Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:1862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2022
Datum publicatie
13-05-2022
Zaaknummer
13/345576-21 en 13/119733-21 (TUL) Promis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 15 maanden gevangenisstraf voor het witwassen van € 464.090,00 aan contant geld. Vordering TUL toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/345576-21 (Promis)

Datum uitspraak: 7 april 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres 1]

gedetineerd [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van der Willigen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. H. Bakker naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan (medeplegen van) het op 26 december 2021 te Amsterdam

1. witwassen van in totaal € 525.495,00 en één of meer Rolex horloges en

2. voorhanden hebben van ongeveer 4 kilo hasj en 78,4 gram hennep.

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 26 december wordt de broer van verdachte, [broer verdachte] , op straat gefouilleerd en wordt bij hem illegaal vuurwerk aangetroffen. De politie treedt binnen in de voormalige woning van [broer verdachte] , waar nu zijn moeder verblijft, op het adres [adres 2] . Dit omdat het vermoeden is ontstaan dat er nog meer vuurwerk in de woning zou kunnen liggen. Verdachte is op het moment van binnentreden ook in de woning aanwezig. Op het moment dat de politie zich aan verdachte kenbaar heeft gemaakt, rent verdachte naar buiten en springt hij van het balkon. Op het balkon worden twee tassen aangetroffen met daarin een grote hoeveelheid cash geld. Hierna wordt de rest van de woning doorzocht. In de woning, de kelderbox en in de eigen woning van verdachte wordt nog meer geld en horloges aangetroffen. Ook vindt de politie in totaal 3 kilo hasj en een zakje met henneptoppen.

Verdachte en zijn broer hebben beiden een verklaring afgelegd over de aangetroffen goederen. De broer van verdachte heeft verklaard dat hij de horloges en de drugs in bezit had, verdachte zou hier niets van geweten hebben. Een deel van het aangetroffen geld (€ 62.400,00) was ook van hem. Verdachte heeft deze verklaring bevestigd en heeft verklaard dat de rest van het geld (€ 464.090,00) van hem is en dat zijn broer daar niets mee te maken heeft.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van feit 1 kan worden bewezen dat verdachte € 464.090,00 heeft witgewassen. Verdachte heeft verklaard dat dit deel van het aangetroffen geld van hem was. Er is een witwasvermoeden en de verklaring die verdachte heeft gegeven voor de (legale) herkomst van het geld, is niet concreet en verifieerbaar. Daarom kan het niet anders dan dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit ook wist. Dat verdachte meer geld en/of de andere in de tenlastelegging genoemde goederen heeft witgewassen, kan op basis van het dossier niet worden bewezen. Daarom moet verdachte hiervan worden vrijgesproken. Medeplegen kan ook niet worden bewezen.

Dat verdachte wist van de onder feit 2 genoemde goederen, kan evenmin worden vastgesteld. Daarom dient verdachte hier ook van te worden vrijgesproken.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet van beide tenlastegelegde feiten worden vrijgesproken. De verklaring die verdachte heeft gegeven voor de herkomst van het geld (feit 1), is aannemelijk en kan niet worden uitgesloten op basis van het onderzoek dat is gedaan door de politie. Daarom kan niet worden vastgesteld dat het geld uit misdrijf afkomstig is en kan witwassen niet worden bewezen.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is, dan wil de verdediging voorwaardelijk het verzoek doen om twee getuigen te horen die kunnen bevestigen dat verdachte daadwerkelijk een handel had. Ook aan telefoons en de laptops van verdachte zou dan nader onderzoek moeten worden verricht.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het voorhanden hebben van een deel van het geld, horloges en goederen (feit 1) en van hasj en hennep (feit 2) niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken een deel van feit 1 en van feit 2. Feit 1 kan voor het overige bedrag wel worden bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte € 464.090,00 aan contant geld voorhanden had. Dit bedrag bestaat allereerst uit het geld dat is aangetroffen op het balkon en in de woonkamer van de woning aan de [adres 2] , waarvan verdachte heeft verklaard dat het van hem is. In dit bedrag is ook het geld opgenomen dat in de broekzak van verdachte en in zijn eigen woning is aangetroffen. Gezien deze vindplaatsen stelt de rechtbank vast dat deze bedragen ook aan verdachte toebehoorden.

Juridisch kader witwassen uit enig misdrijf

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat voornoemd geldbedrag afkomstig is van een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Echter, ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig is, kan witwassen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het geld in dit geval van misdrijf afkomstig is. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat het dus niet anders kan dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is, kan het witwassen van het geld worden bewezen.

Beoordeling

Op basis van de feiten en omstandigheden in het dossier oordeelt de rechtbank dat sprake is van een witwasvermoeden. Verdachte heeft namelijk een groot contant geldbedrag voorhanden gehad, terwijl uit het dossier blijkt verdachte geen legaal inkomen had dat het voor handen hebben van zoveel contant geld zou kunnen verklaren. Verdachte had namelijk alleen inkomsten uit een uitkering. Wat het witwasvermoeden sterker maakt is dat verdachte wegrende en van het balkon sprong toen de politie de woning binnentrad. Tot slot weegt mee dat een aanzienlijke hoeveelheid hasj en hennep is aangetroffen in en bij de woning waar verdachte en het grootste deel van het contante geld is aangetroffen. Ondanks dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is bij handel in verdovende middelen, ziet de rechtbank dit wel als signaal dat verdachte verblijft in een criminogene omgeving en in ieder geval banden onderhoudt met mensen die zich bezig houden met drugshandel.

Dit witwasvermoeden maakt dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld. Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig is uit de handel in onder andere autosleutels. Hij rekende altijd contant af met klanten en heeft hier geen administratie van bijgehouden. Noch heeft hij van zijn inkomsten melding gemaakt bij de Belastingdient. Met zijn afnemers sprak verdachte af op openbare plekken zoals de mediamarkt en betalingen aan verdachte gingen à contant. De handel zou pas goed op gang zijn gekomen in 2018 en zijn gestopt in 2020.

Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank tot op zekere hoogte concreet en verifieerbaar. Uit het dossier blijkt dat er ook aanwijzingen zijn dat verdachte inderdaad een handel in autosleutels heeft gehad en dat hij hier geld mee verdiend heeft. Het openbaar ministerie heeft voor zover zij dat kon ook nader onderzoek verricht.

De rechtbank is echter van oordeel dat het op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is dat verdachte met deze handel in de periode 2018-2020 € 464.090,00 heeft verdiend. Verdachte heeft immers alleen geconcretiseerd dat hij verdiensten had, maar heeft nagelaten duidelijkheid te geven over wat hij zoal met zijn handel verdiende. Hij heeft over die verdiensten geen documenten of stukken geproduceerd en ook ter zitting kon hij onvoldoende antwoord geven op vragen over zijn verdiensten waardoor zijn stelling geen handen en voeten kreeg. Dit terwijl het volgens de rechtbank geen betoog behoeft dat eenieder die als zelfstandig ondernemer opereert enige vorm van administratie kan overleggen of op zijn minst daarover een heldere uitleg kan verschaffen.

Nu de verklaring van verdachte voor de legale herkomst van het geld op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, concludeert de rechtbank dat het gezien de voornoemde omstandigheden niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist.

Omdat er aanwijzingen zijn dat verdachte wel geld heeft verdiend met de voornoemde handel, kan niet worden uitgesloten dat een gedeelte van het voornoemde bedrag een legale herkomst heeft. De rechtbank gaat er echter, op grond van de door verdachte verstrekte informatie, vanuit dat die verdiensten niet in verhouding staan tot de bedragen verkregen uit misdrijf. Ten aanzien van dat mogelijk legaal verdiende geld oordeelt de rechtbank dat sprake is van vermenging. Daarom acht de rechtbank bewezen dat verdachte € 464.090,00 heeft witgewassen.

Voorwaardelijk verzoek

De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen en het onderzoeken van de laptop en de telefoon afwijzen. Uit de onderbouwing van het verzoek en de verklaring van verdachte ter zitting maakt de rechtbank op dat dit onderzoek enkel zou kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte dat hij daadwerkelijk een bedrijf heeft gehad. De rechtbank oordeelt echter niet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verdachte een bedrijf heeft gehad, maar dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij uit de inkomsten hiervan € 464.090,00 contant voorhanden had. Verdachte heeft verklaard dat hij geen administratie heeft bijgehouden. De verklaringen van de getuigen en de gegevens op de telefoon en de laptop zullen de hoogte van de verdiende bedragen dan ook niet kunnen concretiseren. De rechtbank acht het verzochte onderzoek daarom niet noodzakelijk.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 26 december 2021 te Amsterdam 464.090 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die 464.090 euro, geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een veroordeling een gevangenisstraf van minder dan 12 maanden passend zou zijn. Er moet hierbij rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook heeft verdachte een gebroken been, waardoor zijn tijd in detentie nog zwaarder is.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Bij de beslissing tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende meegewogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag, namelijk € 464.090,00. Witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer. Het is daarmee een bedreiging voor de samenleving. Witwassen bevordert bovendien het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld en/of het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt. Zonder witwassen zou het genereren van illegale winsten daarnaast een stuk minder lucratief zijn.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 februari 2022. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 24 februari 2022 omtrent verdachte. Hierin staat beschreven dat de reclassering geen verbanden kan leggen tussen het delictgedrag en eventuele redenen die verdachte hiervoor gehad kan hebben. Er kan dan ook geen inschatting van het recidiverisico worden gemaakt. Ook ziet de reclassering geen mogelijkheid voor het beïnvloeden van het gedrag van verdachte door middel van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geven voor fraudedelicten ten aanzien van geldbedragen van € 250.000,00 tot € 500.000,00 een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze oriëntatiepunten en vindt een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest passend. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank ook geen reden om een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

8 Beslag

Onder verdachte zijn onder andere de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- 1810 EUR ibg 27-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135847)

- 1220 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135670)

- 113000 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135608)

- 275900 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135637)

- 72160 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135632)

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De overige onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen nog aan de orde komen bij de behandeling van de zaak van [broer verdachte] . Daarom zal de rechtbank ten aanzien van deze voorwerpen op dit moment geen beslissing nemen.

9 Beslissing na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 1 februari 2022, in de zaak met parketnummer 13/119733-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 21 juni 2021 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze vordering.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- 1810 EUR ibg 27-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135847 )

- 1220 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135670)

- 113000 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135608)

- 275900 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135637)

- 72160 EUR ibg 26-12-2021

(Omschrijving: PL1300-2021265419-G6135632)

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 21 juni 2021 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 2 (twee) weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en N.T. Arnoldussen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2022.

[…]