onder 5 in zaak A, bewezen verklaarde heling van de bromfiets.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

8.2.

[slachtoffer] (zaak B)

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 189,99 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit 50% van de nieuwwaarde van € 139,99 voor schoenen van het merk en type Nike Air Max, € 189,99 voor een jas en € 50,- voor een blouse, en daarnaast € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is voor wat betreft de materiële schade. De gevorderde immateriële schade dient gematigd te worden tot € 1.000,-.

De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade en verzoekt de rechtbank om de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen, gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij een steekwond in de schouder heeft opgelopen door toedoen van verdachte. Dat zijn (bebloede) schoenen, jas en blouse ten gevolge daarvan kapot zijn gegaan dan wel ernstig zijn beschadigd, is een logische gevolgtrekking. Hierdoor is aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade toegebracht. De gevorderde materiële schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het meer subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade, naar billijkheid, op een bedrag van € 1.000,-. Voornoemd bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 21 augustus 2021), tot de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in het meer subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.189,99 (duizend honderdnegenentachtig euro en negenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat het strafbare feit is gepleegd en de schade is ontstaan, te weten 21 augustus 2021.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 302, 310, 311, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 in zaak A, het primair en subsidiair in zaak B en het in zaak C en D ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A, feit 1

- diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van zaak A, feit 3

- diefstal, meermalen gepleegd;

ten aanzien van zaak A, feit 4

- diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf het verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

ten aanzien van zaak A, feit 5

- schuldheling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van zaak B, meer subsidiair

- poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op afspraken met Reclassering Inforsa te Amsterdam, zo vaak en zolang de

reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste

afspraak.

- Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

Veroordeelde laat zich behandelen door de Forensische Ambulante Zorg (FAZ, Inforsa) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of

zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

De reclassering kan bij terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

- Meewerken aan middelencontrole

Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te

beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de

controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

- Meewerken aan dagbesteding

Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan een traject gericht op dagbesteding in de vorm van

opleiding en/of werk, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij] ( zaak A, feit 5)

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

[slachtoffer] (zaak B)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 189,99,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 21 augustus 2021, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , aan de Staat € 1.189,99 (duizend honderdnegenentachtig euro en negenennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 21 augustus 2021, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 21 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J. van Zijl en S.H.M. Helder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2022.