Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:2282

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2022
Datum publicatie
29-04-2022
Zaaknummer
13/845059-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak internationale btw-fraude. Niet bewezen dat sprake was van fraude in de handelsketens van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845059-18 (Promis)

Datum uitspraak: 26 april 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[rechtspersoon] , hierna: [rechtspersoon] ,

gevestigd op het adres [adres] .

1 Inleiding

1.1.

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 7, 8, 10, 21 en 22 maart 2022 (inhoudelijke behandeling) en 26 april 2022 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.I.M. Geertsema en J.J.J. Schutte (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) en van wat de vertegenwoordiger van [rechtspersoon] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en haar raadslieden mrs. F.H.H. Sijbers en J.S. Spijkerman naar voren hebben gebracht.

1.2.

Achtergrond van de zaak

[rechtspersoon] is een van de verdachten in het onderzoek Hive, welk onderzoek voortvloeit uit een eerder onderzoek (genaamd Bumblebee) naar [B.V. 1] . (hierna: [B.V. 1] ) en [naam 2] . Het onderzoek Hive richt zich op de verdenking van btw-carrouselfraude waarbij Nederlandse bedrijven metaal hebben geleverd aan afnemers in het Verenigd Koninkrijk, terwijl die afnemers in het Verenigd Koninkrijk zouden hebben gefraudeerd met de aldaar geldende omzetbelasting (VAT; hierna ook: btw). [rechtspersoon] heeft rechtstreeks gehandeld met afnemers in het Verenigd Koninkrijk en heeft ook gehandeld met [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ) en [B.V. 3] . (hierna: [B.V. 3] ). [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben op hun beurt eveneens gehandeld met afnemers in het Verenigd Koninkrijk.

De rechtbank doet in het onderzoek Hive in acht zaken uitspraak. Het betreft in de eerste plaats [rechtspersoon] , de (indirect) eigenaar/bestuurder van [rechtspersoon] , [naam 1] , zijn bij [rechtspersoon] werkzame broer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en hun neef [naam 4] (hierna: [naam 4] ), die ook werkzaam was bij [rechtspersoon] .

Daarnaast staan [B.V. 2] en haar (indirect) eigenaar/bestuurder [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en [B.V. 3] en haar eigenaar/bestuurder [naam 6] (hierna: [naam 6] ) terecht.

De verdenking tegen [rechtspersoon] komt kort gezegd op het volgende neer. [rechtspersoon] wordt ervan beschuldigd opzettelijk onjuiste aangiften Nederlandse omzetbelasting te hebben gedaan. [rechtspersoon] zou de leveringen aan bepaalde Britse afnemers in haar aangiften omzetbelasting ten onrechte hebben opgegeven als intracommunautaire leveringen (hierna: ICL’s) tegen 0% btw (hierna: het nultarief), omdat [rechtspersoon] wist dat er door de Britse afnemers werd gefraudeerd en er dan geen aanspraak gemaakt mag worden op het nultarief. Daarnaast wordt [rechtspersoon] ervan beschuldigd dat de handel met [B.V. 2] schijnhandel betreft, omdat [rechtspersoon] in werkelijkheid zelf rechtstreeks met de afnemers in het Verenigd Koninkrijk zou hebben gehandeld. De betreffende schijntransacties zouden zijn opgezet om de btw-fraude af te schermen. Door het in haar bedrijfsadministratie opnemen van verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [B.V. 2] zou [rechtspersoon] die bedrijfsadministratie hebben vervalst.

1.3.

Tenlastelegging

[rechtspersoon] wordt er samengevat van verdacht dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten:

1. primair: het opzettelijk doen van negentien onjuiste maandaangiften omzetbelasting

(eerste maand: juli 2015; laatste maand: november 2017);

subsidiair: valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de negentien maandaangiften omzetbelasting;

2. het valselijk opmaken van haar bedrijfsadministratie door het daarin opnemen van verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [B.V. 2]

(eerste factuurdatum: 9 februari 2016; laatste factuurdatum: 18 mei 2017).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

2 Vrijspraak

2.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt feit 1 primair en feit 2 bewezen en vordert dat aan [rechtspersoon] een geldboete wordt opgelegd van € 6.500.000,-.

Wat betreft feit 1 stelt de officier van justitie dat uit de berichten van de Britse Belastingdienst (Her Majesty’s Revenue & Customs; hierna: de HMRC) blijkt dat bepaalde afnemers van [rechtspersoon] btw-fraude hebben gepleegd, omdat de HMRC heeft aangegeven dat die afnemers in het Verenigd Koninkrijk geen aangifte hebben gedaan en/of de btw niet hebben afgedragen en de HMRC ze ziet als ‘missing traders’. De officier van justitie stelt ook dat [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] – en daarmee [rechtspersoon] – wisten dat de Britse afnemers btw-fraude pleegden.

Wat betreft feit 2 stelt de officier van justitie dat de ten laste gelegde facturen onderdeel uitmaken van de schijnhandel tussen [rechtspersoon] en [B.V. 2] . [B.V. 2] heeft economisch gezien geen enkele toegevoegde waarde in de handelsketen en volgens de officier van justitie verkoopt en levert [rechtspersoon] niet aan [B.V. 2] en worden de transacties met de Britse afnemers niet door [B.V. 2] gesloten, maar door [naam 6] en/of [naam 1] , [naam 3] en/of [naam 4] .

2.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt [rechtspersoon] vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten.

Voor feit 1 ontbreekt het bewijs dat de Britse afnemers van [rechtspersoon] btw-fraude hebben gepleegd in de handelsketen met [rechtspersoon] . Daarnaast is niet bewezen dat [rechtspersoon] of haar vertegenwoordigers wisten dat de Britse afnemers niet aan hun fiscale verplichtingen zouden voldoen in het Verenigd Koninkrijk. Evenmin kan worden bewezen dat [rechtspersoon] bewust ten onrechte het nultarief heeft toegepast. Volgens de verdediging heeft [rechtspersoon] de btw-aangiften juist ingevuld.

Voor feit 2 ontbreekt het bewijs dat [rechtspersoon] haar bedrijfsadministratie heeft vervalst door daarin verkoopfacturen aan [B.V. 2] op te nemen. De facturen weerspiegelden de werkelijke en gebruikelijke transacties tussen [rechtspersoon] en [B.V. 2] en van schijntransacties was geen sprake. Ook als sprake zou zijn van schijntransacties dan volgt uit de rechtspraak dat facturen – en daarmee de bedrijfsadministratie – niet vals zijn als de facturen materieel juist zijn.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Feit 1

2.3.1.1. Inleidende opmerkingen

De in de tenlastelegging opgenomen aangiften omzetbelasting zouden onjuist zijn, omdat de ICL’s niet tegen het nultarief aangegeven hadden mogen worden. De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier ervan uitgegaan moet worden dat voldaan is aan de materiële voorwaarden om de leveringen aan te merken als ICL’s (grensoverschrijdende handel binnen de Europese Unie; het gaat om handel van vóór de Brexit): de goederen zijn daadwerkelijk van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk vervoerd en de goederen waren in het Verenigd Koninkrijk als intracommunautaire verwervingen (hierna: ICV’s) onderworpen aan heffing van btw.

Voorts is niet gebleken dat niet is voldaan aan de formele vereisten voor toepassing van het nultarief. In de aangiften omzetbelasting van (de fiscale eenheid van) [rechtspersoon] zijn de ICL’s verantwoord en de afnemers zijn vermeld (‘gelist’) in de opgaven intracommunautaire prestaties. Uit de stukken in het dossier en de verklaringen van de betrokkenen komt verder naar voren dat [rechtspersoon] KYC-onderzoek (Know Your Customer-onderzoek) verrichtte naar haar afnemers en door middel van zogenoemde VIES-checks heeft gecontroleerd of de afnemers beschikten over geldige btw-identificatienummers.

2.3.1.2. Toetsingskader

De rechtbank gaat er bij de beoordeling van de zaak van uit dat aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het nultarief is voldaan. Fiscaalrechtelijk kan het nultarief dan (alleen) geweigerd worden indien de betrokken ondernemer ten tijde van zijn leveringen aan een afnemer (ex-tunc) wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld:

  1. hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam;

  2. in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield; en

  3. dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.

Om een ondernemer het recht op toepassing van het nultarief te weigeren op de grond dat hij wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, vormt het feit dat een andere ondernemer in dezelfde keten opzettelijk niet voldoet aan de verplichting verschuldigde btw aan te geven dan wel het feit dat die andere ondernemer verschuldigde btw in een keten van leveringen wel heeft aangegeven maar met de bedoeling deze btw niet te voldoen, een essentieel gegeven.1

Wanneer de belastingplichtige niet zelf de btw-fraude pleegt, kan hem het recht op aftrek of - zoals in dit geval - het nultarief alleen worden geweigerd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat die belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn verkoop van de goederen of diensten waarvoor aanspraak op het nultarief wordt gemaakt, deelnam aan een keten van transacties waarin, in een eerder of later stadium, btw-fraude door een andere ondernemer werd gepleegd. Of de belastingplichtige ‘had moeten weten’ dat de door hem verrichte transactie deel uitmaakte van een keten van transacties waarin fraude werd gepleegd, hangt volgens het Unierecht onder meer af van het antwoord op de vraag of de belastingplichtige voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.2

De rechtbank merkt op dat het fiscale criterium ‘wist of had moeten weten’ niet volledig aansluit bij de strafrechtelijke eis dat bij het doen van onjuiste aangifte of het valselijk opmaken van aangiften sprake is van opzet daartoe dan wel voorwaardelijk opzet in die zin dat een verdachte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat hij te weinig omzetbelasting op de aangifte zou voldoen en die kans bovendien bewust heeft aanvaard. De vaststelling dat de belastingplichtige ‘had moeten weten’ dat in de keten sprake was van belastingfraude leidt dus niet tot de conclusie dat de belastingplichtige (voorwaardelijk) opzet had op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting of het valselijk opmaken van die aangiften.

2.3.1.3. Beoordeling

Algemeen

De rechtbank zal per afnemer aan de hand van het in 2.3.1.2 weergegeven toetsingskader bespreken in hoeverre [rechtspersoon] ten onrechte de leveringen tegen het nultarief heeft aangegeven en of haar dienaangaande opzet kan worden verweten.

In het dossier is van twaalf bedrijven in het Verenigd Koninkrijk uitgewerkt of er al dan niet sprake was van btw-fraude. [rechtspersoon] heeft met zeven van deze afnemers rechtstreeks gehandeld, te weten [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat sprake is van een handelsketen tussen enerzijds [rechtspersoon] als leverancier en anderzijds de zeven Britse bedrijven als afnemer. Het dossier gaat ervan uit dat deze Britse afnemers de bedrijven zijn waar de fraude heeft plaatsgevonden. In het dossier is niet uitgewerkt dat sprake zou zijn van fraude bij afnemers verderop in de keten of bij leveranciers eerder in de keten. De rechtbank beperkt zich daarom tot de vraag of vastgesteld kan worden dat de zeven Britse afnemers fraude hebben gepleegd in de handelsketen met [rechtspersoon] . Alleen als dat vastgesteld kan worden, komt de rechtbank toe aan de vraag of (de mensen binnen) [rechtspersoon] wetenschap had(den) van die fraude.

Voordat de rechtbank de verschillende afnemers zal bespreken, staat zij stil bij de in het dossier veelvuldig gebruikte term ‘missing trader’ of ‘defaulting trader’. Uit het dossier blijkt niet van een eenduidige (juridische) betekenis van deze termen. Het feit dat de HMRC heeft aangegeven dat een afnemer geen btw-aangifte heeft gedaan en/of geen btw heeft afgedragen en dat de HMRC de afnemer ziet als ‘missing trader’ of ‘defaulting trader’ is onvoldoende om vast te stellen dat bij de afnemer sprake is van fraude, laat staan dat daarmee vaststaat dat fraude is gepleegd in de keten van transacties waaraan [rechtspersoon] heeft deelgenomen.

Ter illustratie wijst de rechtbank in dit verband op de antwoorden van de HMRC op een Europees onderzoeksbevel van de officier van justitie (hierna: EOB) met betrekking tot [bedrijf 3] (EOB-010b). De HMRC geeft aan dat [bedrijf 3] haar btw-verplichtingen niet is nagekomen, er sprake is van een openstaande btw-schuld en dat hij [bedrijf 3] ziet als ‘missing trader’. Desondanks merkt de HMRC op: “HMRC does not have any record of the company [bedrijf 3] being associated to VAT fraud.” Voor het bewijs dat een afnemer van [rechtspersoon] (in de handelsketen met [rechtspersoon] ) heeft gefraudeerd is dus meer nodig dan dat de HMRC de afnemer heeft gekwalificeerd als ‘missing trader’.

Voor het beantwoorden van de vraag of een Britse afnemer in de keten met [rechtspersoon] heeft gefraudeerd is vooral de door de HMRC verstrekte informatie van belang. Die informatie blijkt uit SCAC-verzoeken3 uit het Verenigd Koninkrijk aan de Nederlandse fiscale autoriteiten en reacties van de HMRC op Nederlandse SCAC-verzoeken en EOB’s aan het Verenigd Koninkrijk. Opmerking verdient dat deze informatie achteraf is verkregen en dat [rechtspersoon] ten tijde van de gewraakte leveringen en btw-aangiften niet over deze informatie beschikte. Ook betreffen sommige SCAC-verzoeken niet [rechtspersoon] maar [B.V. 1] (verdachte rechtspersoon in het hiervoor genoemde onderzoek Bumblebee).

De afnemers

[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] )

De HMRC schrijft op 13 juni 2016 in een SCAC-verzoek aan Nederland (DOC-099) dat [bedrijf 1] wordt verdacht van ‘Missing Trader Intra Community (MTIC) Fraud’ en mogelijk van witwassen.

Bij het antwoord op een Nederlands EOB (EOB-006b) zit een verklaring van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), een medewerker van de HMRC van 7 mei 2020. Hieruit komt het volgende naar voren. [bedrijf 1] heeft al haar btw-aangiften gedaan en een deel daarvan bevat ICV’s.

[getuige 1] verklaart ook dat [bedrijf 1] betrokken was bij MTIC/Supply Chain Fraud, waarbij de HMRC [bedrijf 1] niet ziet als ‘missing trader’, maar als ‘UK buffer type trader’. Uit de verklaring volgt dat over 8 btw-periodes door [bedrijf 1] geclaimde aftrek van voorbelasting door de HMRC is geweigerd. Die vooraftrek is geweigerd omdat de HMRC stelt dat sprake is van valse aankopen van Britse leveranciers. Het weigeren van de voorbelasting heeft als gevolg dat [bedrijf 1] niet aan haar btw-verplichtingen heeft voldaan en een btw-schuld heeft van bijna £ 12 miljoen. [getuige 1] merkt ook op dat de HMRC geen strafrechtelijk onderzoek heeft verricht naar [bedrijf 1] .

Het dossier bevat daarnaast een rechterlijke beslissing op het verzoek van [bedrijf 1] om alsnog appel in te kunnen stellen tegen de beslissing van de HMRC om de voorbelasting te weigeren (DOC100). Dit verzoek is afgewezen, wat meebrengt dat de bezwaren van [bedrijf 1] tegen deze HMRC-beslissing niet inhoudelijk zijn beoordeeld.

Ook als wordt aangenomen dat bij [bedrijf 1] sprake was van btw-fraude, dan is dat gelet op het weergegeven toetsingskader nog niet voldoende om toepassing van het nultarief te weigeren. De genoemde fraude vindt plaats in de handelsketen tussen Britse leveranciers en [bedrijf 1] als afnemer. Betrokkenheid of wetenschap van [rechtspersoon] bij die handelsketen blijkt niet uit het dossier en deze vooraftrek ziet in elk geval niet op de leveringen van [rechtspersoon] aan [bedrijf 1] .

Dit betekent dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat sprake is van fraude in de handelsketen tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 1] . Dit betekent ook dat [rechtspersoon] de ICL’s aan [bedrijf 1] in de aangiften omzetbelasting (oktober en december 2016 en maart, mei, juni, juli, augustus, oktober en november 2017) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [bedrijf 1] onjuist zijn.

[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] )

De HMRC heeft in relatie tot de handel tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 2] op 14 november 2017 een SCAC-verzoek aan de Nederlandse fiscale autoriteiten verstuurd, waaruit volgt dat de HMRC graag uitleg ontvangt over betalingen van [bedrijf 2] aan [rechtspersoon] (DOC-026).

Het dossier bevat ook drie SCAC-verzoeken die betrekking hebben op de handel tussen [B.V. 1] en [bedrijf 2] . Het betreft een verzoek van Nederland aan het Verenigd Koninkrijk van 21 december 2016 dat door het Verenigd Koninkrijk ook op 21 december 2016 is beantwoord (DOC-541), een verzoek van het Verenigd Koninkrijk aan Nederland van 19 januari 2017 (DOC543) en een verzoek van Nederland aan het Verenigd Koninkrijk van 20 maart 2017 dat op 7 april 2017 door het Verenigd Koninkrijk is beantwoord (DOC542). Alle SCAC-verzoeken hebben betrekking op het derde kwartaal (Q3) van 2016.

Uit DOC-541 volgt dat op 25 november 2016 op het vestigingsadres van [bedrijf 2] met niemand contact gemaakt kon worden en dat de btw-registratie van [bedrijf 2] per 26 november 2016 is ingetrokken. Naar aanleiding van DOC541 wordt in DOC-543 door de HMRC bij de Nederlandse autoriteiten alle informatie opgevraagd over transacties met [bedrijf 2] , omdat “At present [bedrijf 2] appear to be a defaulting trader”. In DOC-542 antwoordt de HMRC dat [bedrijf 2] geen btw-aangiften heeft gedaan, geen btw heeft betaald en dat de directeur van [bedrijf 2] zegt niet te weten van transacties door [bedrijf 2] en ook niet van handel met Nederlandse bedrijven.

Het EOB (EOB-007a) dat het Openbaar Ministerie heeft verstuurd met betrekking tot de handel van [B.V. 1] en [rechtspersoon] met [bedrijf 2] is door de Britse autoriteiten onbeantwoord gebleven.

De rechtbank kan op basis van de SCAC-verzoeken en het EOB niet vaststellen dat in de handelsketen met [rechtspersoon] is gefraudeerd. Voor zover al uit de SCAC-verzoeken met betrekking tot [B.V. 1] afgeleid zou kunnen worden dat sprake is van fraude bij [bedrijf 2] , betekent dit nog niet dat sprake is van fraude in de handelsketen tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 2] , te meer daar de SCACverzoeken betrekking hebben op het derde kwartaal van 2016, en [rechtspersoon] alleen daarna, in het vierde kwartaal van 2016, met [bedrijf 2] heeft gehandeld.

Dit betekent dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat sprake is van fraude in de handelsketen tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 2] . Dit betekent ook dat [rechtspersoon] de ICL’s aan [bedrijf 2] in de aangiften omzetbelasting (november en december 2016) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat de aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [bedrijf 2] onjuist zijn.

[bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] )

Het dossier bevat twee SCAC-verzoeken die (onder andere) betrekking hebben op [bedrijf 3] . Het Verenigd Koninkrijk heeft op 25 juni 2018 een SCAC-verzoek verstuurd met betrekking tot de handel van [B.V. 3] met [bedrijf 8] (DOC-097), waarin is vermeld dat [B.V. 3] eerder heeft gehandeld met [bedrijf 3] . Op 2 november 2017 heeft Nederland een SCAC-verzoek verzonden met betrekking tot [rechtspersoon] en [bedrijf 3] dat op 4 april 2018 door het Verenigd Koninkrijk is beantwoord (DOC-028). De HMRC kwalificeert [bedrijf 3] in DOC-097 als ‘UK defaulting/missing trader’. Uit DOC-028 volgt dat [bedrijf 3] niet heeft gereageerd op verzoeken om af te spreken met de HMRC en dat de HMRC [bedrijf 3] per 17 januari 2018 heeft uitgeschreven.

Bij de Britse reactie op het Nederlandse EOB over [bedrijf 3] bevindt zich een verklaring van [getuige 2] , medewerker van de HMRC, van 20 december 2019 (EOB-010b). Uit deze verklaring komt naar voren dat de HMRC geen informatie heeft dat [bedrijf 3] geassocieerd wordt met btw-fraude en dat [bedrijf 3] geen onderwerp is geweest van enig strafrechtelijk of fiscaal onderzoek in het Verenigd Koninkrijk.

Op basis van deze informatie uit het Verenigd Koninkrijk kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van fraude in de handelsketen tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 3] . De vaststellingen dat [bedrijf 3] een belastingschuld heeft en dus niet aan haar belastingverplichtingen voldoet en door de HMRC is aangemerkt als ‘UK defaulting/missing trader’ maken dit niet anders. Dit betekent dat [rechtspersoon] de ICL’s aan [bedrijf 3] in de aangiften omzetbelasting (augustus, september, oktober en november 2017) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [bedrijf 3] onjuist zijn.

[bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] )

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 17 mei 2017 een Nederlands SCAC-verzoek beantwoord dat betrekking heeft op [B.V. 2] en [bedrijf 4] (DOC-110). Hieruit komt naar voren dat de HMRC tijdens drie bezoeken aan [bedrijf 4] geen teken van leven van (het bestaan van) [bedrijf 4] heeft gezien en dat de HMRC vermoedt dat [bedrijf 4] als ‘missing trader’ is opgezet.

Bij de Britse reactie op het Nederlandse EOB over [bedrijf 4] bevindt zich een verklaring d.d. 4 december 2019 van [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), medewerker van de HMRC (EOB-008b). Uit deze verklaring volgt dat [bedrijf 4] niet voldaan heeft aan haar btw-verplichtingen: [bedrijf 4] heeft geen btw-aangiften gedaan, ICV’s aangegeven of btw afgedragen. De HMRC kwalificeert [bedrijf 4] als ‘missing trader’. Op de vraag of [bedrijf 4] op de een of andere manier geassocieerd kan worden met btw-fraude volgt als antwoord: “It is possible that [bedrijf 4] could be associated to VAT fraud as it would appear that it had made sales of metals to [bedrijf 9] without declaring these sales to HMRC.” Voor zover [getuige 3] bekend, is er in het Verenigd Koninkrijk geen fiscaal of strafrechtelijk onderzoek geweest naar [bedrijf 4] .

Hoewel – met de nodige slagen om de arm – uit de verklaring van [getuige 3] afgeleid zou kunnen worden dat bij [bedrijf 4] sprake is geweest van btw-fraude, blijkt uit die verklaring ook dat die fraude dan gepleegd zou zijn in de handelsketen [bedrijf 4] - [bedrijf 9] . Uit het dossier blijkt niet dat de levering(en) van [rechtspersoon] aan [bedrijf 4] onderdeel uitmaken van de levering(en) van [bedrijf 4] aan [bedrijf 9] , zodat niet blijkt dat mogelijk fraude is gepleegd in een handelsketen waarvan de keten ‘ [rechtspersoon] - [bedrijf 4] ’ onderdeel uitmaakt.

Dit betekent dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat sprake is van fraude in de handelsketen tussen [rechtspersoon] en [bedrijf 4] . Dit betekent ook dat [rechtspersoon] de ICL(’s) aan [bedrijf 4] in de aangifte omzetbelasting (mei 2016) tegen het nultarief mocht aangegeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangifte omzetbelasting wat betreft de levering(en) aan [bedrijf 4] onjuist is.

[bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] )

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 22 juni 2017 een Nederlands SCAC-verzoek beantwoord dat betrekking heeft op [B.V. 2] en [bedrijf 5] (DOC-115). Het antwoord op de vraag of [bedrijf 5] betrokken is bij btw-(carrousel)fraude is “Yes.” Verder wordt opgemerkt dat [bedrijf 5] is aangemerkt als een ‘defaulting trader’ en dat er geen btw-aangiften zijn gedaan.

Bij de Britse reactie op een Nederlands EOB met betrekking tot [bedrijf 5] zit een verklaring van HMRC-medewerker [getuige 4] van 8 januari 2020 (EOB-009b). Hierin staat dat [bedrijf 5] niet aan haar btw-verplichtingen heeft voldaan en dat zij in de periode dat zij voor de btw geregistreerd stond, geen aangiften heeft gedaan.

Op basis van de enkele mededeling op het SCAC-verzoek dat [bedrijf 5] betrokken is bij btw-fraude, kan de rechtbank niet vaststellen waaruit die fraude heeft bestaan en of die fraude plaatsvond in de handelsketen [rechtspersoon] - [bedrijf 5] . De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat sprake is van fraude in deze handelsketen. Daarmee is niet voldaan aan de onder 2.3.1.2 genoemde voorwaarden voor weigering van het nultarief. Dit betekent dat [rechtspersoon] de ICL’s aan [bedrijf 5] in de aangiften omzetbelasting (april en mei 2017) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [bedrijf 5] onjuist zijn.

[bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] )

Op 9 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk een Nederlands SCAC-verzoek met betrekking tot [B.V. 1] en [bedrijf 6] beantwoord (DOC-490). Een tweede Nederlands SCAC-verzoek met betrekking tot deze ondernemingen is door het Verenigd Koninkrijk op 30 maart 2017 beantwoord (DOC-491). De HMRC deelt in DOC-490 mee dat de registratie van [bedrijf 6] op 31 augustus 2016 is ingetrokken en dat [bedrijf 6] de in het verzoek genoemde leveringen van [B.V. 1] heeft aangegeven. In DOC-491 wordt verder opgemerkt dat [bedrijf 6] onvindbaar is en dus is aangemerkt als ‘missing trader’ en dat niet alle btw-aangiften zijn ingediend. Ook wordt opgemerkt dat [bedrijf 6] beweerdelijk betrokken zou zijn bij (“alleged to be involved in”) belastingfraude, inclusief MTIC-btw-fraude.

Het Britse antwoord op een Nederlands EOB met betrekking tot [bedrijf 6] bevat een verklaring van K. Anwar van de HMRC van 30 oktober 2019 (EOB-002b). Hierin wordt opgemerkt dat [bedrijf 6] niet aan haar belastingverplichtingen heeft voldaan, omdat zij geen btw-aangiften heeft ingediend. [bedrijf 6] is aangemerkt als ‘missing trader’ en er is een (als oninbaar afgeschreven) belastingschuld van £ 156.662,-. Het vermoeden van de HMRC is (“it is suspected”) dat [bedrijf 6] onderdeel is van een breder crimineel netwerk dat in verband wordt gebracht met een onderzoek van de HMRC. [bedrijf 6] zal volgens het Britse antwoord geen onderdeel uitmaken van dit onderzoek (“will not be included as part of the HMRC investigation”).

De rechtbank kan op basis van deze informatie niet vaststellen dat de mogelijke betrokkenheid van [bedrijf 6] bij btw-fraude – waar de HMRC ook geen onderzoek naar verricht – ziet op de handelsketen [rechtspersoon] - [bedrijf 6] . De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van fraude in deze handelsketen. Dit betekent dat [rechtspersoon] de ICL’s aan [bedrijf 6] in de aangiften omzetbelasting (juni, juli en augustus 2016) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [bedrijf 6] onjuist zijn.

[bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] )

Het dossier bevat drie SCAC-verzoeken van Nederland aan het Verenigd Koninkrijk die betrekking hebben op de relatie [B.V. 1] - [bedrijf 7] (DOC-029). Op 11 november 2016 laat de HMRC weten dat er geen contact is gekregen met [bedrijf 7] , dat [bedrijf 7] wordt gezien als een ‘missing trader’ en dat het vermoeden bestaat dat [bedrijf 7] (‘is suspected to be’) de ‘defaulter’ is in MTIC transactie-ketens. Op 9 maart 2017 laat de HMRC weten dat [bedrijf 7] de in het verzoek genoemde leveringen van [B.V. 1] heeft aangegeven.

In het dossier wordt ook melding gemaakt van een Nederlands SCAC-verzoek met betrekking tot [rechtspersoon] en [bedrijf 7] , maar dit verzoek is niet in het dossier gevoegd. Uit een uitgaand EOB-verzoek (EOB-012, pagina 9 en 10) van Nederland is op te maken dat het antwoord op dit SCACverzoek geen aanvullende informatie heeft opgeleverd.

Het Britse antwoord op een Nederlands EOB bevat een verklaring van HMRC-medewerker P. Sandhu van 12 december 2019 (EOB-012b). Hierin wordt vermeld dat [bedrijf 7] niet aan haar btw-verplichtingen heeft voldaan en dat er een belastingschuld is ontstaan van £ 186.181,- en dat een boete is opgelegd van £ 55.854. [bedrijf 7] heeft over de maanden juni en september 2015 btw-aangiften gedaan, maar hierin geen ICV’s aangegeven. De HMRC merkt [bedrijf 7] aan als ‘missing trader’. De HMRC merkt echter ook op dat het onbekend is of [bedrijf 7] op de een of andere manier geassocieerd kan worden met btw-fraude. Afgezien van het bezoek aan [bedrijf 7] in het kader van het Nederlandse SCAC-verzoek heeft er volgens de HMRC geen strafrechtelijk of fiscaal onderzoek naar [bedrijf 7] plaatsgevonden in het Verenigd Koninkrijk. De vraag of er verder nog informatie beschikbaar is die bruikbaar kan zijn om de vermoedelijke btw-fraude in het Verenigd Koninkrijk en betrokkenheid daarbij van [rechtspersoon] , [B.V. 1] en [bedrijf 7] aan te tonen, is door de HMRC met ‘nee’ beantwoord.

Op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat [bedrijf 7] betrokken is geweest bij btw-fraude en dus ook niet of deze fraude betrekking zou hebben op de handelsketen [IMT- bedrijf 7] . Dit betekent dat [rechtspersoon] de ICL’s aan [bedrijf 7] in de aangiften omzetbelasting (juli en september 2015 en maart 2016) tegen het nultarief mocht aangeven. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat deze aangiften omzetbelasting wat betreft de leveringen aan [bedrijf 7] onjuist zijn.

Slotopmerkingen

De rechtbank heeft ten aanzien van de zeven voor de tenlastelegging relevante Britse afnemers van [rechtspersoon] niet kunnen vaststellen dat in de handelsketen met [rechtspersoon] sprake was van fraude.

Ter onderbouwing van de stelling in het dossier en het standpunt van de officier van justitie op zitting dat wél sprake was van fraude en dat [rechtspersoon] , en dat [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] dit wisten, is uitgebreid stilgestaan bij WhatsApp-berichten en zogenoemde ‘kenmerken van btwcarrouselfraude’. De rechtbank kan ook op basis van deze berichten en kenmerken niet vaststellen dat wat betreft een of meer handelsketens van [rechtspersoon] met Britse afnemers sprake is van de fraude, laat staan van enige wetenschap daarvan. De rechtbank zal hierna bespreken waarom deze berichten en kenmerken niet kunnen bijdragen aan het bewijs van (wetenschap van) fraude.

Whatsapp-berichten

In het dossier zijn diverse WhatsApp-gesprekken gevoegd, waaronder de groepsapps ‘Copper Grandpa’, waaraan [naam 5] , [naam 6] en [naam 3] en [naam 4] deelnemen (DOC-163), en ‘Swifts WP’, waaraan [naam 7] (consultant [rechtspersoon] ), [naam 8] (administratief medewerker [rechtspersoon] ), [naam 5] en [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] deelnemen (DOC-170). De berichten die de officier van justitie van belang vond voor de gevorderde bewezenverklaring zijn afkomstig van een telefoon van [naam 5] en daarmee zien deze berichten in de eerste plaats op de handel van [B.V. 2] . De berichten in ‘Copper Grandpa’ lijken betrekking te hebben op de handel tussen [B.V. 2] en [bedrijf 10] en die in ‘Swifts WP’ op de handel tussen [B.V. 2] en [bedrijf 1] .

De rechtbank ziet in de WhatsApp-gesprekken hoofdzakelijk berichten die lijken te gaan over de handel van de verschillende gespreksdeelnemers/bedrijven. Berichten die kunnen gelden als spreekwoordelijke ‘smoking gun’ voor het vaststellen van btw-fraude heeft de rechtbank niet aangetroffen. Daarbij komt dat voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van de berichten, omdat vermoedelijk naast WhatsApp-berichten sprake is geweest van andere vormen van communicatie, zoals fysieke ontmoetingen, telefonisch contact en/of e-mailverkeer. Daardoor ontbreekt bij de berichten de noodzakelijke context, en dat is des te meer van belang, omdat ook geregeld sprake is van (aanzienlijk) tijdsverloop tussen de door de officier van justitie – soms ten onrechte als één doorlopende reeks- gepresenteerde berichten.

‘Kenmerken van btw-carrouselfraude’

In het dossier is een lijst gevoegd met in totaal 31 kenmerken van btw-carrouselfraude (DOC003a). Deze kenmerken zijn door een medewerker van de FIOD ontleend aan literatuur, Europese fiscale rechtspraak en strafrechtelijke rechtspraak uit Nederland.

Volgens het FIOD-onderzoek is een aantal van deze kenmerken van toepassing op de handel van [rechtspersoon] met de Britse afnemers. Uit het onderzoek naar deze kenmerken blijkt niet dat is onderzocht, laat staan dat is vastgesteld dat het gaat om kenmerken die zonder meer het vermogen hebben om een frauduleuze handelsketen te onderscheiden van een legale handelsketen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat gebruik van tussenhandelaren/agenten en aflevering van de goederen op adressen die afwijken van vestigingsadressen van de betrokken afnemers (transitohandel) afwijken van de gebruikelijke gang van zaken in de metaalhandel of aanwijzingen voor fraude opleveren. Hetzelfde geldt voor de facturering aan en betaling door de afnemers in Britse ponden. De genoemde kenmerken zijn bovendien algemeen van aard en vertonen veel overlap. Zo zal elk bedrijf dat zich net als [rechtspersoon] bezighoudt met internationale metaalhandel op een groot aantal kenmerken scoren, zonder dat daarmee sprake is van fraude in de handelsketen(s).

Eén van de genoemde fraudekenmerken (kenmerk 20) is dat er een snelle wisseling van leveranciers en afnemers plaatsvindt. In het dossier is de stelling dat daarvan bij [rechtspersoon] sprake was onderbouwd met een zogenaamd VIES-OUT-trappetje (AMB-096): een visuele weergave van de opeenvolging van namen van Britse afnemers in de tijd, waaraan ICL’s hebben plaatsgevonden. De officier van justitie stelt dat deze trappetjes belangrijke fraudeindicatoren zijn.

De waarde van deze trappetjes voor het bewijs dat sprake is van fraude in een handelsketen (en de wetenschap daarvan) is echter beperkt. In de eerste plaats zegt de omstandigheid dat een specifieke afnemer door de tijd heen met andere afnemers een ‘trappetje’ vormt, niets over eventuele fraude in de handelsketen met deze specifieke afnemer. Daarnaast blijkt uit een trappetje niet dat tussen in tijd opvolgende afnemers sprake is van een zakelijke relatie waarmee een breder – mogelijk frauduleus – verband zichtbaar wordt. De rechtbank kan voorts niet vaststellen in hoeverre kortdurende handelsrelaties ongebruikelijk zijn in de internationale nonferrohandel zoals hier aan de orde. Daar komt nog bij dat een VIES-OUT-trappetje per definitie een retrospectieve kijk op de handel geeft en niets zegt over de wetenschap ten tijde van de leveringen en de aangiften omzetbelasting. In dat verband acht de rechtbank ook van belang dat de verdediging onweersproken naar voren heeft gebracht dat het overzicht slechts een fractie bevat van het totaal aantal transacties dat [rechtspersoon] in die periode deed met verschillende internationale afnemers.

Samenvattend hebben de genoemde ‘kenmerken van btw-carrouselfraude’ voor de rechtbank geen waarde voor het bewijs van (wetenschap van) fraude in de handelsketen. Het aanwezig zijn van (veel) kenmerken zou een relevante indicator kunnen zijn dat bij bepaalde handelaren of in bepaalde handelsketens sprake is van btw-carrouselfraude en zou zodoende aanleiding kunnen geven voor onderzoek naar die handelaren en/of handelsketens. De uitkomsten van het onderzoek naar [rechtspersoon] zijn hierboven besproken en zijn onvoldoende voor een bewezenverklaring. De fraudekenmerken leveren op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, en evenmin in combinatie met de overige bevindingen, afdoende bewijs op dat sprake is van fraude in de relevante handelsketens.

2.3.2.

Feit 2

De rechtbank vindt niet bewezen dat [rechtspersoon] haar bedrijfsadministratie heeft vervalst door daarin verkoopfacturen van [rechtspersoon] aan [B.V. 2] op te nemen.

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de transacties van [rechtspersoon] naar [B.V. 2] strafbare schijntransacties betreffen. Er kunnen vraagtekens worden gesteld bij het (economisch) nut van [B.V. 2] als tussenschakel, maar dat maakt de facturen en de bedrijfsadministratie nog niet vals. Uit de verschillende verklaringen komt bovendien naar voren dat [B.V. 2] een deel van de werkzaamheden voor de levering aan Britse bedrijven uit handen nam, maar ook dat het [naam 5] en [B.V. 2] gegund werd om mee te profiteren van de handel van [rechtspersoon] met Britse afnemers. De keuze om in dat verband te handelen via een afzonderlijke rechtspersoon is niet zonder meer frauduleus. In het dossier ontbreekt voorts het bewijs dat met de transacties strafbaar handelen – in het bijzonder btw-fraude – is afgeschermd. De omstandigheid dat goederen niet fysiek zijn afgeleverd bij [B.V. 2] – een tussenhandelaar in de metaalhandel – maakt dit niet anders.

2.3.3.

Conclusie

De rechtbank vindt niet bewezen dat [rechtspersoon] feit 1 primair en subsidiair en feit 2 heeft begaan, zodat [rechtspersoon] daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank zal gelet op deze conclusie de overige tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging en het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om getuigen te horen, verder niet bespreken.

3 Beslag

Op de beslaglijst van [rechtspersoon] staat een boot en met betrekking tot die boot gemaakte stallingskosten. Op beide voorwerpen ligt zowel klassiek beslag (ten behoeve van de waarheidsvinding; artikel 94 Sv) als conservatoir beslag (ten behoeve van het verhaal van een op te leggen geldboete; artikel 94a Sv). De rechtbank kan in dit vonnis alleen beslissingen nemen ten aanzien van het klassieke beslag.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het klassieke beslag wordt opgeheven.

De rechtbank ziet –gelet op de volledige vrijspraak – geen reden om hetgeen in beslag is genomen niet terug te geven aan [rechtspersoon] . De rechtbank zal daarom beslissen dat de het beslagene aan [rechtspersoon] teruggegeven wordt. Daarbij merkt de rechtbank op dat zolang op de voorwerpen ook conservatoir beslag rust, dit aan de feitelijke teruggave in de weg staat.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [rechtspersoon] daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [rechtspersoon] van:

7 1.00 STK Boot

BOSTON WHALER 420OUTRAGE

7a Stallingskosten boot volgnr. 7

BOSTON WHALER 420OUTRAGE

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. Pieters, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en A.A. Fase, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2022.

Mr. A.A. Fase is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 ECLI:NL:HR:2018:51 (belastingkamer).

2 ELCI:NL:HR:2021:456 (belastingkamer).

3 Een SCAC-verzoek [SCAC: Standing Committie on Administrative Cooperation] is een vereenvoudigde procedure om versneld fiscale informatie vanuit een andere EU-lidstaat te verkrijgen.