Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:214

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2022
Datum publicatie
02-02-2022
Zaaknummer
9375799
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit bij koop paard met botcyste. Voldaan aan de klachtplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 9375799 \ CV EXPL 21-11305

vonnis van: 21 januari 2022

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

nader te noemen [eiseres] ,

gemachtigde: mr. M.C. Molenaar,

t e g e n

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3 [gedaagde 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

gedaagde onder 1 wordt [gedaagde sub 1] genoemd, en gedaagden onder 2 en 3

gezamenlijk [gedaagde sub 2 en 3] (in enkelvoud),

gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 26 juli 2021, met 14 producties

  • -

    de conclusie van antwoord, met 2 producties

  • -

    het tussenvonnis van 19 oktober 2021 waarin een bijeenkomst van partijen is bepaald

  • -

    de akte van [eiseres] , met producties 15 – 17

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 december 2021.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1 Feiten en omstandigheden

1.1.

[eiseres] was eind 2020 op zoek naar een paard voor de Westernsport.

1.2.

Een paard, een hengst genaamd [naam paard] (hierna: [naam paard] ), geboren op 26 mei 2017, is vóór de koop gedurende een periode door [gedaagde sub 1] opgeleid voor de Westernsport en door hem verzorgd. De heer en mevrouw [gedaagde sub 2 en 3] zijn de schoonouders van [gedaagde sub 1] . [gedaagde 1] , hun dochter, is zijn vriendin.

1.3.

[eiseres] heeft [naam paard] op 2 november 2020 gekocht voor een bedrag van € 12.500,-. Dit bedrag is deels contant betaald aan [gedaagde 1] en [gedaagde sub 1] en deels overgemaakt op de e/o rekening van [gedaagde sub 2 en 3] .

1.4.

[naam paard] is voorafgaand aan de koop door de door [gedaagde sub 1] aanbevolen en door [eiseres] voor eigen rekening ingeschakelde Dierenartsenpraktijk De Amstelstreek (DAP De Amstelstreek) zowel klinisch als röntgenologisch onderzocht (hierna: de eerste keuring). Daarbij zijn “röntgenologisch geen bemerkingen voor gebruik in de sport” geconstateerd.

1.5.

[naam paard] is daags na de koop, op 3 november 2020 in opdracht van [eiseres] gecastreerd.

1.6.

Op 12 november 2020 heeft de verzekeraar van [eiseres] gemeld dat er op basis van de documenten, waaronder de röntgenfoto’s van de eerste keuring, een verdenking is van een cyste in het linker kniegewricht en dat daarom wat die linker knie betreft een tijdelijke uitsluiting van de verzekering zal gelden, totdat dit nader is onderzocht.

1.7.

Op 14 november 2020 heeft [gedaagde sub 1] van [eiseres] gehoord dat de paardenverzekeraar Equipe de linkerknie niet wilde dekken wegens een verdenking van een cyste.

1.8.

[eiseres] heeft [naam paard] nogmaals laten onderzoeken, nu door Dierenkliniek Emmeloord (DAP Emmeloord), voor een bedrag van € 175,01. Bij brief van 17 november 2020 heeft de Dierenkliniek Emmeloord onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:

“Betreft: [naam paard] (…)

(…)

Op 16-11-2020 werd bovenstaand paard op de kliniek aangeboden voor nader onderzoek.

Hierbij onze bevindingen :

(…)

Conclusie : Bovenstaand paard heeft in beide knieën een cyste in de mediale condyl van

de femur, wat tot een negatief aankoopadvies leidt bij een keuring. Aangezien de afwijking

ook al zichtbaar is op de röntgenfoto’s ten tijde van de keuring (2/11/2020), was deze

afwijking al aanwezig ten tijde van de keuring.”

1.9.

Bij brief van 12 januari 2021 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] geschreven:

“Namens cliënten wordt de door hen op 2 november 2020 met u gesloten overeenkomst ter zake de koop van [naam paard] hierbij buitengerechtelijk ontbonden, inhoudende dat u gehouden bent het paard binnen zeven dagen na dagtekening van dit schrijven terug te nemen tegen gelijktijdige terugbetaling aan cliënten van de volledige koopprijs ten bedrage van € 12.500,- vermeerderd met de kosten van het onderzoek door Dierenkliniek Emmeloord ten bedrage van € 175,01, bij gebreke waarvan ik namens cliënten tot dagvaarding zal overgaan, waarbij de kosten daarvan geheel voor uw rekening zullen worden gebracht.”

1.10.

Bij brief van 13 januari 2021 heeft [gedaagde sub 1] onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:

“Het paard met naam [naam paard] is nooit mijn eigendom geweest. Koper [eiseres] heeft het paard dan ook niet van mij gekocht.

Deze informatie was reeds in November ten tijden van verkoop bekend bij koper, mevrouw [eiseres] en ook aan moeder van koper is dit op haar verzoek, in November nogmaals gecommuniceerd inclusief contactgegevens.

De gegevens van vorige eigenaren zijn als volgt:

[gedaagde 2] en [gedaagde 3]

(…)”

1.11.

Op 24 februari 2021 schrijven de heer en mevrouw [eiseres] , ouders van [eiseres] , [gedaagde sub 2 en 3] aan met de mededeling dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden wordt.

1.12.

Uit verschillende foto’s van 4 december 2020 tot 11 juli 2021 die door [eiseres] op sociale media zijn geplaatst, blijkt dat [naam paard] door [eiseres] bereden wordt en aan wedstrijden meedoet.

1.13.

Een verklaring van [naam] van DAP Emmeloord van 23 november 2021 luidt onder meer als volgt: “Botcystes bij paarden behoren tot de zogenaamde ‘Developmental Orthopedic diseases’, omdat ze op jonge leeftijd ontstaan. Ze geven wel of niet klinische klachten (kreupelheid) bij het individuele paard (...) De botcystes die het meest voorkomen, zijn deze die zich in de knie bevinden (...) Dit is een gewichtsdragend deel van het kniegewricht en cystes op deze locatie zijn vaak de oorzaak van kreupelheid.”

2 Vordering en verweer

2.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. een verklaring voor recht geeft dat de overeenkomst van 2 november 2020 buitengerechtelijk is ontbonden;

II. alsmede primair [gedaagde sub 1] , subsidiair hoofdelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] , meer subsidiair hoofdelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde 3] , nog meer subsidiair hoofdelijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2 en 3] , meest subsidiair hoofdelijk [gedaagde sub 2 en 3] veroordeelt tot:

a. ongedaanmaking van de overeenkomst van 2 november 2020, alsmede terugbetaling van de koopprijs van € 12.500,-;

b. betaling € 175,01 zijnde de kosten van onderzoek door DAP Emmeloord;

c. betaling van € 900,- aan buitengerechtelijke incassokosten;

d. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

2.2.

[eiseres] stelt kort gezegd dat [naam paard] wegens de cystes niet geschikt is voor het doel waarvoor zij het paard heeft gekocht en dat het daarom niet aan de overeenkomst beantwoordt. [eiseres] heeft de buitengerechtelijke ontbinding ingeroepen en vordert dat de koop ongedaan gemaakt wordt.

Primair worden de vorderingen ingesteld tegen [gedaagde sub 1] omdat hij altijd de indruk heeft gewekt de eigenaar te zijn en uit hoofde van artikel 3:67 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt hij geacht voor zichzelf te hebben gehandeld.

2.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] voeren verweer tegen de vordering. [eiseres] heeft niet met [gedaagde sub 1] gecontracteerd, maar met [gedaagde sub 2 en 3] . [gedaagde sub 1] heeft slechts bemiddeld. De dochter van [gedaagde sub 2 en 3] was er bij toen [eiseres] voorafgaand aan de koop [naam paard] tweemaal in de stal bezocht. [gedaagde sub 2 en 3] voert aan dat [eiseres] niet tijdig heeft geklaagd. Het gebrek is ontdekt in november 2020 en [eiseres] heeft nimmer [gedaagde sub 2 en 3] aangeschreven. Haar ouders zijn niet de contractspartij en hebben ook pas op 24 februari 2021 [gedaagde sub 2 en 3] aangeschreven. Uit niets blijkt dat de heer en mevrouw [eiseres] namens [eiseres] handelden. Verder is er geen sprake van non-conformiteit en is een ongedaanmaking niet meer mogelijk omdat [naam paard] gecastreerd is. In elk geval heeft hij niet meer de volledige waarde, eerder de helft. De buitengerechtelijke incassokosten zijn niet onderbouwd.

3 Beoordeling

Contracterende partij

3.1.

De vorderingen tegen [gedaagde sub 1] worden afgewezen. Ter zitting is uit de betalingen van verzekering en stalkosten gebleken dat [gedaagde sub 2 en 3] de eigenaar was van [naam paard] . Het ligt daarom voor de hand dat zij ook de verkopende partij waren. Dit past bovendien bij hun verklaring ter zitting dat [naam paard] door hen is gekocht met de bedoeling dat [gedaagde sub 1] het paard zou trainen en de meerwaarde waartoe dat zou leiden zou mogen behouden. Dat past ook bij de girale betaling van een deel van de koopsom aan [gedaagde sub 2 en 3] en de contante betaling aan [gedaagde 1] of [gedaagde sub 1] van het andere deel. Verder blijkt uit niets dat hij eigenaar en verkoper van [naam paard] is geweest. Hij heeft wel voor de verkoop bemiddeld. Partijen verklaren niet eenduidig over de mededelingen die over en weer zijn gedaan tijdens de bezichtigingen, maar dat leidt niet tot een andere conclusie. [gedaagde sub 1] heeft in elk geval direct nadat hij op 12 januari 2021 formeel werd aangesproken, verklaard dat hij niet de eigenaar was en ook wie dat wel was. [gedaagde sub 1] heeft niet namens een nader te noemen meester gehandeld en artikel 3:67 BW is niet van toepassing. [gedaagde sub 2 en 3] wordt dus aangemerkt als de verkoper van [naam paard] . Het wordt er voor gehouden dat [gedaagde sub 1] bij al zijn mededelingen voor en na de koop namens [gedaagde sub 2 en 3] heeft gehandeld. Niet gebleken is dat [gedaagde sub 2 en 3] of [gedaagde sub 1] andere paarden in zijn bezit heeft. Daarmee is tevens geen sprake van een consumentenkoop, maar van een koop tussen particulieren.

Klachtplicht

3.2.

De moeder van [eiseres] was ter zitting aanwezig. Ook was zij aanwezig bij de beide bezichtigingen, zoals zij onbetwist heeft gesteld. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] hebben moeten begrijpen dat de ouders van [eiseres] namens – de jongmeerderjarige – [eiseres] optraden toen zij reclameerden over het na de koop van [naam paard] geconstateerde gebrek. Alle mededelingen van de ouders van [eiseres] worden dan ook geacht te zijn gedaan namens [eiseres] . Daarmee staat ook vast dat zij tijdig, namelijk kort na het bericht van haar verzekeraar en formeel op 12 januari 2021 jegens [gedaagde sub 1] heeft geklaagd. Zoals hiervoor vastgesteld, is [gedaagde sub 1] als vertegenwoordiger van [gedaagde sub 2 en 3] te beschouwen. De termijn van artikel 7:23 BW is dus niet overschreden.

Non-conformiteit

3.3.

[eiseres] stelt dat [naam paard] een gebrek heeft doordat hij niet geschikt is voor de zware belasting in de Westernsport. Een cyste in de knie linksachter leidt tot een verhoogd risico van kreupelheid. DAP Amstelstreek heeft toegegeven dat zij een fout hebben gemaakt bij de keuring door de cyste niet op te merken. Met dit paard mag nu geen ‘reining’ of Westernsport worden gedaan, want dat verhoogt de kans op kreupelheid. Dat kan [eiseres] [naam paard] niet aandoen. Waar het er op de foto’s op lijkt dat die sport toch wordt beoefend, is dat niet zo. [eiseres] doet de moeilijke delen lopend met het paard aan de hand, aldus [eiseres] .

3.4.

[gedaagde sub 2 en 3] voert aan dat het gebrek niet leidt tot een tekortkoming, de houding van de verzekeraar is daarvoor niet doorslaggevend. Die maakt een andere afweging. [naam paard] is geschikt voor sport en recreatie en voldoet daarmee aan de koopovereenkomst. Hij is gekeurd en geschikt bevonden voor de sport. Daarmee is de koop definitief geworden. Een fout in de keuring komt voor rekening van [eiseres] .

DAP Emmeloord heeft [naam paard] wel onderzocht, maar heeft niet beoordeeld of sprake is van enige beperking voor de sport en recreatie, aldus [gedaagde sub 2 en 3] .

3.5.

Iedere tekortkoming van [gedaagde sub 2 en 3] in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst geeft [eiseres] de bevoegdheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW).

3.6.

De vraag of er bij deze koop sprake is van een tekortkoming in de nakoming aan de zijde van [gedaagde sub 2 en 3] dient beantwoord te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 7:17 BW. In artikel 7:17 BW is bepaald dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Dit geldt op het tijdstip van aflevering. Toerekenbaarheid van de tekortkoming aan [gedaagde sub 2 en 3] is voor deze ontbinding niet vereist. [naam paard] is op grond van artikel 3:2a lid 1 BW geen zaak, maar met inachtneming van lid 2 van dat artikel zijn bepalingen met betrekking tot zaken in beginsel van overeenkomstige toepassing. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. De koper kan zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. De beoordeling van conformiteit geschiedt aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. De bewijslast van de stellingen die meebrengen dat sprake is van een tekortkoming als hiervoor bedoeld, rust op [eiseres] .

3.7.

De volgende omstandigheden zijn hier van belang. Het aan [gedaagde sub 1] en daarmee aan [gedaagde sub 2 en 3] bekende doel van de aankoop van [naam paard] was het beoefenen van sport, hetgeen het meedoen aan wedstrijden, met name in de Westernsport, meebrengt. [gedaagde sub 1] adverteerde het paard ook als opgeleid door een reining ruiter, dat een onderdeel is van de Westernsport. Dat brengt een zwaardere dan normale belasting van het paard mee. Een cyste is bij jonge paarden een regelmatig voorkomend verschijnsel, dat tot kreupelheid kan leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 2 en 3] niet op de hoogte was van het bestaan van de cyste in de linkerknie. [eiseres] heeft [naam paard] in haar opdracht, op haar initiatief en als te doen gebruikelijk, laten keuren. Aan de keuringsarts die de eerste keuring deed is de cyste niet opgevallen. Op die basis is de koop gesloten. Als onbetwist staat vast dat de keuringsarts van DAP Amstelstreek een fout heeft gemaakt bij het beoordelen van de röntgenfoto’s.

De eerste keuring

3.8.

[gedaagde sub 2 en 3] betoogt dat de koop na de positieve keuring definitief gesloten is en dat de keuringsfout voor risico van [eiseres] komt. Daarin wordt hij niet gevolgd. Het feit dat een koopovereenkomst definitief was gesloten staat niet in de weg aan de mogelijkheid dat later van non-conformiteit sprake kan zijn. De kantonrechter begrijpt de stelling omtrent het risico als het verweer dat het niet voldoen aan de koopovereenkomst aan [eiseres] redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. De keuring van [naam paard] heeft in opdracht van en op initiatief van [eiseres] plaatsgehad. Dat deze keuring de cyste niet aan het licht heeft gebracht is het gevolg van een fout van de eerste keuringsarts. Dat is een ongelukkige omstandigheid waarvan niet redelijk is dat [gedaagde sub 2 en 3] daarvan zou profiteren. Immers, als [eiseres] [naam paard] niet had laten keuren en later bleek een cyste in een knie te bestaan op het moment van koop, dan had [eiseres] de koop op basis van non-conformiteit kunnen ontbinden. Met andere woorden [gedaagde sub 2 en 3] wordt dus door de keuring niet in een mindere positie gebracht dan zonder keuring het geval zou zijn geweest. Het gevolg van de foute keuring komt dus niet voor risico van [eiseres] .

Het gebrek

3.9.

De aard van het gestelde gebrek is het niet kunnen deelnemen aan de wedstrijden van de Westernsport, wegens een risico van kreupelheid door het bestaan van de botcyste. Uit de verklaring van [naam] van DAP Emmeloord volgt dat een dergelijke cyste al of niet tot kreupelheid kan leiden, dat de botcyste in een gewichtsdragend deel van het kniegewricht zit en cystes op deze locatie vaak de oorzaak zijn van kreupelheid. Vast staat dat [naam paard] tot op heden voor recreatie wordt gebruikt, aan een lichte vorm van wedstrijden heeft meegedaan en dat hij daarin goed functioneert. Dat [naam paard] niet op volle kracht kan meedoen aan wedstrijden van de Westernsport, zoals [eiseres] stelt, is begrijpelijk gelet op de verklaring van [naam] . Kreupelheid heeft zich nog niet voorgedaan, maar van [eiseres] kan redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij [naam paard] zo zwaar belast dat het risico zich verwezenlijkt en dat hij kreupel wordt. Dit brengt mee dat [naam paard] door de cyste in de linkerknie niet geschikt is voor de Westernsport en daarmee niet voor het bijzondere gebruik dat bij de overeenkomst voorzien was. De buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst was dus gerechtvaardigd.

Ongedaanmaking

3.10.

Dit oordeel brengt mee dat partijen tot ongedaanmaking over moeten gaan. De koopprijs dient te worden terugbetaald en [naam paard] moet worden teruggeleverd in de staat waarin [eiseres] haar heeft ontvangen. Dat [naam paard] door de castratie niet in dezelfde staat kan worden teruggeleverd, is een tekortkoming die leidt tot een verplichting tot schadevergoeding indien en voor zover de tekortkoming aan [eiseres] kan worden toegerekend. Dat is hier niet het geval. De castratie heeft plaatsgehad toen [eiseres] nog niet bekend was met de cyste en met een mogelijkheid van ontbinding nog geen rekening hoefde te houden. Op haar ruste in dat verband dus nog geen bijzondere zorgplicht als bedoeld in artikel 7:10 lid 4 BW. Zij mocht op dat moment dus met [naam paard] omgaan op de wijze die haar goed dunkte. [eiseres] heeft reden gezien [naam paard] te laten castreren, zodat hij in de beoogde stal geplaatst kon worden. Dat levert geen schending van de toen jegens [gedaagde sub 2 en 3] nog niet bestaande zorgplicht op en kan [eiseres] dus ook niet worden toegerekend.

Daarmee is sprake van een niet toerekenbare tekortkoming in de eerder bedoelde ongedaanmakingsverplichting en [eiseres] is dan ook niet tot schadevergoeding verplicht. Dit maakt dat [gedaagde sub 2 en 3] de volledige koopsom met rente dient terug te betalen en dat [naam paard] als ruin kan worden teruggeleverd.

Vorderingen

3.11.

De conclusie van bovenstaande is dat de verzochte verklaring voor recht kan worden gegeven, dat de koopovereenkomst ongedaan dient te worden gemaakt zonder een schadevergoeding wegens levering van een gecastreerd in plaats van een intact paard. Tegen de betaling van de kosten van de tweede keuring voor € 175,01 als schadevergoeding heeft [gedaagde sub 2 en 3] geen verweer gevoerd en die wordt dus eveneens toegewezen. Tegen de buitengerechtelijke incassokosten heeft [gedaagde sub 2 en 3] wel verweer gevoerd en [eiseres] heeft niet voldoende gesteld welke werkzaamheden door haar gemachtigde zijn verricht die vergoeding van deze kosten kan rechtvaardigen. De toets van het verrichten van redelijke werkzaamheden tot verkrijging van voldoening buiten rechte wordt daarmee niet gehaald. Die vordering wordt daarom afgewezen. De vorderingen tegen [gedaagde sub 1] worden alle afgewezen.

Proceskosten

3.12.

De proceskosten aan de zijde van [eiseres] dienen door [gedaagde sub 2 en 3] te worden gedragen omdat hij in het ongelijk wordt gesteld. De kosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

- dagvaarding € 132,38

- griffierecht 507,00

- salaris gemachtigde 746,00 (twee punten × tarief € 373,00)

Totaal € 1.385,38

3.13.

De rente over de kosten en de nakosten worden begroot en toegewezen op de in de beslissing vermelde wijze.

4 BESLISSING

De kantonrechter:

4.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst van 2 november 2020 rechtsgeldig is ontbonden;

4.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2 en 3] hoofdelijk tot:

a. terugbetaling van de koopprijs van € 12.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2021 tot aan de dag van voldoening,

b. betaling van € 175,01,

4.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2 en 3] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.385,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de 14 dagen na heden tot de voldoening;

4.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2 en 3] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 124,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde sub 2 en 3] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan;

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door C.M.E. de Koning, kantonrechter, bijgestaan door K.E. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier is buiten staat dit De kantonrechter vonnis te ondertekenen